Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2275

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-07-2015
Datum publicatie
15-07-2015
Zaaknummer
201309743/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2013:6732, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 april 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2015/246

Uitspraak

201309743/1/V2.

Datum uitspraak: 9 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 26 september 2013 in zaak nr. 13/10849 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 17 april 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 26 september 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. W.A. Berghuis, advocaat te Dordrecht, heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij, in aanmerking genomen de door de vreemdeling in zijn zienswijze en in beroep aangehaalde recente landeninformatie over de positie van koptische christenen in Egypte, ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij koptische christenen niet als kwetsbare minderheidsgroep heeft aangemerkt. Hiertoe voert hij, voor zover thans van belang, aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij zich in het besluit van 17 april 2013, zoals nader toegelicht bij het bij de rechtbank ingediende verweerschrift, deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat koptische christenen geen kwetsbare minderheidsgroep zijn.

1.1. De vreemdeling heeft zich ter staving van zijn aanvraag mede beroepen op de positie van koptische christenen in Egypte. Volgens hem vormen zij een kwetsbare minderheidsgroep en had de staatssecretaris koptische christenen als zodanig moeten aanmerken in zijn beleid. Ter staving hiervan heeft de vreemdeling zich in de correcties en aanvullingen van 24 oktober 2012 beroepen op twee mediaberichten over incidenten waarvan koptische christenen in Egypte slachtoffer zijn geworden. In de gronden van beroep van 22 mei 2013 heeft de vreemdeling in aanvulling hierop gesteld dat uit tientallen berichten uit 2013 blijkt dat de situatie voor koptische christenen in Egypte onhoudbaar wordt. Uit het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting bij de rechtbank blijkt dat de vreemdeling zijn betoog ter zitting verder heeft toegelicht door te verwijzen naar een artikel 'Christenen zijn altijd het slachtoffer' in NRC Handelsblad van 21 augustus 2013.

1.2. De staatssecretaris heeft zich in het besluit, voor zover thans van belang, op het standpunt gesteld dat het thematisch ambtsbericht 'Christenen in Egypte' van de minister van Buitenlandse Zaken van juni 2012 (hierna: het ambtsbericht) geen aanleiding geeft om koptische christenen aan te merken als kwetsbare minderheidsgroep als bedoeld in paragraaf C2/3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000). Hiertoe heeft hij verwezen naar de brief aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 11 juli 2012 (Kamerstukken II, 2011-12, 19 637, nr. 1564). Daarin staat dat uit het ambtsbericht blijkt dat het aantal geweldsincidenten tussen moslims en christenen weliswaar is toegenomen sinds de massale volksopstand die op 11 februari 2011 leidde tot de val van president Mubarak, maar dat deze toename moet worden bezien in het licht van het feit dat het veiligheidsapparaat na de val van Mubarak nog gebrekkig was en het gegeven dat de verschillende bevolkingsgroepen in die periode nog moesten leren omgaan met de toegenomen ruimte voor uitingen van religiositeit, waarbij tevens in ogenschouw moet worden genomen dat de zes tot tien miljoen koptische christenen die in Egypte wonen de grootste minderheidsgroep van het land vormen. De door de vreemdeling in zijn correcties en aanvullingen aangehaalde artikelen nopen er volgens de staatssecretaris niet toe koptische christenen als een kwetsbare minderheidsgroep aan te merken. In die berichten is volgens de staatssecretaris louter sprake van incidenten.

1.3. Volgens paragraaf C2/3.3 van de Vc 2000 is de staatssecretaris bevoegd om een bevolkingsgroep in een land van herkomst aan te merken als kwetsbare minderheidsgroep. Bij de vraag of een bevolkingsgroep wordt aangemerkt als kwetsbare minderheid, worden in ieder geval de volgende elementen in samenhang gewogen:

-de vraag of er sprake is van willekeurig geweld of willekeurige mensenrechtenschendingen in het land of in een bepaald gebied van dit land, zoals moord, verkrachting en mishandeling;

-de mate waarin de vreemdeling, die behoort tot de bevolkingsgroep, effectieve bescherming kan inroepen tegen dreigend geweld of mensenrechtenschendingen;

-de mate waarin de vreemdeling, die behoort tot de bevolkingsgroep, zich kan onttrekken aan dreigend geweld of mensenrechtenschendingen door zich elders te vestigen.

1.4. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris, gelet op de door de vreemdeling aangehaalde landeninformatie over de positie van koptische christenen in Egypte, ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij koptische christenen niet als kwetsbare minderheidsgroep heeft aangemerkt.

