Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2249

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-07-2015
Datum publicatie
15-07-2015
Zaaknummer
201409868/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 oktober 2014 heeft het college het wijzigingsplan "De Pas 2010 1e wijziging (Terborgseweg 63 IrisZorg)" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/711

Uitspraak

201409868/1/R2.

Datum uitspraak: 15 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in het geding tussen:

de stichting Stichting Goed wonen in de Pas, gevestigd te Doetinchem, en anderen, allen wonend te Doetinchem,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Doetinchem,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 21 oktober 2014 heeft het college het wijzigingsplan "De Pas 2010 1e wijziging (Terborgseweg 63 IrisZorg)" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben de stichting en anderen beroep ingesteld. Zij hebben de gronden van het beroep schriftelijk aangevuld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De raad en de stichting en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 april 2015, waar de stichting en anderen, vertegenwoordigd door [voorzitter] van de stichting, en mr. K.E.M. Tilleman, advocaat te Arnhem, en het college, vertegenwoordigd door E.H.J. Ketels, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting Stichting IrisZorg, vertegenwoordigd door S. Bouwman, en de raad van de gemeente Doetinchem, vertegenwoordigd door E.H.J. Ketels, voornoemd, als partij gehoord.

Overwegingen

Bestuurlijke lus

1. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

Ontvankelijkheid

2. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb bevat een beroepschrift de gronden van het beroep. Indien niet is voldaan aan artikel 6:5 kan het beroep ingevolge artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

2.1. Het beroepschrift is ingediend door de stichting en achttien natuurlijke personen. Omdat dit beroepschrift niet de gronden van het beroep bevatte, zijn de stichting en anderen bij aangetekend verzonden brief van 10 december 2014 gewezen op dit verzuim en zijn zij tot en met 7 januari 2015 in de gelegenheid gesteld dit te herstellen. Hierbij is vermeld dat, indien het verzuim niet binnen de gestelde termijn wordt hersteld, er rekening mee moet worden gehouden dat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard. Bij brief, per faxbericht binnengekomen op 7 januari 2015, hebben de stichting en vijftien natuurlijke personen de gronden van het beroep aangevuld. In de brief zijn in afwijking van het beroepschrift de personen [persoon A], [persoon B] en [persoon C] niet meer genoemd. Van hen zijn de gronden van het beroep derhalve niet binnen de aldus gestelde termijn aangevuld. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de stichting en anderen in zoverre in verzuim zijn geweest.

Gelet hierop zal het beroep, voor zover het is ingediend door [persoon A], [persoon B] en [persoon C], in de einduitspraak niet-ontvankelijk worden verklaard.

3. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

3.1. [persoon D], [persoon E] en [persoon F] wonen op een zodanige afstand van het perceel Terborgseweg 63 dat, mede gelet op de aard en de omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die door het wijzigingsplan mogelijk worden gemaakt, deze afstand te groot is om een rechtstreeks bij het besluit betrokken belang te kunnen aannemen. De stichting en anderen hebben geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee moet worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang van [persoon D], [persoon E] en [persoon F] rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt. Een louter subjectief gevoel van betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat gevoel ook is, is daarvoor niet voldoende.

De conclusie is dat [persoon D], [persoon E] en [persoon F] geen belanghebbenden zijn bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat zij daartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, geen beroep kunnen instellen. Het beroep van de stichting en anderen zal in zoverre in de einduitspraak niet-ontvankelijk worden verklaard.

De wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan

4. Het wijzigingsplan betreft een wijziging van het bestemmingsplan "De Pas 2010" (hierna: het bestemmingsplan). Het wijzigingsplan voorziet voor het gehele plangebied in de bestemming "Centrum". Met een vergroting van het bouwvlak wordt beoogd een woonvoorziening voor 33 cliënten van stichting IrisZorg te realiseren. Het plangebied is gelegen op de hoek van de Terborgseweg en de Emmastraat te Doetinchem.

5. In de verbeelding van het bestemmingsplan zijn de gronden eveneens bestemd voor "Centrum". Voorts rust ter plaatse van deze gronden de aanduiding ‘wro-zone - wijzigingsgebied 1’. Een klein deel van de zuidhoek van deze gronden, ter plaatse van het pand Terborgseweg 63, is voorts aangeduid als ‘bouwvlak’.

Ingevolge artikel 4, lid 4.7.1, van de regels van het bestemmingsplan, kan het college, wanneer een bouwplan daar aanleiding toe geeft, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), ter plaatse van de aanduiding ’wro-zone - wijzigingsgebied 1’ het bouwvlak vergroten, onder voorwaarden dat:

a. de oppervlakte van het bouwvlak ter plaatse van de wijziging niet meer dan 70% van het totale bouwperceel bedraagt;

b. in afwijking van het gestelde in 4.2.2, sub c, mag ter plaatse van de wijziging de goothoogte niet meer bedragen dan 8 m en de nokhoogte niet meer bedragen dan 10 m;

c. de logistieke afwikkeling en parkeren op eigen terrein plaatsvindt met dien verstande dat:

1. het aantal parkeerplaatsen voldoet aan de normen zoals gesteld in ‘Bijlage 1 Parkeernormen’;

2. bij de bepaling van het feitelijk aantal parkeerplaatsen zoals genoemd in sub a (de Afdeling leest: sub 1) vooraf advies wordt ingewonnen bij een deskundige op het gebied van verkeer, inclusief het parkeerbeleid;

d. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast;

e. de ruimtelijke uitwerking van de wijziging aanvaardbaar is;

f. de uitvoerbaarheid van het wijzigingsplan gewaarborgd is.

Exceptieve toetsing wijzigingsbevoegdheid

6. De stichting en anderen kunnen zich niet met de vaststelling van het wijzigingsplan verenigen. Volgens hen had het wijzigingsplan niet mogen worden vastgesteld, omdat de wijzigingsbevoegdheid in artikel 4, lid 4.7.1, van de regels van het bestemmingsplan geheel of gedeeltelijk buiten toepassing moet worden gelaten. In dit verband brengen zij naar voren dat de voorwaarden onder d en e, dat de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast en dat de ruimtelijke uitwerking van de wijziging aanvaardbaar is, niet objectief zijn begrensd en in strijd moeten worden geacht met artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro.

