Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2260

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-07-2015
Datum publicatie
15-07-2015
Zaaknummer
201409462/1/V6
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 oktober 2013 heeft de Raad van Bestuur een aanvraag van [appellant] om voorzieningen krachtens de Remigratiewet afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201409462/1/V6.

Datum uitspraak: 15 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 oktober 2014 in zaak nr. 14/2501 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (hierna: de Raad van Bestuur).

Procesverloop

Bij besluit van 8 oktober 2013 heeft de Raad van Bestuur een aanvraag van [appellant] om voorzieningen krachtens de Remigratiewet afgewezen.

Bij besluit van 18 maart 2014 heeft de Raad van Bestuur het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 oktober 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Raad van Bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 mei 2015, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.A. van den Berg, advocaat te Amsterdam, en de Raad van Bestuur, vertegenwoordigd door J.Y. van den Berg, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Uitvoeringsbesluit Remigratiewet, zoals dat ten tijde van belang luidde (hierna: het Uitvoeringsbesluit), dient een remigrant, om voor de basisvoorzieningen en de remigratievoorzieningen in aanmerking te komen, zijn schulden aan het Rijk te hebben voldaan, dan wel ten behoeve van zijn schulden aan het Rijk een afbetalingsregeling te hebben getroffen.

2. De Raad van Bestuur heeft aan de handhaving van de afwijzing van de aanvraag ten grondslag gelegd dat [appellant] niet voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Uitvoeringsbesluit, nu [appellant] schulden aan het Rijk heeft, bestaande uit ten onrechte ontvangen zorgtoeslag 2006 van € 1.156,00 en huurtoeslag 2006 van € 1.660,00, en [appellant] deze schulden niet heeft voldaan en geen afbetalingsregeling ten behoeve van deze schulden heeft getroffen. Dat de Belastingdienst [appellant] bij beschikking van 31 oktober 2013, kenmerk IVT/0673.71.987, heeft medegedeeld dat voor de ten onrechte ontvangen toeslagen geen invorderingsmaatregelen meer worden genomen, betekent volgens de Raad van Bestuur niet dat [appellant] wel aan bedoelde voorwaarde heeft voldaan.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de Raad van Bestuur zich terecht op voormeld standpunt heeft gesteld.

[appellant] voert aan dat hij geen schulden aan het Rijk heeft. Volgens hem houdt voormelde mededeling van de Belastingdienst een pseudokwijtschelding van de desbetreffende schulden in, die in feite neerkomt op een kwijtschelding van die schulden. Hij stelt dat de Belastingdienst niet tot invordering van de schulden is overgegaan, omdat hij onvoldoende betalingscapaciteit heeft. Volgens hem ligt het niet in de rede dat hij in de toekomst wel betalingscapaciteit zal hebben en de Belastingdienst tot invordering zal overgaan, nu hij 53 jaar oud is, als alleenstaande ouder een bijstandsuitkering ontvangt en op medische gronden van de sollicitatieverplichting is vrijgesteld. Verder voert hij aan dat thans een ongelijke behandeling bestaat tussen de kwijtschelding van een belastingschuld en de pseudokwijtschelding van een toeslagenschuld. Dat heeft de staatssecretaris van Financiën (hierna: de staatssecretaris), gezien zijn brief van 26 juni 2008 aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II, 2007/08, 31 066, nr. 54, blz. 2-3) niet beoogd, aldus [appellant].

3.1. In de nota van toelichting bij het Uitvoeringsbesluit (Stb. 2000, 128) is, voor zover thans van belang, over artikel 2, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit het volgende vermeld:

"De voorwaarde in onderdeel a is opgenomen omdat de basis- en remigratievoorzieningen verstrekt worden uit 's Rijks kas. Het gaat niet aan om deze voorzieningen te verstrekken aan personen, die zich door hun remigratie feitelijk kunnen onttrekken aan invordering van hun schulden aan diezelfde rijksoverheid. Het gaat hierbij om rijksbelastingen, welke door de aanslag van de inspecteur der belastingen verschuldigd zijn geworden, om niet betaalde justitiële boetes en om ten onrechte ontvangen individuele huursubsidies. Deze bepaling wijkt voor een deel af van de remigratieregelingen van 1985. Op basis van die regelingen dienen de genoemde schulden te zijn voldaan, voordat tot remigratie kan worden overgegaan. De onderhavige bepaling maakt het ook mogelijk dat reeds tot remigratie kan worden overgegaan, indien met de desbetreffende instantie een afbetalingsregeling is getroffen. De SVB controleert of de remigrant schulden heeft bij bedoelde instanties en of hiervoor een afbetalingsregeling is getroffen. Met machtiging van de remigrant kan de SVB de schuld verrekenen met de periodieke uitkering."

3.2. Bij voormelde beschikking van 31 oktober 2013 heeft de Belastingdienst [appellant] medegedeeld dat het niet mogelijk is kwijtschelding te verlenen van de terugvordering van de ten onrechte ontvangen toeslagen, maar dat voor de openstaande posten geen invorderingsmaatregelen meer worden genomen. Die laatste mededeling kan er niet aan afdoen dat de schulden aan het Rijk nog steeds bestaan.

[appellant] wordt niet gevolgd in zijn betoog dat de pseudokwijtschelding van de schulden neerkomt op een daadwerkelijke kwijtschelding. In voormelde beschikking is onder meer de voorwaarde opgenomen dat gedurende maximaal drie jaar, te rekenen vanaf de datum van deze beschikking, eventuele toeslagen en teruggaven inkomstenbelasting, voor zover die niet in maandelijkse termijnen worden uitbetaald, zullen worden verrekend met de buiten de invordering gelaten schulden. Verder staat in de beschikking dat de toezegging om geen invorderingsmaatregelen meer te nemen, vervalt als blijkt dat [appellant] onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt. Gelet op het voorgaande is niet uitgesloten dat voor de Belastingdienst aanleiding zal ontstaan om alsnog tot invordering over te gaan. De staatssecretaris heeft in voormelde brief van 26 juni 2008 vermeld dat bij pseudokwijtschelding, anders dan bij kwijtschelding, gedurende drie jaren de restantschuld kan worden verrekend met nabetaalde toeslagen en teruggaven inkomstenbelasting die in één keer worden uitbetaald, maar dat dit zich in de praktijk niet veel zal voordoen. Dat zich een geval kan voordoen waarin zodanige verrekening wel kan plaatsvinden en daartoe ook wordt overgegaan, is daarmee evenwel niet uitgesloten en door de staatssecretaris ook onderkend.

[appellant] heeft verder geen afbetalingsregeling ten behoeve van de schulden getroffen. Daarbij wordt tevens in aanmerking genomen dat [appellant] niet heeft onderzocht, terwijl dit wel op zijn weg had gelegen, of met de Belastingdienst een regeling kan worden getroffen die inhoudt dat de schulden worden verrekend met de gevraagde voorzieningen krachtens de Remigratiewet. Naar de Raad van Bestuur ter zitting van de Afdeling desgevraagd heeft bevestigd wordt ook een dergelijke regeling door hem als een afbetalingsregeling in de zin van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Uitvoeringsbesluit aangemerkt.

Gelet op het vorenstaande moet worden geconcludeerd dat de rechtbank terecht tot haar oordeel is gekomen.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. B.P. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.S.N. Nasrullah-Oemar, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Nasrullah-Oemar

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2015

404.