Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2281

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-07-2015
Datum publicatie
22-07-2015
Zaaknummer
201409592/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:7134, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 januari 2013 heeft de staatssecretaris een verzoek van [appellant] om openbaarmaking van documenten op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201409592/1/A3.

Datum uitspraak: 22 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 7 oktober 2014 in zaak nr. 13/6947 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Economische Zaken.

Procesverloop

Bij besluit van 22 januari 2013 heeft de staatssecretaris een verzoek van [appellant] om openbaarmaking van documenten op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) afgewezen.

Bij besluit van 21 oktober 2013 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 oktober 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 mei 2015, waar [appellant], bijgestaan door [adviseur], en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. J. den Haan en M.T.P.E. Jeurissen, beiden werkzaam bij het Ministerie van Economische Zaken, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.

Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

2. Door de rechtbank is onbetwist vastgesteld dat [appellant], na overleg met de staatssecretaris, heeft verzocht om openbaarmaking van:

1. alle verslagen, rapporten, analyses en taxaties die zijn opgemaakt over [bedrijf], het bedrijf van [appellant];

2. de analyseresultaten van alle duplo’s die zijn genomen tijdens de eerste bemonstering, uitgevoerd op zijn bedrijf;

3. een kopie van de monsterbegeleidingspapieren dan wel de reden waarom deze zijn kwijtgeraakt dan wel zijn vernietigd;

4. de naam en functie van de persoon onder wiens autorisatie is afgeweken van de gebruikelijke analyse- en bewaarprocedures;

5. antwoord op de vraag waarom het door hem aangevraagde contra-onderzoek niet mogelijk was;

6. de naam en functie van de persoon onder wiens autorisatie karkassen afkomstig van zijn bedrijf zijn afgevoerd;

7. de naam en functie van de persoon die opdracht heeft gegeven tot vernietiging van de karkassen dan wel de vernietiging heeft goedgekeurd;

8. antwoord op de vraag waarom een door hem voorgestelde bemonstering op zijn bedrijf niet mogelijk was;

9. de datum waarop het RIKILT en het CICL zijn erkend door de Raad voor Accreditatie voor het uitvoeren van MPA-onderzoek overeenkomstig de Europese richtlijnen;

10. de communicatie met het productschap en het ministerie over de betalingen die zijn verricht in het kader van de Noodmaatregel NN116/2002;

11. de communicatie van de Algemene Inspectiedienst met het productschap en het ministerie over de veiligheid voor volksgezondheid;

12. de communicatie met de Europese Commissie waaruit blijkt dat melding is gemaakt van het bestaan van het rapport "Inventarisatie milieucriminaliteit" van het KLPD alsmede het EPA-rapport "Preliminary report on the Investigation into Contamination of the Food and Feed Chain with Pharmaceutical Waste". [appellant] heeft reeds eerder in 2002 en in 2003 de staatssecretaris verzocht om openbaarmaking van documenten.

3. De rechtbank heeft geoordeeld dat het verzoek van [appellant], voor zover het gaat om informatie zoals genoemd onder 1 tot en met 3 van zijn verzoek, aangemerkt moet worden als een herhaalde aanvraag. Nu, volgens de rechtbank, in hetgeen door [appellant] is aangevoerd geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden zijn gelegen en evenmin een relevante wijziging van het recht heeft plaatsgevonden, is voor rechterlijke toetsing van het besluit van 21 oktober 2013 in zoverre geen plaats. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat voor zover het verzoek ziet op informatie zoals genoemd onder 4 tot en met 12 van het verzoek van [appellant], zij geen redenen heeft te twijfelen aan de juistheid van de mededeling van de staatssecretaris dat een zoekslag is gedaan naar de aanwezigheid van de verzochte informatie en dat daarbij op het ministerie geen informatie is aangetroffen.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd. Daartoe voert hij aan dat naar aanleiding van zijn eerdere verzoeken niet alle informatie is verstrekt. In dat kader verwijst hij naar documenten die de omroep VPRO naar aanleiding van een op grond van de Wob ingediend verzoek van 15 maart 2013 heeft verkregen. Bij de aan de VPRO toegezonden documenten bevonden zich documenten die hij nog niet eerder had gezien. [appellant] verwijst voorts naar het rapport Inventarisatie zware milieucriminaliteit 2001-2003 van het Korps landelijke politiediensten (hierna: KLPD) van november 2003, waaruit volgens hem volgt dat er meer informatie moet zijn.