6.1. Het college stelt dat het bestemmingsplan onherroepelijk is geworden en dat aan de wijzigingsbepaling om het bouwvlak te vergroten niet meer kan worden getornd.

6.2. Naar het oordeel van de Afdeling kan de rechtmatigheid van artikel 4, lid 4.7.1, van de regels van het bestemmingsplan in dit geval exceptief worden getoetst. Deze exceptieve toetsing houdt in dat een algemeen verbindend voorschrift buiten toepassing wordt gelaten, indien het in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift, dan wel indien het in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel. Het is aan het regelgevend bevoegd gezag om de verschillende belangen, die bij het nemen van een besluit inhoudende algemeen verbindende voorschriften betrokken zijn, tegen elkaar af te wegen. De rechter heeft daarbij niet tot taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend naar eigen inzicht vast te stellen en heeft ook overigens daarbij terughoudendheid te betrachten.

6.3. Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders met inachtneming van de bij het plan gegeven regels het plan kan wijzigen.

Voor het bij wijze van exceptieve toetsing buiten toepassing laten van een planregel wegens strijd met artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro is slechts plaats indien in de desbetreffende wijzigingsbepaling niet in voldoende mate is bepaald in welke gevallen en op welke wijze hiervan gebruik mag worden gemaakt. Een op artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro berustende wijzigingsbevoegdheid dient in deze beide opzichten door voldoende objectieve normen te worden begrensd. De vraag of een wijzigingsbepaling door voldoende objectieve normen wordt begrensd, hangt af van de omstandigheden van het geval. Hierbij kan onder meer belang worden gehecht aan de aard van de wijziging, de omvang van het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid ziet en de aanleiding voor het opnemen van de wijzigingsbevoegdheid.

6.4. Ten aanzien van de voorwaarde onder d van de wijzigingsbevoegdheid in artikel 4, lid 4.7.1, van de regels van het bestemmingsplan overweegt de Afdeling dat dit geen ongebruikelijke voorwaarde betreft (zie in vergelijkbare zin de uitspraak van de Afdeling van 24 juli 2013, in zaak nr. 201201494/1/R4). In de voorwaarde is voldoende bepaald om welke gronden het gaat. Voorts kan uit het voor die gronden geldende planologische regime worden afgeleid welke gebruiksmogelijkheden en bouwwerken het betreft. Gelet hierop bestaat in zoverre geen aanleiding voor het oordeel dat de wijzigingsvoorwaarde onvoldoende duidelijk is of onvoldoende is begrensd.

6.5. Ten aanzien van de voorwaarde onder e van de wijzigingsbevoegdheid, wordt als volgt overwogen. De raad, in zijn hoedanigheid als vaststeller van de wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan, heeft ter zitting toegelicht dat met de voorwaarde dat de ruimtelijke uitwerking van de wijziging aanvaardbaar dient te zijn, niets anders is bedoeld dan dat het wijzigingsplan in overeenstemming dient te zijn met een goede ruimtelijke ordening. Ter zitting heeft de raad verklaard dat hiermee geen aanvullende voorwaarden zijn gesteld en dat de wijzigingsregel dient ter toelichting. De Afdeling volgt de raad in zijn uitleg dat met de voorwaarde onder e dient te worden getoetst of met het wijzigingsplan sprake is van goede ruimtelijke ordening. Hoewel de voorwaarde daarmee geen toegevoegde waarde heeft, aangezien bij de vaststelling van een wijzigingsplan in het algemeen dient te worden nagegaan of wijziging van de oorspronkelijke bestemming uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening gerechtvaardigd is, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de wijzigingsvoorwaarde onvoldoende duidelijk is of onvoldoende is begrensd.

6.6. Gelet op het vorenstaande behoefde het college de wijzigingsbevoegdheid in artikel 4, lid 4.7.1, van de regels van het bestemmingsplan niet geheel of gedeeltelijk onverbindend te achten, zodat hij toepassing heeft kunnen geven aan de genoemde bepaling. Het betoog faalt.

Wijzigingsvoorwaarde bouwplan

7. De stichting en anderen voeren aan dat om diverse redenen niet is voldaan aan de wijzigingsvoorwaarden die zijn opgenomen in artikel 4, lid 4.7.1, van de regels van het bestemmingsplan. Hiertoe stellen zij allereerst dat niet is voldaan aan de voorwaarde van een voldoende concreet bouwplan als bedoeld in de aanhef van voornoemd artikellid. De situatie- en perspectiefschetsen in de plantoelichting kunnen volgens hen niet als een bouwplan worden aangemerkt.

7.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het zich heeft gehouden aan de wijzigingsvoorwaarden uit het bestemmingsplan. Het college voert aan dat stichting IrisZorg een bouwplan bij het college heeft ingediend. Het bouwplan is beschreven in de toelichting op het wijzigingsplan en is op 21 januari 2013 aan belanghebbenden gepresenteerd, aldus het college.

7.2. Uit de plantoelichting volgt dat stichting IrisZorg de huidige capaciteit aan woonvoorzieningen met 24 plaatsen wenst uit te breiden naar in totaal 33 plaatsen. Stichting IrisZorg heeft daarom om planologische medewerking verzocht aan de realisatie van dit nieuwbouwplan. Anders dan de stichting en anderen aanvoeren heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van een bouwplan als bedoeld in artikel 4, lid 4.7.1, van de planregels. In paragraaf 2.3 van de toelichting is een situatieschets en drie perspectiefschetsen van een voorlopig ontwerp van het nieuwbouwcomplex weergegeven. Dat een concrete aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist, volgt niet uit de aanhef van artikel 4, lid 4.7.1, van de planregels. Zoals het college ter zitting genoegzaam heeft toegelicht, was het door stichting IrisZorg ingediende bouwplan voor de woonvoorziening zodanig concreet dat het aanleiding heeft gegeven voor het opstellen van het wijzigingsplan en het doen van onderzoeken zoals in het kader van de Flora- en faunawet.