Het artikel ‘Christenen zijn altijd het slachtoffer’ meldt dat in de derde week van augustus 2013, in reactie op de afzetting van president Morsi in juli 2013, 47 koptische kerken in brand zijn gestoken en dat sinds juli 2013 ten minste zeven koptische christenen zijn vermoord. Afgezet tegen het aantal koptische christenen dat volgens het door de staatssecretaris aangehaalde ambtsbericht in Egypte woont, duiden deze aan de afzetting van Morsi gerelateerde gebeurtenissen, nog daargelaten of deze duiden op een structurele verslechtering, er niet op dat de positie van koptische christenen ten tijde van belang dusdanig was dat het, gelet op de criteria uit paragraaf C2/3.3 van de Vc 2000, kennelijk onredelijk was om koptische christenen in Egypte niet als kwetsbare minderheidsgroep aan te merken. Ditzelfde geldt voor de artikelen waarop de vreemdeling zich heeft beroepen in zijn correcties en aanvullingen. Hiervoor is mede redengevend dat de daarin beschreven incidenten, waarbij zes slachtoffers zijn gevallen onder koptische christenen en tientallen winkels van koptische christenen in brand zijn gestoken, hebben plaatsgevonden in 2009 en januari 2010, derhalve geruime tijd voor het besluit en de aangevallen uitspraak.

De vreemdeling heeft zijn stelling dat uit tientallen berichten uit 2013 blijkt dat de positie van koptische christenen is verslechterd, voorts niet geconcretiseerd of gestaafd, zodat dit niet tot een ander oordeel leidt.

De grief slaagt.

2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Hetgeen voor het overige daartegen is aangevoerd, behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 17 april 2013 toetsen in het licht van de daartegen bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden, voor zover daarop, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

3. Volgens de staatssecretaris heeft de vreemdeling niet aannemelijk gemaakt dat hij in verband met zijn asielrelaas in Egypte een gegronde vrees heeft voor vervolging dan wel dat hij in verband daarmee een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat hij weliswaar geloofwaardig acht dat de vreemdeling een vriendschappelijke relatie heeft gehad met een islamitische medestudente genaamd [naam], dat hij als gevolg hiervan op 17 april 2011 onder meer op het terrein van het opleidingsinstituut door medestudenten is beledigd en geslagen en dat de familieleden van [naam] hem op 6 mei 2011 bij zijn ouderlijk huis hebben opgezocht, maar dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij nadien door deze personen werd gezocht en daardoor voor zijn leven had te vrezen. Hieraan heeft de staatssecretaris ten grondslag gelegd dat de vreemdeling nog tot 11 augustus 2011 in Egypte heeft verbleven zonder dat hem iets is overkomen. De vreemdeling verbleef gedurende deze periode weliswaar op het fabrieksterrein van zijn oom, maar hij is ook teruggekeerd naar zijn opleidingsinstituut om een examen af te leggen, terwijl de medestudenten waarvoor hij stelt te vrezen te hebben ook op de examenlocatie aanwezig waren. Daarnaast heeft hij zijn ouderlijk huis bezocht, terwijl dit zich in hetzelfde dorp bevindt als het huis van de familieleden van [naam] die hem eerder bij zijn ouderlijk huis hadden opgezocht, aldus de staatssecretaris.

4. Anders dan de vreemdeling in beroep heeft aangevoerd, heeft de staatssecretaris niet geloofwaardig geacht dat zijn medestudenten en de familieleden van [naam] hem ten tijde van zijn vertrek uit Egypte op 11 augustus 2011 zochten. De staatssecretaris heeft zich immers uitdrukkelijk op het standpunt gesteld dat hij dit, in aanmerking genomen dat de vreemdeling heeft verklaard dat niemand hem na 6 mei 2011 bij zijn ouderlijk huis heeft opgezocht, ongeloofwaardig acht.

Dat de vreemdeling door zijn neef en twee medewerkers van de fabriek van zijn oom is begeleid naar de examenlocatie, zoals hij in zijn correcties en aanvullingen heeft gesteld, neemt niet weg dat de deelname aan het examen had kunnen leiden tot een confrontatie met de medestudenten hetgeen voor de vreemdeling, ondanks de begeleiding door zijn neef en twee medewerkers, risico's zou hebben opgeleverd. Dat de vreemdeling deze risico's heeft aanvaard duidt er niet op dat hij van deze medestudenten voor zijn leven had te vrezen, temeer, nu hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn deelname aan dat examen dringend was vereist. Dat de vreemdeling zich samen met zijn neef, zoals hij in beroep heeft aangevoerd, uit voorzorg in een geblindeerde auto richting zijn ouderlijk huis heeft begeven, doet evenmin af aan het standpunt van de staatssecretaris dat hiervoor onder 3. is weergegeven. Deze voorzorgsmaatregel neemt immers niet weg dat de vreemdeling vervolgens drie dagen in zijn ouderlijk huis is gebleven. In aanmerking genomen dat voor dit verblijf geen noodzaak bestond duidt dit verblijf er niet op dat hij van de zijde van de familieleden van [naam], die wisten waar het ouderlijk huis zich bevond, voor zijn leven had te vrezen. Dat zijn neef gedurende dit verblijf bij hem was maakt dit niet anders, reeds omdat dit niet wegneemt dat de familieleden van [naam] wederom bij zijn ouderlijk huis hadden kunnen langskomen om hem te zoeken hetgeen had kunnen leiden tot een confrontatie die - ondanks de aanwezigheid van zijn neef - voor de vreemdeling risico's met zich zou hebben gebracht.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 26 september 2013 in zaak nr. 13/10849;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Ahmady-Pikart, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Ahmady-Pikart

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2015

753.