Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2277

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-07-2015
Datum publicatie
15-07-2015
Zaaknummer
201501526/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 december 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Centrum, herziening 1 ([locatie])" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201501526/2/R3.

Datum uitspraak: 10 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)) in het geding tussen:

[appellant A] en [appellante B] (hierna in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend te Oosterhout,

verzoekers,

en

de raad van de gemeente Oosterhout,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 17 december 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Centrum, herziening 1 ([locatie])" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

[appellant] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft op 28 mei 2015 een nader stuk ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 8 juni 2015, waar [appellant] en de raad, vertegenwoordigd door ing. S.B. Snoeren en mr. M.C. Vervoort, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder] als partij gehoord.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. Het plan voorziet in de bouw van twee wooneenheden binnen het bouwvlak met de woonbestemming en in de bouw van autoboxen ter plaatse van de aanduiding "garage" binnen de verkeersbestemming aan de [locatie].

Op basis van dit reeds in werking getreden bestemmingsplan heeft het college van burgemeester en wethouders bij besluit van 16 april 2015 een omgevingsvergunning aan [vergunninghouder] verleend voor het bouwen van zeven autoboxen op het perceel [locatie]. [appellant] heeft bezwaar tegen dit besluit gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om schorsing van het plan. Anders dan de raad stelt is het spoedeisend belang daarmee gegeven.

3. [appellant] betoogt dat de wijze waarop de raad de naar voren gebrachte zienswijzen heeft behandeld in strijd is met artikel 3:46 van de Awb. Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

4. [appellant] betoogt dat aan de monumentale boom op zijn perceel en de schuilkelder onder de fundering van het voormalige gebouw op het naburige perceel [locatie] in het plan onvoldoende bescherming toekomt. Daartoe voert hij aan dat in het plan ter plaatse van de kroon van de boom, in afwijking van het vorige plan, mag worden gebouwd. De raad heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar de gevolgen van de gewijzigde vaststelling van het plan voor de boom. De door Cobra boomadviseurs B.V. uitgevoerde Boom Effect Analyse (hierna: BEA) van 29 augustus 2013 is volgens [appellant] daartoe onvoldoende, nu daarin staat dat schade aan de boom niet is uit te sluiten en met het oog daarop wordt geadviseerd opnieuw een BEA op basis van de voorgenomen bouwplannen uit te voeren. Met een verwijzing naar de in zijn opdracht opgestelde BEA van juli 2014 vreest [appellant] dat de watertoevoer naar de boom zal verminderen als gevolg van het verharden van de gronden met een betonnen plaat op het perceel [locatie]. De raad is verder niet ingegaan op de door hem voorgestelde alternatieven.

4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de aanwezige schuilkelder niet is aangewezen als een beschermd monument en er geen voornemen bestaat om deze kelder op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen. Volgens de raad komt aan de monumentale boom in het plan voldoende bescherming toe. Overigens is binnen de kroonprojectie van de monumentale boom van oudsher al bebouwing met bijbehorende fundering aanwezig. Door de gewijzigde vaststelling van het plan is het gebied waarbinnen autoboxen kunnen worden gebouwd vergroot, waardoor er mogelijkheden zijn ontstaan om de autoboxen ook buiten de kroonprojectie van de monumentale boom te bouwen.

4.2. Het plan voorziet onder meer in de bouw van autoboxen ter plaatse van de aanduiding "garage" binnen de bestemming "Verkeer". Aan een gedeelte hiervan is tevens de dubbelbestemming "Waarde - monumentale bomen" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Verkeer" aangewezen gronden bestemd voor autoboxen ter plaatse van de aanduiding "garage".

Ingevolge lid 4.2, onder 4.2.2, gelden voor het bouwen van autoboxen de volgende bepalingen:

a. autoboxen mogen uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding "garage";

(…);

d. het totale gezamenlijke oppervlak van de autoboxen mag niet meer bedragen dan 210 m²;

e. het bepaalde in artikel 6 is onverminderd van toepassing op de gronden met de bestemming "Waarde - monumentale bomen".