Gelet op het vorenstaande faalt het betoog.

Wijzigingsvoorwaarde bouwperceel

8. Voorts betogen de stichting en anderen dat het college ten onrechte drie kadastrale percelen als één bouwperceel heeft aangemerkt, terwijl daartussen gelet op de feitelijke situatie ten tijde van de vaststelling van het plan geen ruimtelijke samenhang bestond. Volgens de stichting en anderen moet slechts één kadastraal perceel, namelijk het perceel sectie M, nummer 3536, als het bouwperceel worden aangemerkt. Ter zitting hebben de stichting en anderen ter onderbouwing van dit standpunt gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 22 april 2015, in zaak nr. 201407692/1/A1. De oppervlakte van het bouwvlak in het wijzigingsplan bedraagt daardoor, in strijd met de wijzigingsvoorwaarden, ten onrechte meer dan 70% van het totale bouwperceel.

8.1. Het college stelt zich op het standpunt dat aan de desbetreffende wijzigingsvoorwaarde is voldaan. De drie kadastrale percelen waarop het bouwplan is voorzien, vormen een aaneengesloten stuk grond en daarmee één bouwperceel. Ter zitting heeft het college toegelicht dat de drie kadastrale percelen in ruimtelijk opzicht één geheel vormen, omdat zij tezamen door stichting IrisZorg zijn aangekocht en omdat met de uitbreiding van het bouwvlak samenhangende parkeervoorzieningen op de percelen zullen worden gerealiseerd. Aangezien de drie kadastrale percelen een totale oppervlakte hebben van 3.043 m² en het bouwvlak in het wijzigingsplan een oppervlakte heeft van 1.536 m², bedraagt het bouwvlak ongeveer 50% van het totale bouwperceel, zo voert het college aan.

8.2. De grens van het wijzigingsplangebied omvat de drie kadastrale percelen sectie M, nummers 2235, 2236 en 3536, alsmede een strook grond van kadastraal perceel sectie M, nummer 5113. In de verbeelding is aan deze gronden de bestemming "Centrum" toegekend. Het bouwvlak, rust alleen op de twee kadastrale percelen sectie M, nummers 2236 en 3536.

Ingevolge artikel 1, lid 1.18, van de regels van het bestemmingsplan wordt onder ‘bebouwing’ verstaan: één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Ingevolge lid 1.32, wordt onder ‘bouwperceel’ verstaan: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

Ingevolge artikel 4, lid 4.2.1, mogen op de in lid 4.1 bedoelde gronden uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming "Centrum" worden gebouwd.

Ingevolge lid 4.2.2, aanhef en onder a, geldt voor het bouwen van hoofdgebouwen op gronden met de bestemming "Centrum" dat realisatie uitsluitend is toegestaan binnen het bouwvlak.

Ingevolge lid 4.2.3, aanhef en onder d en e, geldt voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken in de vorm van bijgebouwen inclusief overkappingen op gronden met de bestemming "Centrum" dat bijbehorende bouwwerken uitsluitend achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw en tot op de zijdelingse en achterste perceelsgrenzen mogen worden gebouwd.

Ingevolge lid 4.2.4, aanhef en onder a, geldt voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, op gronden met de bestemming "Centrum" dat de bouwhoogte achter (het verlengde van) de naar de weg gekeerde bouwgrens maximaal 2 m mag bedragen; indien geplaatst vóór (het verlengde van) de naar de weg gekeerde bouwgrens mag de bouwhoogte maximaal 1 m bedragen.

8.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 december 2011, in zaak nr. 201101505/1/H1), is bij de vaststelling van de omvang van een bouwperceel, als omschreven in het bestemmingsplan, de actuele situatie bepalend, waarbij in beginsel dient te worden uitgegaan van het kadastrale perceel, waarop het bouwplan is voorzien. Voor het antwoord op de vraag of het om een bouwperceel gaat is tevens van belang of het bij elkaar behorende bebouwing betreft. Het bestaan van een zodanige situatie leidt ertoe dat meerdere kadastrale percelen in ruimtelijke zin als een geheel worden aangemerkt.

8.4. De percelen sectie M, nummers 2235, 2236 en 3536 hebben een oppervlakte van ongeveer 675 m², 650 m² onderscheidenlijk 1.717 m². Het bouwvlak heeft een totale oppervlakte van ongeveer 1.536 m².

De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat in dit geval slechts het kadastrale perceel sectie M, nummer 3536, als het bouwperceel moet worden aangemerkt. Het bouwvlak rust immers niet slechts op dit kadastrale perceel, maar eveneens op het perceel sectie M, nummer 2236. Reeds gelet op het feit dat het bouwvlak op twee kadastrale percelen rust, moet worden geoordeeld dat hierop het bouwplan is voorzien. Voorts maakt het bouwvlak mogelijk dat voor dit aaneengesloten stuk grond, ingevolge de regels van het wijzigingsplan zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing wordt toegelaten. Gelet op het vorenstaande dienen in ieder geval de genoemde twee kadastrale percelen tezamen te worden aangemerkt als een bouwperceel. In de door de stichting en anderen genoemde uitspraak van 22 april 2015 ziet de Afdeling in zoverre geen aanleiding voor een ander oordeel. In die uitspraak ging het om de vraag of sprake was van een perceel zoals genoemd in de definitie van ‘bijbehorend bouwwerk’ in artikel 1, eerste lid, van bijlage II bij het Bor en derhalve niet om het begrip ‘bouwperceel’. De Afdeling acht de actuele situatie, wat er verder van zij of er een ruimtelijke samenhang tussen de percelen bestond, in dit geval niet doorslaggevend.