4.1. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1) vloeit voort dat, indien een bestuursorgaan na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking neemt, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kan de bestuursrechter dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen toetsen. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan doen zich niettemin geen feiten of omstandigheden voor die een - hernieuwde - toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

4.2. De rechtbank is de staatssecretaris terecht gevolgd in zijn conclusie dat het verzoek van 29 maart 2012, voor zover het gaat om informatie over het bedrijf van [appellant] zoals genoemd onder 1 tot en met 3 van dat verzoek, als een herhaalde aanvraag in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb moet worden aangemerkt, nu dit verzoek inhoudelijk overeenkomt met de eerdere gedeeltelijk afgewezen verzoeken en alle verzoeken zijn uitgegaan van dezelfde indiener. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat in hetgeen door [appellant] is aangevoerd geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden zijn gelegen. De aan de VPRO toegezonden documenten waar [appellant] op doelt en het rapport van het KLPD hebben een ruimere strekking dan de documenten waarop deel 1 tot en met 3 van het verzoek van [appellant] is gericht, zodat op voorhand is uitgesloten dat deze documenten kunnen afdoen aan de eerdere besluiten. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat voor rechterlijke toetsing van het besluit van 21 oktober 2013, voor zover het gaat om informatie zoals genoemd onder 1 tot en met 3 van het verzoek van [appellant] geen plaats is.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt voorts dat, voor zover het verzoek gaat over informatie als genoemd onder 4 tot en met 12 van het verzoek, de rechtbank heeft miskend dat de staatssecretaris over meer documenten beschikt. Daartoe voert hij aan dat hij een deel van de verzochte documenten eenvoudig via andere bronnen heeft verkregen. In dat kader verwijst hij opnieuw naar de naar aanleiding van het verzoek van de VPRO door hem ontvangen documenten en het rapport van het KLPD alsmede naar documenten afkomstig van de Europese Commissie.

5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 25 februari 2015 in zaak nr. 201405061/1/A3), is het, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, het document in kwestie toch onder het bestuursorgaan berust.

5.2. De staatssecretaris heeft verklaard dat naar aanleiding van het verzoek van [appellant] een zoekslag is verricht op het ministerie. Ter zitting bij de rechtbank heeft de staatssecretaris toegelicht dat alle dossiers bij de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit liggen en dat de dossiers geordend zijn op onderwerp of bedrijfsnaam. Volgens de staatssecretaris is gezocht naar dossiers met het label "MPA" alsook naar het dossier "[bedrijf]", maar zijn in de dossiers de gevraagde documenten zoals genoemd onder 4 tot en met 12 van het verzoek niet aangetroffen. De staatssecretaris heeft voorts bij brief van 22 mei 2014 de rechtbank bericht dat bij brief van 1 mei 2013 aan [appellant] nogmaals alle documenten zijn verstrekt en dat hij over meer documenten niet beschikt. Met de rechtbank acht de Afdeling gelet hierop de mededeling van de staatssecretaris dat de gevraagde documenten niet onder hem berusten niet ongeloofwaardig. Dat in de door de VPRO ontvangen documenten, het rapport van het KLPD en de documenten van de Europese Commissie documenten zijn aantroffen over varkens en hormonen, brengt niet mee dat [appellant] met deze documenten aannemelijk heeft gemaakt dat de staatssecretaris over de door hem verzochte documenten beschikt.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.D.A.M. Zegveld, griffier.

w.g. Slump w.g. Zegveld

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2015

43-818.