Ingevolge artikel 6, lid 6.1, zijn de voor "Waarde - monumentale bomen" aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor monumentale bomen.

Ingevolge lid 6.2 mogen in afwijking van het bepaalde bij andere bestemmingen geen bouwwerken worden opgericht binnen de bestemming "Waarde - monumentale bomen", tenzij uit een bomeneffectrapportage blijkt dat de bouwactiviteiten geen onevenredige nadelige effecten hebben voor de levensverwachting en de ruimtelijke, monumentale of ecologische betekenis van de ter plaatse aanwezige boom.

In lid 6.3 is een omgevingsvergunningstelsel voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden opgenomen.

4.3. Niet in geschil is dat de schuilkelder onder de bestaande fundering van het voormalige gebouw op het perceel [locatie] niet is aangewezen als een beschermd monument. Daar bestaat volgens de raad ook geen aanleiding toe. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de schuilkelder monumentale waarde heeft en als zodanig dient te worden opgenomen in het plan. Overigens staat het plan niet in de weg aan de aanwezigheid en het behoud van de schuilkelder.

4.4. In het bestemmingsplan is aan de kroon van de monumentale boom de dubbelbestemming "Waarde - monumentale bomen" toegekend. Ingevolge artikel 6, lid 6.2, van de planregels mag ter plaatse niet worden gebouwd, tenzij uit een BEA blijkt dat de bouwactiviteiten geen onevenredige nadelige effecten hebben voor de levensverwachting en de ruimtelijke, monumentale of ecologische betekenis van de ter plaatse aanwezige boom. In de aan het plan ten grondslag gelegde BEA van 29 augustus 2013 is onderzoek gedaan naar de effecten van de geplande werkzaamheden op de boom. De conclusie is dat de boom kan worden gehandhaafd, maar dat het plan zonder het treffen van aanvullende maatregelen of voorzieningen de levensverwachting van de boom negatief kan beïnvloeden. Een specifieke werkmethode zal moeten worden toegepast om de invloed van de plannen op de boom te beperken. Geadviseerd wordt om een gedetailleerd boombeschermingsplan op te stellen wanneer het uitvoeringsplan bekend is. In het in opdracht van [appellant] opgestelde rapport van juli 2014 staat dat indien de autoboxen op de oude fundering worden gebouwd, de boom daar weinig hinder van zal ondervinden. Ter zitting heeft [appellant] toegelicht op zichzelf geen bezwaar te hebben tegen de bouw van de autoboxen op de bestaande fundering van het voormalige gebouw op het perceel [locatie], mits met een daartoe opgestelde BEA voldoende maatregelen bij de uitvoering ter bescherming van de boom worden getroffen. Dit betreffen evenwel uitvoeringsaspecten, die geen deel uitmaken van het bestemmingsplan.

In de BEA van juli 2014 wordt verder geconcludeerd dat het aanleggen van een betonnen plaat op het terrein zal leiden tot wortelschade en verminderde hemelwaterinfiltratie. In het vorige bestemmingsplan "Oosterhout-Centrum" had het gehele perceel de bestemming "Maatschappelijk", waar voorzieningen ten behoeve van verkeer en verblijf waren toegestaan. In zoverre is geen sprake van een verslechtering ten opzichte van het vorige bestemmingsplan. In de als bijlage 4 van de plantoelichting opgenomen waterparagraaf staat bovendien dat het perceel in de huidige situatie geheel verhard is en dat het verharde oppervlak door de sloop van de bestaande opstallen ten behoeve van de herontwikkeling van het plan naar verwachting zal afnemen ten opzichte van de huidige situatie. Voor het verharden van de gronden binnen de dubbelbestemming "Waarde - Monumentale bomen" is in artikel 6, lid 6.3, onder 6.3.1, van de planregels een omgevingsvergunningstelsel opgenomen. De voorzieningenrechter ziet voorshands in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op dit punt onvoldoende rekening heeft gehouden met de bescherming van de boom. Ook in hetgeen [appellant] overigens ten aanzien van deze boom heeft aangevoerd ziet de voorzieningenrechter evenmin aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

5. Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. C.S. Bongertman, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Bongertman

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2015

709.