De genoemde twee kadastrale percelen hebben een gezamenlijke oppervlakte van 2.367 m². Gelet op de oppervlakte van 1.536 m², beslaat het bouwvlak derhalve 65% van het bouwperceel. Daargelaten derhalve het antwoord op de vraag of in dit geval het kadastrale perceel sectie M, nummer 2235, eveneens moet worden meegenomen in de berekeningen, reeds uitgaande van de percelen met nummers 3536 en 2236 wordt aan het percentage van 70 in de wijzigingsvoorwaarde voldaan.

Het betoog faalt.

Wijzigingsvoorwaarde parkeerplaatsen

9. De stichting en anderen voeren aan dat niet is voldaan aan de wijzigingsvoorwaarde in artikel 4, lid 4.7.1, onder c, van de regels van het bestemmingsplan, ten aanzien van het parkeren. Volgens de stichting en anderen voldoet het wijzigingsplan niet aan de geldende parkeernormen. Het college heeft volgens hen ten onrechte aangesloten bij een parkeernorm van minimaal 0,3 en maximaal 0,6 parkeerplaatsen per woning, zoals opgenomen in bijlage 1 van het bestemmingsplan. Uit de gemeentelijke nota "Parkeernormen en Parkeercompensatiefonds" volgt volgens hen een hogere parkeernorm. Voorts is niet duidelijk hoeveel parkeerplaatsen zullen worden gerealiseerd en waar deze zullen worden gesitueerd. De stichting en anderen vrezen dat de parkeerdruk zal toenemen, nu het college van een te lage parkeernorm is uitgegaan. In dit verband klemt te meer, zoals de stichting en anderen ter zitting hebben aangedragen, dat het plan een grotere verkeersaantrekkende werking heeft, als er een functie als bijvoorbeeld een restaurant op het perceel wordt gerealiseerd. De stichting en anderen betogen voorts dat uit niets is gebleken dat het advies bij een deskundige op het gebied van verkeer, inclusief het parkeerbeleid, is ingewonnen. Daarnaast is dat advies niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 3:11 van de Awb bij het ontwerp-wijzigingsplan ter inzage gelegd.

9.1. Het college stelt zich op het standpunt dat advies is ingewonnen bij een gemeentelijke deskundige op het gebied van verkeer en parkeerbeleid. Het betreft een intern advies dat is verwerkt in de plantoelichting die in ontwerp bij het ontwerp-wijzigingsplan ter inzage heeft gelegen. Het college stelt dat 22 parkeerplaatsen ten behoeve van de beoogde woonvoorziening in dit geval voldoende zullen zijn.

9.2. Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Awb legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.

9.3. In paragraaf 4.11 van de toelichting op het wijzigingsplan staat dat aan de hand van het initiatief en het minimum en maximum aantal parkeerplaatsen per categorie een berekening is gemaakt van het aantal parkeerplaatsen. Uitgegaan is van een woonvoorziening voor begeleid wonen met 33 plaatsen en - binnen de bestaande bebouwing van de villa aan de Terborgseweg - een kantoorruimte met een bvo van 650 m². Volgens de toelichting geven de berekeningen een minimale behoefte van 18 en een maximale behoefte van 32 parkeerplaatsen aan. In het initiatief is op het achterterrein een parkeerplaats opgenomen met een capaciteit voor 22 auto’s. Er is daarbij uitgegaan van het minimum aantal parkeerplaatsen voor de woonvoorziening, omdat de cliënten die gebruik maken van de woonvoorziening niet in het bezit zijn van een auto en veelal op basis van hun gezondheid en financiële positie ook niet over een rijbewijs beschikken. De parkeerplaatsen worden in hoofdzaak gebruikt door het verzorgend personeel, zo volgt uit de toelichting.

9.4. Zoals het college ter zitting heeft toegelicht, is het intern opgestelde advies integraal overgenomen in de plantoelichting van het ontwerp-wijzigingsplan. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de inhoud van het advies ten onrechte niet met het ontwerp-wijzigingsplan ter inzage zou hebben gelegen. Overigens staat vast dat de stichting en anderen hetgeen daarin is vermeld bij haar zienswijze omtrent het ontwerp-wijzigingsplan hebben betrokken, zodat niet aannemelijk is dat zij op dit punt zijn benadeeld.

9.5. Ten aanzien van de vraag of wordt voldaan aan de wijzigingsvoorwaarde dat het aantal parkeerplaatsen voldoet aan de normen, overweegt de Afdeling als volgt. Ingevolge de wijzigingsvoorwaarde in artikel 4, lid 4.7.1, aanhef en onder c, sub 1, van de regels van het bestemmingsplan, is vereist dat het aantal parkeerplaatsen voldoet aan de normen zoals gesteld in ‘Bijlage 1 Parkeernormen’. In dit verband valt niet in te zien waarom aangesloten dient te worden bij de normen uit de nota "Parkeernormen en Parkeercompensatiefonds" die de raad op 23 februari 2012 - derhalve na de vaststelling van het bestemmingsplan en de daarin opgenomen wijzigingsvoorwaarde - heeft vastgesteld.

