Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2242

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-07-2015
Datum publicatie
15-07-2015
Zaaknummer
201405417/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 juli 2012 heeft het dagelijks bestuur sloopvergunning verleend aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Hotel Toren B.V. (hierna: Hotel Toren) voor het uitvoeren van sloopwerkzaamheden op het perceel Keizersgracht 164 (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Woningwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/721

Uitspraak

201405417/1/A1.

Datum uitspraak: 15 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Amsterdam,

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam Centrum (thans: het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel Centrum).

Procesverloop

Bij besluit van 4 juli 2012 heeft het dagelijks bestuur sloopvergunning verleend aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Hotel Toren B.V. (hierna: Hotel Toren) voor het uitvoeren van sloopwerkzaamheden op het perceel Keizersgracht 164 (hierna: het perceel).

Bij besluit van 4 december 2012 heeft het dagelijks bestuur het door [appellant A] en [appellant B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 mei 2014 heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Hotel Toren hoger beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben [appellanten] en de vereniging Vereniging Vrienden van de Amsterdamse Binnenstad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Bij besluit van 16 december 2014 heeft het algemeen bestuur de bezwaren van [appellanten] onder aanpassing van de motivering opnieuw ongegrond verklaard.

Bij besluit van 6 januari 2015 heeft het algemeen bestuur het besluit van 16 december 2014 gewijzigd.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 januari 2015, waar Hotel Toren, vertegenwoordigd door mr. E. Pasman, advocaat te Amsterdam en het algemeen bestuur, vertegenwoordigd door mr. E.C. Tessensohn, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn [appellant A] en [appellant B], bijgestaan door mr. A.J. Noordam, advocaat te Amsterdam, en de vereniging, vertegenwoordigd door drs. W.M.J. Schoonenberg, ter zitting gehoord.

Hotel Toren heeft ter zitting het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank van 16 mei 2014 ingetrokken. [appellanten] zijn naar aanleiding van de zitting van de Afdeling bij brief van 20 januari 2015 in de gelegenheid gesteld gronden in te dienen tegen voormelde besluiten van 16 december 2014 en 6 januari 2015.

[appellanten] hebben nadere stukken ingediend.

Het algemeen bestuur en Hotel Toren hebben een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 april 2015, waar [appellant A] en [appellant B], bijgestaan door mr. A.J. Noordam, advocaat te Amsterdam, en het algemeen bestuur, vertegenwoordigd door mr. E.C. Tessensohn, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn Hotel Toren, vertegenwoordigd door mr. E. Pasman, advocaat te Amsterdam en de vereniging, vertegenwoordigd door drs. W.M.J. Schoonenberg, ter zitting gehoord.

Overwegingen

1. Hotel Toren heeft na intrekking van haar hoger beroep ter zitting van de Afdeling op 19 januari 2015 bij brief van 17 maart 2015 verzocht om een proceskostenveroordeling. Ingevolge artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt een verzoek tot veroordeling in de proceskosten tegelijk met de intrekking van het hoger beroep gedaan. De Afdeling zal voormeld verzoek gelet hierop niet-ontvankelijk verklaren.

2. Hotel Toren heeft op 8 april 2009 een aanvraag om sloopvergunning ingediend bij het dagelijks bestuur. Voorts heeft Hotel Toren op 8 april 2009 een aanvraag om bouwvergunning en monumentenvergunning ingediend voor het veranderen en vergroten van het gebouw op het perceel. Bij het bij besluit van 6 april 2010 door het dagelijks bestuur bekrachtigde besluit van 7 oktober 2009 heeft het hoofd Vergunning Bouw van het stadsdeel Centrum aan Hotel Toren een monumentenvergunning als bedoeld in artikel 11 van de Monumentenwet 1988 verleend. Bij uitspraak van de Afdeling van 18 januari 2012 in zaak nr. 201103647/1/H2 zijn de rechtsgevolgen van het door de rechtbank vernietigde besluit van 6 april 2010 in stand gelaten. Voorts is bij besluit van 2 juli 2012 een ontheffing en bouwvergunning verleend aan Hotel Toren en is bij besluit van 4 juli 2012 vergunning verleend voor het uitvoeren van sloopwerkzaamheden ten behoeve van de vergunde bouwwerkzaamheden.

