Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2288

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-07-2015
Datum publicatie
22-07-2015
Zaaknummer
201408710/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2014:4753, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 mei 2013 heeft het college [appellant], onder oplegging van een dwangsom, gelast om binnen vier weken het innemen van een ligplaats met een vaartuig te beëindigen en beëindigd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201408710/1/A3.

Datum uitspraak: 22 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 17 september 2014 in zaak nr. 14/785 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Menameradiel.

Procesverloop

Bij besluit van 1 mei 2013 heeft het college [appellant], onder oplegging van een dwangsom, gelast om binnen vier weken het innemen van een ligplaats met een vaartuig te beëindigen en beëindigd te houden.

Bij besluit van 17 december 2013 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 september 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.

Bij besluit van 5 maart 2015 is het college overgegaan tot invordering van een verbeurde dwangsom van € 10.000,00.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 maart 2015, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door M. Klijnstra, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Ter zitting is het college in de gelegenheid gesteld binnen drie weken na de zitting nadere inlichtingen te geven over de bevoegdheid tot invordering van verbeurde dwangsommen over te gaan. Bij brief van 9 april 2015 heeft het college inlichtingen verstrekt. Bij fax van 26 mei 2015 heeft [appellant] een reactie ingediend. Partijen hebben toestemming gegeven een tweede zitting achterwege te laten.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

Ingevolge artikel 5:35 verjaart de bevoegdheid tot invordering van een verbeurde dwangsom in afwijking van artikel 4:104 door verloop van een jaar na de dag waarop zij is verbeurd.

Ingevolge artikel 5:37, eerste lid, beslist het bestuursorgaan bij beschikking omtrent de invordering van een dwangsom, alvorens aan te manen tot betaling van de dwangsom.

Ingevolge artikel 5:39, eerste lid, heeft het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de last onder dwangsom mede betrekking op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voorzover de belanghebbende deze beschikking betwist.

2. Bij brief van 16 april 2015 heeft het college het invorderingsbesluit van 5 maart 2015 en het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar van 13 april 2015 krachtens artikel 5:39, eerste lid, van de Awb ter behandeling als beroep aan de Afdeling doorgestuurd.

3. De Afdeling overweegt ambtshalve als volgt.

Tussen partijen is niet in geschil dat [appellant] niet binnen de begunstigingstermijn aan de last onder dwangsom heeft voldaan. Ten tijde van het nemen van het invorderingsbesluit van 5 maart 2015 was reeds meer dan een jaar na het verbeuren van de dwangsom verstreken. De brieven van 15 oktober 2014 en 24 november 2014 waarin [appellant] is medegedeeld dat hij dwangsommen heeft verbeurd vallen, ongeacht de status van die brieven, eveneens buiten deze termijn van een jaar. Anders dan het college heeft gesteld, is controle geen voorwaarde voor het ingaan van deze termijn. De invordering van de verbeurde dwangsom is niet meer mogelijk, omdat het college daartoe op grond van artikel 5:35 van de Awb niet meer bevoegd is. Het besluit van 5 maart 2015 dient derhalve te worden vernietigd.

Nu invordering van de verbeurde dwangsom niet meer mogelijk is wegens de verjaring van de bevoegdheid daartoe, kon geen uitvoering meer worden gegeven aan het besluit van 1 mei 2013 (vergelijk de uitspraken van 1 juni 2011 in zaak nr. 201010480/1/H1 en van 27 juli 2011 in zaak nr. 201009027/1/H2). [appellant] heeft derhalve geen belang meer bij het inhoudelijk beoordelen van zijn hoger beroep.

4. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. Het beroep tegen het besluit van 5 maart 2015 is gegrond. Dit besluit dient te worden vernietigd.

5. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

II. vernietigt het besluit van 5 maart 2015 tot invordering van de door [appellant] verbeurde dwangsom;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Menameradiel tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 490,00 (zegge: vierhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, griffier.

w.g. Borman w.g. Klein

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2015

176-773.