Het college is in verband met het bouwplan van stichting IrisZorg waarin 33 plaatsen voor begeleid wonen zijn opgenomen, bij de berekening van het benodigd aantal parkeerplaatsen uitgegaan van de parkeernorm voor ‘serviceflat/aanleunwoningen’ uit de genoemde ‘Bijlage 1 Parkeernormen’. Zoals het college ter zitting heeft aangegeven, is het maximale aantal plaatsen in de woonvoorziening niet vastgelegd. Gelet daarop is niet uitgesloten dat er feitelijk meer plaatsen in de woonvoorziening zullen worden gerealiseerd dan waarvan in de plantoelichting is uitgegaan. Voorts zijn ter plaatse van de bestemming "Centrum" , gelet op artikel 4, lid 4.1, van de regels van het bestemmingsplan doeleinden toegestaan als detailhandel, commerciële dienstverlening, maatschappelijke voorzieningen en een dagzaak, restaurant of snackbar. Uit de genoemde ‘Bijlage 1 Parkeernormen’ volgt dat bijvoorbeeld voor een restaurant een parkeernorm geldt van minimaal 8,0 en maximaal 10,0 parkeerplaatsen per 100 m². Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college in zoverre ten onrechte geen rekening gehouden met een representatieve invulling van de maximale mogelijkheden die het wijzigingsplan biedt en heeft het niet inzichtelijk gemaakt dat ten aanzien van de andere voorziene doeleinden aan de parkeernormen uit de ‘Bijlage 1 Parkeernormen’ wordt voldaan. Verder is van belang dat uitgaande van de situatieschets in paragraaf 2.3 van de toelichting, de 22 beoogde parkeerplaatsen op het achterterrein op het kadastrale perceel nummer 2235 zijn gesitueerd. Ter zitting heeft het college weliswaar gesteld dat er uitbreidingsmogelijkheden bestaan in geval van een tekort aan benodigde parkeerplaatsen, maar onduidelijk is gebleven op welke wijze hierin kan worden voorzien.

9.6. Wat betreft het advies van de deskundige overweegt de Afdeling dat ingevolge artikel 4, lid 4.7.1, aanhef en onder c, sub 2, van de regels van het bestemmingsplan vereist is dat bij de bepaling van het feitelijk aantal parkeerplaatsen vooraf advies wordt ingewonnen bij een deskundige op het gebied van verkeer, inclusief het parkeerbeleid. Het college heeft ter zitting uiteengezet dat de gemeentelijke verkeersdeskundige zijn advies per e-mail aan de gemeentelijke planoloog heeft toegezonden. Deze heeft het advies vervolgens integraal overgenomen in de toelichting van het wijzigingsplan. Zoals de stichting en anderen terecht hebben aangevoerd blijkt uit de toelichting niet dat hetgeen aldaar is opgenomen door een deskundige op het gebied van verkeer, inclusief het parkeerbeleid, is opgesteld. Het college heeft evenmin ter zitting kunnen motiveren of de gemeentelijk medewerker die het advies heeft uitgebracht, deskundig is op het gebied van verkeer en parkeerbeleid. Gelet hierop kan derhalve niet worden vastgesteld of is voldaan aan de wijzigingsvoorwaarde op grond waarvan is vereist dat het advies is ingewonnen bij een deskundige op het gebied van verkeer, inclusief het parkeerbeleid.

Het betoog slaagt.

Wijzigingsvoorwaarde aanvaardbare ruimtelijke uitwerking

10. De stichting en anderen voeren in beroep aan dat evenmin is voldaan aan de wijzigingsvoorwaarden onder sub d en sub e, te weten de voorwaarden dat de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast en dat de ruimtelijke uitwerking van de wijziging aanvaardbaar is. Niet is gebleken dat het college in dit verband een belangenafweging heeft gemaakt ten aanzien van de belangen van de omwonenden, waaronder hun privacy en de toename van het aantal verkeersbewegingen vanwege drugsdealers in de Emmastraat en de wijk, aldus de stichting en anderen.

Ter zitting hebben de stichting en anderen hun betoog overigens zodanig geconcretiseerd dat hun bezwaren moeten worden bezien in het licht van de wijzigingsvoorwaarde onder sub e, aangezien geen van hen gronden bezit die aan de voorziene ontwikkeling grenzen.

10.1. Het college stelt ten aanzien van de gevreesde aantasting van de privacy dat van inkijk niet of nauwelijks sprake zal zijn, gelet op de afstand tussen de voorziene ontwikkeling en de dichtstbijzijnde woning. Verder voert het college aan dat de verkeersaantrekkende werking van de geplande woonvoorziening gering zal zijn, omdat de verkeersbewegingen voornamelijk zullen worden gemaakt door het personeel van de woonvoorziening. De Emmastraat is volgens het college berekend

op de verwachte verkeerstoename.

10.2. In paragraaf 2.2 van de toelichting op het wijzigingsplan staat dat door de aard van de bebouwing en de onderlinge situering sprake is van een grote mate van privacy. De bebouwing bevindt zich op minimaal 3 m van de zijdelingse perceelsgrens en 8 m van de achterste perceelsgrens. De bouw dient zoveel mogelijk aan de Emmastraat te worden ingevuld, zodat de privacy van de aangrenzende buren op het achterterrein zoveel mogelijk wordt gerespecteerd. Ten aanzien van de toename van het aantal verkeersbewegingen staat in de Nota van zienswijzen dat de cliënten die gebruik zullen maken van de woonvoorziening niet in het bezit zijn van een auto en veelal op basis van hun gezondheid en financiële positie ook niet over een rijbewijs beschikken. Het aantal verkeersbewegingen dat door het personeel zal worden gemaakt, wordt geschat op 30 per etmaal. Verder staat over de Emmastraat in de Nota van zienswijzen vermeld dat het een doodlopende straat betreft.

10.3. Tussen het bouwvlak en het dichtstbij gelegen perceel van de stichting en anderen, te weten het perceel van [persoon G] aan [locatie 1], bestaat een afstand van ongeveer 19,5 m. Naar het oordeel van de Afdeling is een eventuele vermindering van de privacy ter plaatse van dit perceel niet dusdanig ernstig dat het college daarin aanleiding had moeten zien het wijzigingsplan niet vast te stellen. In dit verband is niet alleen van belang dat zich tussen het perceel van [persoon G] nog de woning aan [locatie 2] bevindt en in zoverre de inkijk op dat perceel wordt beperkt, maar voorts heeft het college hierbij mogen betrekken dat het plangebied in het centrum van Doetinchem ligt. Ten aanzien van de percelen van anderen dan [persoon G] hebben de stichting en anderen niet aannemelijk gemaakt dat de privacy ter plaatse zal worden aangetast. Het college heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat het belang van de privacy van [persoon G] voldoende in de belangenafweging is betrokken.

