Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2234

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-07-2015
Datum publicatie
15-07-2015
Zaaknummer
201404381/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 september 2013 heeft het college op grond van artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 vergunning verleend voor het in werking hebben en wijzigen van een melkrundvee- en vleesvarkenshouderij aan de [locatie 1] en [locatie 2] te Zenderen.

Wetsverwijzingen
Natuurbeschermingswet 1998
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/626

Uitspraak

201404381/1/R2.

Datum uitspraak: 15 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. (hierna: Mob), gevestigd te Nijmegen,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 september 2013 heeft het college op grond van artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 vergunning verleend voor het in werking hebben en wijzigen van een melkrundvee- en vleesvarkenshouderij aan de [locatie 1] en [locatie 2] te Zenderen.

Bij besluit van 11 april 2014, kenmerk 2014/0068746, heeft het college het door Mob hiertegen gemaakte bezwaar deels ongegrond en deels gegrond verklaard en besloten het besluit van 26 september 2013 in stand te laten.

Tegen dit besluit heeft Mob beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 juni 2015, waar Mob, vertegenwoordigd door M. Wierenga, het college, vertegenwoordigd door A.M. Rensen en mr. J.J.P.S. Weijnen, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ter zitting heeft Mob de beroepsgronden betreffende het nemen van de feitelijke situatie als uitgangspunt bij de beoordeling van de effecten, de ondergrens en het Natura 2000-gebied Engbertsdijkvenen, ingetrokken.

2. Mob betoogt dat de Hinderwetvergunning uit 1980 als uitgangspunt van de beoordeling gebruikt had moeten worden in plaats van de vergunning uit 1994 op grond van de Wet milieubeheer, zoals die luidde ten tijde van belang (hierna: Wm (oud)), gelet op artikel 20.8 dan wel 20.3 van die wet.

2.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het juiste uitgangspunt is genomen; daartoe wordt verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2015 in zaak nr. 201404397/1/R2. Volgens het college waren er in dit geval geen bouwvergunningen nodig om de vergunning uit 1994 te kunnen verwezenlijken.

2.2. Tussen partijen is niet in geschil dat de vergunning op grond van de Wm (oud) voor de [locatie 2], is verleend op 10 juni 1994. Dit is eveneens de referentiedatum voor het Natura 2000-gebied Engbertsdijkvenen. Deze vergunning is derhalve de vergunde situatie, de toestemming, op die referentiedatum. De vraag of op diezelfde datum de vergunning, gelet op artikel 20.8 dan wel 20.3 van de Wm (oud), geheel van kracht was doet aan het bestaan van de toestemming niet af (vergelijk bovengenoemde uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2015). Het college heeft de vergunning van 10 juni 1994 als uitgangspunt in de beoordeling mogen nemen, nu niet in geschil is dat deze vergunning in werking is getreden en uit de stukken niet is gebleken dat deze vergunning geheel of gedeeltelijk is vervallen.

Het betoog faalt.

3. Mob betoogt dat het college ten onrechte haar verzoek om vergoeding van de kosten die zij in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken, heeft afgewezen. Zij voert hiertoe aan dat bij het primaire besluit ten onrechte een in het provinciale beleid neergelegde afrondingsregel is toegepast.

3.1. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan vergoed op verzoek van de belanghebbende, voor zover het in bezwaar aangevochten besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

Ingevolge artikel 7:15, derde lid, voor zover hier van belang, wordt het verzoek gedaan voordat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist.

3.2. Mob heeft haar verzoek om vergoeding van de kosten die zij in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken ingediend voordat het college op het bezwaar heeft beslist.

Het college heeft, zoals het ter zitting heeft bevestigd, bij het bestreden besluit het eerste voorschrift dat aan de verleende vergunning is verbonden, gewijzigd door de tabel betreffende de maximaal toegestane stikstofdeposities zoals opgenomen in dit voorschrift te vervangen. Uit het bestreden besluit volgt dat de reden voor deze wijziging gelegen is in de intrekking van de in artikel 4, tweede lid, van de Beleidsregel Natura 2000 en stikstof voor veehouderijen Overijssel neergelegde afrondingsregel. In het bestreden besluit is voorts vermeld dat het betreffende artikel uit de Beleidsregel mede naar aanleiding van het bezwaar van Mob is ingetrokken. Aldus is het primaire besluit gedeeltelijk herroepen wegens aan het college te wijten onrechtmatigheid naar aanleiding van het bezwaar van Mob. Het college heeft derhalve ten onrechte geweigerd de kosten te vergoeden die Mob in verband met de behandeling van de bezwaren redelijkerwijs heeft moeten maken.

Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen Mob heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover het de weigering betreft de kosten te vergoeden die Mob in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, zijn genomen in strijd met artikel 7:15, tweede lid, van de Awb. Het betoog slaagt.

4. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover het verzoek van Mob om vergoeding van de kosten die zij in verband met de behandeling van de bezwaren redelijkerwijs heeft moeten maken, is afgewezen. De Afdeling zal de hoogte van het aan Mob te vergoeden bedrag aan ten behoeve van de behandeling van het bezwaar gemaakte kosten, vaststellen.

5. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten in verband met het beroep te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Overijssel van 11 april 2014, kenmerk 2014/0068746, voor zover het verzoek van de Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. om vergoeding van de kosten die zij in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, is afgewezen;

III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Overijssel tot vergoeding van de bij de Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen kosten tot een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Overijssel tot vergoeding van de bij de Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Overijssel aan de Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. vergoedt het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van in totaal € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro).

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Vogel-Carprieaux, griffier.

w.g. Hagen w.g. Vogel-Carprieaux

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2015

458.