Bij besluit van 16 december 2014 heeft het algemeen bestuur het besluit van 4 juli 2012, onder verwijzing naar de motivering uit het advies van de bezwaarschriftencommissie van de afdeling Juridische Zaken van 10 december 2014 en onder toevoeging van de in de bezwaarprocedure overgelegde bescheiden, waarvan deel uitmaakt de aangepaste slooptekening met kenmerk 51-1609, in stand gelaten. In het advies van de bezwaarschriftencommissie wordt verwezen naar een door Hotel Toren overgelegde tekening met het kenmerk 51-1608, waarin zij door middel van kruizen heeft aangeduid welke onderdelen gesloopt zullen worden dan wel reeds zijn gesloopt.

Bij besluit van 6 januari 2015 heeft het algemeen bestuur het besluit van 16 december 2014 gewijzigd in die zin dat, anders dan in het advies van de bezwaarschriftencommissie van 10 december 2014 staat vermeld, de wand tussen kamer 112 en 114 op de beletage niet is gesloopt.

3. In het onderhavige geding is het beroep van [appellanten] gericht tegen de besluiten van 16 december 2014 en 6 januari 2015 aan de orde.

4. Anders dan [appellanten] betogen is Hotel Toren belanghebbende, nu zij de aanvraag om sloopvergunning heeft ingediend en reeds enkele sloopwerkzaamheden heeft uitgevoerd. Daarnaast is niet aannemelijk gemaakt dat op voorhand is uitgesloten dat op enig moment van de sloopvergunning gebruik zal kunnen worden gemaakt.

5. Ingevolge artikel 8.1.1, eerste lid, van de Bouwverordening Amsterdam 2003 (hierna: de bouwverordening) is het verboden bouwwerken, standplaatsen en woonwagens daaronder begrepen, te slopen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders.

Ingevolge artikel 8.1.2, eerste lid moet, voor zover hier van belang, een aanvraag om sloopvergunning inhouden:

e. een exacte aanduiding van het gedeelte van een bouwwerk waarop de sloopwerkzaamheden betrekking hebben, indien niet het gehele bouwwerk wordt gesloopt;

f. het doel waarvoor het bouwwerk c.q. het te slopen gedeelte van het bouwwerk laatstelijk is gebezigd;

[…]

h. een beschrijving van de wijze waarop het slopen zal plaatsvinden.

Ingevolge artikel 8.1.6. moet een sloopvergunning worden geweigerd indien:

a. de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd;

b. de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd;

c. een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of een gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze niet is verleend;

d. een sloopvergunning ingevolge de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing is vereist en deze niet is verleend;

e. een aanlegvergunning ingevolge de Wet op de Ruimtelijke Ordening is vereist en deze niet is verleend;

f. een vergunning als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de Huisvestingswet is vereist en deze niet is verleend.

6. [appellanten] betogen dat de bij besluit van 7 oktober 2009 verleende monumentenvergunning geen betrekking heeft op het verrichten van sloopwerkzaamheden aan de monumentale dwarskap, maar ziet op het veranderen en vergroten van het pand op het perceel. Voorts komen de bij de besluiten gevoegde tekeningen van 16 december 2014 en 6 januari 2015 volgens [appellanten] niet overeen met de bij het besluit van 7 oktober 2009 behorende tekeningen en had de sloopvergunning moeten worden geweigerd en is onduidelijk waarvoor sloopvergunning is verleend.