Ten aanzien van de verkeersaantrekkende werking hebben de stichting en anderen ter zitting gesteld dat zij verkeersoverlast verwachten van drugsdealers, die honderden meters door de wijk moeten rijden aangezien de Emmastraat een doodlopende straat is. Naar het oordeel van de Afdeling hebben de stichting en anderen niet aannemelijk gemaakt dat het plan een dergelijke verkeersoverlast in de wijk tot gevolg zal hebben en dat het college hieraan ten onrechte is voorbijgegaan.

11. Volgens de stichting en anderen heeft het college voorts onvoldoende rekening gehouden met het woon- en leefklimaat van omwonenden. In dit verband stellen zij dat het concept-beheerplan "Woonvoorziening IrisZorg Doetinchem" dat de leefbaarheid en veiligheid in de omgeving zou moeten garanderen, onvoldoende waarborgen biedt. Het concept-beheerplan was volgens hen ten tijde van de vaststelling van het wijzigingsplan niet ondertekend en bovendien erg vaag. Een en ander klemt te meer nu de Afdeling in haar uitspraak van 16 januari 2013, in zaak nr. 201108094/1/R2, juist in het kader van het bestemmingsplan waarde heeft gehecht aan het feit dat een beheerplan zou worden opgesteld en beheermaatregelen zouden worden getroffen.

11.1. Het college betoogt dat het beheerplan als doel heeft om een veilige en leefbare woonomgeving te behouden voor de direct omwonenden en de toekomstige bewoners van de woonvoorziening. Het college stelt dat het belanghebbenden heeft betrokken bij de totstandkoming van het beheerplan en dat dit inmiddels is vastgesteld.

11.2. Wat betreft het woon- en leefklimaat van omwonenden heeft de Afdeling in overweging 9 van de voornoemde uitspraak van 16 januari 2013 als volgt overwogen ten aanzien van de wijzigingsbevoegdheid die voor het aangrenzende perceel [locatie 3] was opgenomen in het bestemmingsplan:

"(…) In het in opdracht van IrisZorg door Bureau Beke uitgevoerde onderzoek "Voorziening in beweging - Onderzoek naar gevolgen van en randvoorwaarden voor een nieuwe woon- en opvangvoorziening aan de Terborgseweg", zijn mogelijke beheersmaatregelen geïnventariseerd. Uit dit onderzoek blijkt dat beheersmaatregelen kunnen worden getroffen om de overlast voor omwonenden ten gevolge van de voorziene opvang voor dak- en thuislozen te beperken. Zo is onder meer ingegaan op de doelgroep waarop de voorziene opvang zich zal richten, op de huisregels die in de voorziene opvang zouden moeten gelden en op de locatie van looproutes naar de voorziene opvang. De raad heeft ter zitting in dit verband naar voren gebracht dat een beheersplan wordt opgesteld en dat de nodige beheersmaatregelen zullen worden getroffen. Daarbij heeft de raad er op gewezen dat het gemeentebestuur eerder ervaring heeft opgedaan met opvang voor dak- en thuislozen bij een vergelijkbare voorziening elders binnen de gemeente. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, zodat de Afdeling aanleiding ziet voor het in stand laten van de rechtsgevolgen van het in zoverre vernietigde besluit."

11.3. Vast staat dat de bestemming "Centrum" op zichzelf, zoals deze reeds in het bestemmingsplan was neergelegd, thans geen onderdeel van geding is. De Afdeling begrijpt het betoog dan ook aldus dat de vergroting van het bouwvlak een intensivering van het gebruik van het perceel voor de beoogde woonvoorziening met zich brengt, hetgeen nadelige effecten voor het woon- en leefklimaat van omwonenden meebrengt. Ten aanzien hiervan overweegt de Afdeling als volgt.

In navolging van hetgeen in het kader van zaak nr. 201108094/1/R2 naar voren is gebracht, is ten behoeve van de beoogde woonvoorziening een beheerplan voorbereid. Ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpwijzigingsplan was het concept-beheerplan "Woonvoorziening IrisZorg Doetinchem" beschikbaar, welk conceptplan als doel heeft om door samenwerking en afspraken een veilige en leefbare woonomgeving te behouden voor zowel direct omwonenden, als de bewoners van de geplande woonvoorziening. Het college heeft het beheerplan, na de vaststelling van het wijzigingsplan, vastgesteld op 2 december 2014. Anders dan de stichting en anderen kennelijk menen, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het beheerplan voorafgaand of tegelijk met het wijzigingsplan moest worden vastgesteld. Hiertoe bestaat geen wettelijke verplichting en dit volgt ook niet uit de wijzigingsvoorwaarden in het bestemmingsplan. Evenmin kan een dergelijke verplichting worden afgeleid uit de uitspraak van de Afdeling van 16 januari 2013.

Naar het oordeel van de Afdeling maakt de enkele stelling van de stichting en anderen dat de beheercommissie concrete voorstellen kan doen om de fysieke omgeving van de woonvoorziening aan te passen, nog niet dat het beheerplan onvoldoende waarborgen biedt of vaag zou zijn. In het beheerplan is een beheergebied bepaald en is bepaald dat er een beheercommissie bestaat waarin omwonenden, ondernemers, winkeliers en vertegenwoordigers van scholen, van de begraafplaats, van stichting IrisZorg, van de gemeente en van de politie, maar ook vertegenwoordigers van Stichting Goed wonen in de Pas, zitting nemen. In het beheerplan zijn verschillende taken voor de beheercommissie, alsmede voor de afzonderlijke leden opgenomen. Voorts is daarin bepaald dat een onafhankelijk bureau voorafgaand aan en ongeveer een jaar na de opening van de woonvoorziening de leefbaarheid en veiligheid in de omgeving zal meten en is eveneens een klachtenregeling opgenomen. De in het beheerplan opgenomen maatregelen komen de Afdeling niet onredelijk voor. De stichting en anderen hebben hun stelling op dit punt verder niet nader onderbouwd. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college wat betreft de vergroting van het bouwvlak onvoldoende rekening heeft gehouden met het woon- en leefklimaat van omwonenden.

