Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2232

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-07-2015
Datum publicatie
15-07-2015
Zaaknummer
201410641/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:14507, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 maart 2014 heeft de minister het verzoek van [appellante] om vergoeding van schade afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/716
JB 2015/169 met annotatie van H.P. Wiersema en T.W. Veenendaal
JIN 2016/21 met annotatie van H.P. Wiersema en T.W. Veenendaal
BA 2015/205

Uitspraak

201410641/1/A2.

Datum uitspraak: 15 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 november 2014 in zaak nr. 14/6859 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 21 maart 2014 heeft de minister het verzoek van [appellante] om vergoeding van schade afgewezen.

Bij besluit van 15 juli 2014 heeft de minister op het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar beslist.

Bij uitspraak van 27 november 2014 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep als een verzoek als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) aangemerkt en dat verzoek afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 juni 2015, waar [appellante], en de minister, vertegenwoordigd door mr. K. van den Boogaard en mr. S. Bolte-Knol, beiden werkzaam bij het Parket-Generaal van het College van procureurs-generaal, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1:6, aanhef en onder a, van de Awb zijn de hoofdstukken 2 tot en met 8 en 10 van deze wet niet van toepassing op de opsporing en vervolging van strafbare feiten, alsmede de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen.

Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van:

a. een onrechtmatig besluit;

b. een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit;

c. het niet tijdig nemen van een besluit;

d. een andere onrechtmatige handeling van een bestuursorgaan waarbij een persoon als bedoeld in artikel 8:2, eerste lid, onder a, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden belanghebbende zijn.

Ingevolge artikel IV, eerste lid, van de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (hierna: de Wns) blijft op schade, veroorzaakt door een besluit dat werd bekendgemaakt of een handeling die werd verricht voor het tijdstip waarop deze wet voor dat besluit of die handeling in werking is getreden, het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing.

De Wns is, voor zover betrekking hebbend op schadevergoeding, op 1 juli 2013 in werking getreden.

2. Op 19 februari 2014 heeft [appellante] het College van procureurs-generaal (hierna: het College) verzocht om vergoeding van schade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van handelen van het Openbaar Ministerie (hierna: het OM). Volgens [appellante] heeft het OM fouten gemaakt bij de vervolging van haar ex-echtgenoot. Zo heeft het OM haar ex-echtgenoot alleen vervolgd naar aanleiding van haar aangifte tegen hem uit 2008, maar niet naar aanleiding van haar aangifte tegen hem uit 2004. Voorts heeft het OM nagelaten het formulier, waarmee [appellante] zich als benadeelde partij in het strafproces heeft gevoegd en om een schadevergoeding van € 55.681,04 heeft verzocht, in het strafdossier te voegen. Nu zij als gevolg van deze fouten van het OM haar schade niet vergoed heeft gekregen in het strafproces, dient het College deze schade te vergoeden, aldus [appellante].

3. Aan het besluit van 15 juli 2014 heeft de minister ten grondslag gelegd dat, nu op grond van artikel 1:6, aanhef en onder a, van de Awb tegen een beslissing in het kader van de opsporing en vervolging van strafbare feiten, alsmede de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen geen bezwaar en beroep openstaat, ook tegen een beslissing op een verzoek om schadevergoeding die voortvloeit uit een strafprocedure geen bezwaar en beroep openstaat.

4. De rechtbank heeft het beroep van [appellante] opgevat als een verzoek om schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb. Uit de overgelegde stukken en de door de minister ter zitting gegeven toelichting blijkt dat het door [appellante] ingevulde voegingsformulier, waarbij zij een bedrag van € 55.681,04 vorderde, wel is ingebracht in het strafproces, maar dat deze vordering door de strafrechter niet-ontvankelijk is verklaard omdat haar ex-echtgenoot is vrijgesproken van het ten laste gelegde feit. Het verzoek om schadevergoeding bij de bestuursrechter op grond van artikel 8:88 van de Awb kan reeds gelet op artikel 1;6, aanhef en onder a, van de Awb niet slagen, aldus de rechtbank.

5. De Afdeling overweegt ambtshalve als volgt. Het strafproces tegen de ex-echtgenoot van [appellante] is geëindigd met het vonnis van de politierechter van 27 februari 2012. Dit betekent dat het door [appellante] gestelde onrechtmatig handelen van het OM heeft plaatsgevonden voor 1 juli 2013. Uit het in artikel IV, eerste lid, van de Wns neergelegde overgangsrecht volgt dat de verzoekschriftprocedure ingevolge de artikelen 8:88 tot en met 8:95 niet van toepassing is op schade veroorzaakt door schadeveroorzakend handelen van voor 1 juli 2013. Gelet hierop, heeft de rechtbank het beroep van [appellante] ten onrechte als een verzoek om schadevergoeding, bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb, opgevat.

6. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep van [appellante] gegrond is en de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling alsnog over het beroep van [appellante] oordelen.

7. [appellante] heeft betoogd dat de minister niet heeft onderkend dat het verzoek om schadevergoeding niet zijn grondslag vindt in de opsporing en vervolging van strafbare feiten, maar in het onrechtmatige handelen van het OM, zodat artikel 1:6, aanhef en onder a, van de Awb niet van toepassing is en de bestuursrechter bevoegd is van haar verzoek kennis te nemen. Door het onrechtmatig handelen van het OM heeft de politierechter haar schadeverzoek niet goed kunnen beoordelen, waardoor zij haar schade niet vergoed heeft gekregen in het strafproces, aldus [appellante].

7.1. De Afdeling stelt voorop dat uit het feit dat de politierechter het verzoek van [appellante] om schadevergoeding niet-ontvankelijk heeft verklaard, volgt dat het OM het voegingsformulier in het strafdossier heeft gevoegd, zodat de stelling van [appellante] dat het OM dat heeft nagelaten feitelijk onjuist is.

Volgens [appellante] heeft het OM voorts onrechtmatig gehandeld door enerzijds haar ex-echtgenoot niet te vervolgen naar aanleiding van een door haar gedane aangifte in 2004 en anderzijds door haar ex-echtgenoot te vervolgen voor verduistering terwijl zij in 2008 aangifte tegen hem had gedaan voor valsheid in geschrifte. Nu beide door [appellante] gestelde onrechtmatige handelingen van het OM beslissingen in het kader van de vervolging van strafbare feiten betreffen, heeft de minister zich in het besluit van 15 juli 2014 terecht op het standpunt gesteld dat op grond van artikel 1:6, eerste lid, van de Awb geen bezwaar openstaat tegen de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding. Dit betekent dat [appellante] zich desgewenst met haar verzoek tot de civiele rechter zal moeten wenden.

Het betoog faalt.

8. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 21 maart 2014 van de minister alsnog ongegrond verklaren.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 november 2014 in zaak nr. 14/6859;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. verstaat dat de griffier van de Raad van State aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 246,00 (zegge: tweehonderdzesenveertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Ouwehand, griffier.

w.g. Borman w.g. Ouwehand

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2015

752.