6.1. In de uitspraak van de Afdeling van 18 januari 2012 in zaak nr. 201103647/1/H2 is met betrekking tot de, bij besluit van 6 april 2010 door het dagelijks bestuur bekrachtigde, monumentenvergunning van 7 oktober 2009 overwogen dat het antwoord op de vraag of de ministeriële adviesplicht van toepassing is, thans niet meer van belang is, omdat de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap op 13 april 2010 en 15 maart 2011 alsnog positief heeft geadviseerd. Verder is overwogen dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de staatssecretaris de gevolgen van het bouwplan voor de monumentale kap niet heeft doorzien en daarom ten onrechte positief heeft geadviseerd en dat in beide adviezen is vermeld dat de monumentale kap zal worden vernieuwd en doorgetrokken over de gehele lengte en breedte van het huidige platte dak.

Het betoog van [appellanten] dat voormelde monumentenvergunning minder ver strekt dan de in de onderhavige procedure aan de orde zijnde sloopvergunning, faalt reeds omdat de Afdeling in voormelde uitspraak van 18 januari 2012 heeft vastgesteld dat uit de aan de monumentenvergunning ten grondslag liggende adviezen van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap blijkt dat de monumentale kap zal worden vernieuwd en doorgetrokken over de gehele lengte en breedte van het huidige platte dak. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat het algemeen bestuur gelet op artikel 8.1.6, onder c, van de Bouwverordening, de sloopvergunning moest weigeren vanwege het ontbreken van een vergunning als bedoeld in artikel 11 van de Monumentenwet 1988.

De Afdeling ziet in hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd evenmin grond voor het oordeel dat het algemeen bestuur niet in redelijkheid de sloopvergunning als bedoeld in artikel 37 van de Monumentenwet 1988 heeft kunnen verlenen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat [appellanten] geen andere belangen hebben gesteld dan de in het kader van artikel 11 van de Monumentenwet 1988 aan de orde zijnde belangen.

Het betoog faalt.

6.2. Het betoog van [appellanten] dat de bij de besluiten van 16 december 2014 en 6 januari 2015 overgelegde tekeningen onvoldoende duidelijkheid geven over de te slopen werkzaamheden is terecht voorgedragen. In de tekeningen zijn weliswaar kruizen gezet op plaatsen waar gesloopt zal worden, maar mede gelet op een hoogteverschil in de tekening van de bestaande en toekomstige situatie, bestaande uit een tuit op een topgevel, is op basis van de tekeningen niet duidelijk welke sloopwerkzaamheden zullen worden verricht.

Het betoog slaagt.

7. [appellanten] betogen voorts dat het algemeen bestuur in strijd met het wettelijk verbod op vooringenomenheid en het gebod van onpartijdigheid heeft gehandeld. Zij voeren hiertoe aan dat een aantal sloopwerkzaamheden reeds is uitgevoerd en dat is gehandeld in strijd met de "Evaluatie Notitie Bescherming van Monumenten in de Binnenstad", nu daarin staat dat het algemeen bestuur slechts de oorspronkelijke situatie kan herstellen of aangifte kan doen bij de politie. Verder voeren zij aan dat de aan de besluiten van 16 december 2014 en 6 januari 2015 ten grondslag gelegde tekeningen eerst bij toezending van het besluit zijn overhandigd en het algemeen bestuur Hotel Toren niet in de gelegenheid had mogen stellen de tekeningen aan te passen.

7.1. Ingevolge artikel 2:4 van de Awb vervult het bestuursorgaan zijn taak zonder vooringenomenheid.

7.2. In hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het algemeen bestuur in strijd met artikel 2:4 van de Awb heeft gehandeld. Dat Hotel Toren in de gelegenheid is gesteld te verduidelijken waar de aanvraag om sloopvergunning op ziet en dat enkele sloopwerkzaamheden reeds hebben plaatsgevonden is onvoldoende voor het oordeel dat artikel 2:4, eerste lid, van de Awb zou zijn geschonden. Hierbij is van belang dat uit de uitspraak van de rechtbank van 16 mei 2014 volgde dat niet duidelijk was waar de aanvraag om sloopvergunning betrekking op had, zodat het algemeen bestuur aan Hotel Toren om een nadere verduidelijking van de aanvraag heeft mogen vragen.