12. In hetgeen de stichting en anderen hebben aangevoerd bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de ruimtelijke uitwerking van de vergroting van het bouwvlak in dit geval niet aanvaardbaar zou zijn. Gelet hierop wordt voldaan aan de wijzigingsvoorwaarde in artikel 4, lid 4.7.1, onder sub e, van de regels van het bestemmingsplan. Het betoog faalt.

Doeleindenomschrijving

13. De stichting en anderen voeren aan dat het voorziene bouwplan voor de woonvoorziening in strijd is met de doeleindenomschrijving uit artikel 4, lid 4.1, onder f, van de planregels van het bestemmingsplan. Het bouwplan voorziet er namelijk in dat op zowel de begane grond, als de eerste en de tweede verdieping, wooneenheden worden gerealiseerd. Anders dan het college betoogt is volgens hen met de beoogde woonvoorziening sprake van zelfstandige bewoning, zodat deze onder "wonen" als bedoeld in artikel 4, lid 4.1, onder f, moet worden geschaard. Met het bouwplan kan geen sprake zijn van een maatschappelijke voorziening als bedoeld in artikel 4, lid 4.1, onder c, van de planregels van het bestemmingsplan, omdat geen sprake is van een medische voorziening of openbare dienstverlening als bedoeld in de begripsbepaling voor maatschappelijke voorzieningen.

13.1. Het college heeft zich in de zienswijzennota op het standpunt gesteld dat de door stichting IrisZorg geplande woonzorgvoorziening als een maatschappelijke voorziening moet worden geduid. Omdat zelfstandig wonen hier niet aan de orde is, behoeft ook niet te worden voldaan aan het vereiste dat wonen op de eerste verdieping en hoger dient plaats te vinden.

13.2. Ingevolge artikel 1, lid 1.61, van de planregels van het bestemmingsplan wordt onder ‘maatschappelijke voorzieningen’ verstaan: educatieve, sociale, medische en levensbeschouwelijke voorzieningen evenals voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, of een combinatie daarvan.

13.3. De vragen welke wijze van gebruik precies in de woonvoorziening zal plaatsvinden en of in bewoning op de begane grond zal worden voorzien, hebben betrekking op het bouwplan, welke in deze procedure ten aanzien van het wijzigingsplan niet aan de orde is. Het bezwaar van de stichting en anderen dat het voorziene bouwplan in strijd is met de doeleindenomschrijving kan derhalve niet in deze procedure, maar in de procedure met betrekking de omgevingsvergunning aan de orde komen.

Het betoog faalt.

Strijd met Masterplan

14. De stichting en anderen stellen dat het college ten onrechte heeft geoordeeld dat het wijzigingsplan past in hetgeen in het structuurplan "Masterplan Schil" (hierna: het Masterplan) is opgenomen voor de ontwikkellocatie Hamburgerbroek Noord. Ten behoeve van het bouwplan is het noodzakelijk om vijf bomen aan de Emmastraat te kappen, terwijl dit niet verenigbaar is met de lanenstructuur met bomen zoals in het Masterplan wordt voorgestaan. In dit verband hebben zij ter zitting gewezen op de afbeelding "Openbare ruimte" die is weergegeven op pagina 64 van het Masterplan.

14.1. Het college heeft zich in de zienswijzennota op het standpunt gesteld dat het plangebied weliswaar binnen het gebied van het structuurplan ligt, maar dat de beoogde voorziening geen deel uitmaakt van het structuurplan. Voor het kappen van de bomen zal volgens het college compensatie plaatsvinden.

14.2. De raad heeft het Masterplan vastgesteld op 13 december 2007. In paragraaf 3.3.1 van de toelichting op het wijzigingsplan staat dat het Masterplan een brede ruimtelijke visie geeft over het gebied rondom het centrum van Doetinchem, waarin verschillende ontwikkellocaties zijn opgenomen. Het Masterplan spreekt zich uit over de stedenbouwkundige kwaliteit in De Schil en schetst het plan, de agenda en spelregels voor de verschillende ontwikkellocaties. Centraal bij de gebiedsontwikkeling in De Schil staat een zodanige aanpak dat de ruimtelijke kwaliteit van De Schil verbetert, de centrumfunctie van Doetinchem sterker wordt, de investeringen en plankosten worden terugverdiend en er vanaf 2008 zichtbare resultaten zijn.

14.3. De Afdeling stelt aan de hand van de afbeelding op pagina 102 van het Masterplan vast dat de ontwikkellocatie Hamburgerbroek Noord is gelegen tussen de Oude IJssel en de Terborgseweg. Het plangebied van het wijzigingsplan is gelegen aan de andere zijde van de Terborgseweg. Anders dan de stichting en anderen hebben aangevoerd, ligt het plangebied derhalve niet binnen de in het Masterplan opgenomen ontwikkellocatie Hamburgerbroek Noord. De raad behoefde in zoverre dan ook geen rekening te houden met hetgeen voor deze ontwikkellocatie in het Masterplan is opgenomen.

Voor zover de stichting en anderen betogen dat het kappen van bomen in strijd is met het raamwerk van (park)lanen dat is opgenomen in het Masterplan, overweegt de Afdeling als volgt. Uit paragraaf 4.8 van de plantoelichting volgt dat vijf esdoorns aan de Emmalaan moeten worden gekapt om uitvoering te geven aan het plan. De bebouwing komt zo dicht op deze bomen te staan, dat het niet mogelijk blijkt de bomen te behouden. Op de afbeelding "Openbare ruimte" in het Masterplan is de betreffende locatie aangeduid als "Groene waas". In het Masterplan is hierover vermeld dat, met uitzondering van het zogenoemde Ei (dat wil zeggen het historische centrum), de rest van de stad is bedekt met een groene waas van bos, parken, lanen, tuinen en solitaire bomen. Naoorlogse verkeersplannen en de verschillende inbreidingsplannen hebben de groene waas echter beschadigd. Op pagina 117 van het Masterplan staat daarom de ambitie verwoord om de groene waas te versterken door meer bomen aan te planten: het zogenoemde "3000-Bomenplan". Uit het themaproject "3000-Bomenplan" in het Masterplan volgt dat vitale waardevolle bomen bij het ontwikkelen van nieuwe plannen gespaard moeten blijven, en anders moeten worden gecompenseerd. Zoals uit de plantoelichting volgt, zal er een financiële compensatie worden gedaan bij de gemeente omdat herplant op deze locatie niet mogelijk is. Nu compensatie zal plaatsvinden, valt niet in te zien waarom de kap van de vijf esdoorns in strijd moet worden geacht met het Masterplan.

Het betoog faalt.

Nadere eisen

15. De stichting en anderen voeren aan dat het college ten onrechte geen nadere eisen in de planregels van het wijzigingsplan heeft opgenomen. De stichting en anderen achten nadere eisen ten aanzien van de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de sociale veiligheid noodzakelijk in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Het opgestelde beheerplan biedt volgens hen onvoldoende waarborgen ten aanzien van hun vrees voor handel in verdovende middelen in en in de omgeving van de woonvoorziening, terwijl ten aanzien van nadere eisen handhaving kan worden afgedwongen, zo voeren zij aan.

15.1. Ingevolge artikel 3.1, eerste lid, van de Wro stelt de gemeenteraad voor het gehele grondgebied van de gemeente een of meer bestemmingsplannen vast, waarbij ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening de bestemming van de in het plan begrepen grond wordt aangewezen en met het oog op die bestemming regels worden gegeven. Deze regels betreffen in elk geval het gebruik van de grond en van de zich daar bevindende bouwwerken. Deze regels kunnen tevens strekken ten behoeve van de uitvoerbaarheid van in het plan opgenomen bestemmingen, met dien verstande dat deze regels ten aanzien van woningbouwcategorieën uitsluitend betrekking hebben op percentages gerelateerd aan het plangebied.

Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder d, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het college met inachtneming van de bij het plan te geven regels ten aanzien van in het plan omschreven onderwerpen of onderdelen nadere eisen kan stellen.

15.2. Ingevolge artikel 4, lid 4.3, van het bestemmingsplan kan het college, met inachtneming van het bepaalde in lid 4.2, op gronden met de bestemming "Centrum" nadere eisen stellen met betrekking tot:

a. dakvormen, dakhellingen en nokrichtingen van bouwwerken;

b. de bouw- en goothoogte van bouwwerken;

c. de afmetingen van bouwwerken;

d. het aantal en de situering van bouwwerken;

e. het aantal en de situering van parkeerplaatsen op eigen terrein;

onder voorwaarde dat de nadere eisen niet op onevenredige wijze aan een doelmatig gebruik van gronden en bouwwerken in de weg staan.

15.3. Uit de bewoordingen van de artikelen 3.1 en 3.6 van de Wro moet worden opgemaakt dat slechts de gemeenteraad in een bestemmingsplan de bevoegdheid voor het college kan creëren om nadere eisen te stellen. Daarbij kan de gemeenteraad bepaalde regels geven die het college daarbij in acht moeten nemen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 5 oktober 2005, in zaak nr. 200502247/1). In het aan het wijzigingsplan ten grondslag liggende bestemmingsplan is weliswaar een bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen opgenomen, maar deze heeft geen betrekking op de door de stichting en anderen gewenste nadere eisen. Evenmin heeft de gemeenteraad uitdrukkelijk de mogelijkheid gecreëerd dat het college in het wijzigingsplan een bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen kan opnemen. Het college kan derhalve in het wijzigingsplan geen regeling opnemen waardoor nadere eisen kunnen worden gesteld zoals door de stichting en anderen gewenst. Het opnemen van een dergelijke regeling zou in strijd komen met artikel 3.6 van de Wro. Reeds hierom faalt het betoog.

Bestuurlijke lus

16. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding het college op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen de gebreken in het bestreden besluit te herstellen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen. Het college dient daartoe met inachtneming van hetgeen hiervoor in 9.5 en 9.6 is overwogen:

- alsnog inzichtelijk te maken waarom het aantal parkeerplaatsen - indien rekening gehouden wordt met een representatieve invulling van de maximale mogelijkheden die het wijzigingsplan biedt - voldoet aan de normen zoals gesteld in ‘Bijlage 1 Parkeernormen’ bij het bestemmingsplan, zulks op basis van een bij een deskundige op het gebied van verkeer, inclusief het parkeerbeleid, ingewonnen advies;

- alsnog inzichtelijk te maken dat bij de bepaling van het feitelijk aantal parkeerplaatsen vooraf advies is ingewonnen van een deskundige op het gebied van verkeer, inclusief het parkeerbeleid, met vermelding van de inhoud van dat advies en waarom aan de eis van deskundigheid is voldaan.

Zo nodig dient het college het besluit te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling. Een gewijzigd besluit dient op de wettelijk voorgeschreven wijze te worden bekendgemaakt en te worden medegedeeld.

17. Gelet op het vorenstaande zal eerst in de einduitspraak een oordeel worden gegeven over het betoog van de stichting en anderen dat niet is voldaan aan de wijzigingsvoorwaarde dat de uitvoerbaarheid van het wijzigingsplan gewaarborgd is, nu zij stellen dat ten gevolge van de aan te leggen parkeerplaatsen mogelijk planschade ontstaat.

Proceskosten

18. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt het college van burgemeester en wethouders van Doetinchem op:

- om binnen twintig weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen het besluit van 21 oktober 2014 tot vaststelling van het wijzigingsplan "De Pas 2010 1e wijziging (Terborgseweg 63 IrisZorg)" te herstellen door het besluit alsnog toereikend te motiveren, of in plaats daarvan een ander besluit te nemen. In dat laatste geval dient het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt te worden;

- de uitkomst aan de Afdeling en de andere partijen mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. R.J.J.M. Pans en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.E. Konings, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Konings

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2015

612.