Het betoog faalt.

8. Verder betogen [appellanten] dat de verleende sloopvergunning de hoofdstructuur van het monument niet respecteert en in strijd is met het Programma van Eisen Kwaliteit Monumenten 2009 (hierna: het PVE) en de Welstandsnota 2006.

8.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 1 december 2010 in zaak nr. 201003853/1/H1 kan en moet een sloopvergunning alleen dan worden geweigerd, indien zich één van de in artikel 8.1.6. van de bouwverordening genoemde weigeringsgronden voordoet. Hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd over de Welstandsnota en het PVE ziet niet op een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 8.1.6 van de bouwverordening en kan reeds daarom niet leiden tot een vernietiging van de besluiten van 16 december 2014 en 6 januari 2015. Voorts staat, anders dan [appellanten] stellen, artikel 8.1.6 van de bouwverordening, noch enige andere bepaling er aan in de weg dat een sloopvergunning wordt verleend ten behoeve van een project ter uitvoering waarvan reeds sloopwerkzaamheden zijn uitgevoerd.

Het betoog faalt.

9. Voor zover [appellanten] betogen dat is gesloopt in afwijking van hetgeen is vergund en het algemeen bestuur handhavend dient op te treden, kan dit betoog niet leiden tot het door hen daarmee beoogde doel. De uitvoering van de sloopvergunning en eventuele besluiten over door [appellanten] ingediende verzoeken om handhaving zijn in deze procedure niet aan de orde.

10. Het beroep van [appellanten] gericht tegen de besluiten van 16 december 2014 en 6 januari 2015 is gegrond. Deze besluiten komen voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb. De Afdeling zal evenwel bepalen dat de rechtsgevolgen van deze besluiten geheel in stand blijven. Daartoe wordt als volgt overwogen.

Ter zitting van de Afdeling is verklaard door het algemeen bestuur en Hotel Toren, onder verwijzing naar de op de bouwtekening gezette kruizen, welke sloopwerkzaamheden zijn aangevraagd. Daarnaast is het verschil tussen de tekeningen verklaard, nu Hotel Toren heeft uitgelegd dat het weergegeven tuitje ten onrechte is opgenomen. Met deze ter zitting van de Afdeling gegeven toelichting op de aan de besluiten van 16 december 2014 en 6 januari 2015 gehechte tekeningen is duidelijk geworden waar de sloopvergunning betrekking op heeft. De Afdeling ziet, naar aanleiding van het verzoek van [appellanten] daartoe, geen aanleiding te bepalen dat de sloopvergunning zal vervallen, zodra de bij besluit van 2 juli 2012 verleende bouwvergunning is ingetrokken, nu in de bij besluit van 7 oktober 2009 verleende monumentenvergunning in de uitvoeringsvoorschriften is gewaarborgd dat uitvoering van de werkzaamheden niet mag geschieden voordat daarvoor ook bouwvergunning is verleend.

11. Het algemeen bestuur dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het verzoek om proceskostenveroordeling van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Hotel Toren B.V. niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van [appellant A] en [appellant B] tegen de besluiten van 16 december 2014 en 6 januari 2015 met het kenmerk JZ 98-14-0275 van het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel Centrum gegrond;

III. vernietigt de besluiten van 16 december 2014 en 6 januari 2015 met het kenmerk JZ 98-14-0275 van het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel Centrum;

IV. bepaalt dat de rechtsgevolgen van deze besluiten in stand blijven;

V. veroordeelt het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel Centrum tot vergoeding van de bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 763,44 (zegge: zevenhonderddrieënzestig euro en vierenveertig cent), waarvan € 735,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.

w.g. Van der Spoel w.g. Vermeulen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2015

700.