Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2223

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-07-2015
Datum publicatie
15-07-2015
Zaaknummer
201407338/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 juni 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Centrum, stationsgebied eo, partiële herziening" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/720
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201407338/1/R3.

Datum uitspraak: 15 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Hasti Holding B.V. en MGM Projectontwikkeling B.V., beide gevestigd te Best, appellanten,

en

de raad van de gemeente Best,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 2 juni 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Centrum, stationsgebied eo, partiële herziening" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben Hasti Holding en MGM Projectontwikkeling beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 juni 2015, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. J. Crommentuijn, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

Overwegingen

1. Het plan voorziet voor het perceel, kadastraal bekend als Gemeente Best, sectie H, nummer 5914 (hierna: het perceel), in de bestemming "Verkeer" en maakt onder meer een parkeerterrein mogelijk. In de uitspraak van 12 maart 2014, in zaak nr. 201308298/1/R6, heeft de Afdeling het beroep van onder meer Hasti Holding tegen het bestemmingsplan "Centrum stationsgebied e.o." gegrond verklaard en het plan vernietigd, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Detailhandel" voor het perceel. Daarbij heeft de Afdeling betrokken dat de raad zich op het standpunt had gesteld dat de functieaanduiding "parkeerterrein" abusievelijk in combinatie met de bestemming "Detailhandel" in het plan was opgenomen en hij in plaats van die bestemming de bestemming "Verkeer" voorstaat. De Afdeling heeft de raad opgedragen om binnen 16 weken na verzending van die uitspraak in zoverre een nieuw plan vast te stellen. Met dit plan heeft de raad beoogd te voldoen aan die uitspraak.

2. MGM Projectontwikkeling is geen eigenaar dan wel anderszins gerechtigde van het perceel. Zij heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd in verband waarmee moet worden geoordeeld dat zij een objectief belang heeft dat rechtstreeks door het bestreden besluit wordt geraakt. Zoals de Afdeling reeds heeft overwogen in voornoemde uitspraak van 12 maart 2014, is de enkele stelling dat MGM Projectontwikkeling eventueel uitvoering wenst te geven aan een toekomstige ontwikkeling op het perceel hiertoe onvoldoende. De Afdeling ziet geen aanleiding hier thans anders over te oordelen.

MGM Projectontwikkeling is geen belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) bij het bestreden besluit. Zij kan daartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2, van bijlage 2 bij de Awb, dan ook geen beroep instellen.

Het beroep van Hasti Holding en MGM Projectontwikkeling, voor zover ingesteld namens MGM Projectontwikkeling, is niet-ontvankelijk.

3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

4. Hasti Holding betoogt dat de raad ten onrechte het plandeel met de bestemming "Verkeer" heeft vastgesteld. Zij betoogt dat de bestemming "Detailhandel" een logischere bestemming is voor het perceel omdat het perceel aan twee zijden grenst aan gronden met de bestemming "Detailhandel". Subsidiair betoogt zij dat de bestemming "Wonen" voor het perceel eveneens geschikt zou zijn, nu het perceel die bestemming in het verleden ook heeft gehad. Zij wijst erop dat de bestemming "Verkeer" niet uitvoerbaar is omdat het perceel vanaf de openbare weg niet bereikbaar is.

5. De raad stelt zich op het standpunt dat in het verleden op het perceel geen sprake is geweest van detailhandel en evenmin van een parkeerfunctie ten behoeve van detailhandel. De bestemming "Verkeer" sluit het beste aan op de vorige bestemming "Verblijfsdoeleinden" van een deel van het perceel en op de huidige inrichting van het perceel als parkeerterrein. Omdat het perceel thans niet in gebruik is, is de toegankelijkheid van het perceel van ondergeschikt belang, aldus de raad. Ter zitting heeft de raad aan de hand van luchtfoto’s toegelicht dat het geasfalteerde perceel met parkeervakken thans is afgezet met een hekwerk en dat met het verwijderen daarvan het perceel weer toegankelijk kan worden gemaakt.

6. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels zijn de voor "Verkeer aangewezen gronden bestemd voor:

a. wegen, straten en pleinen;

b. terras;

c. voet- en fietspaden;

d. parkeervoorzieningen;

e. groenvoorzieningen;

(….)

7. Een beroep dat ziet op de uitvoerbaarheid van een plandeel kan slechts leiden tot vernietiging van het bestreden besluit indien en voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de aan het plandeel toegekende bestemming niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode. Over het betoog dat het plandeel niet uitvoerbaar is omdat het perceel met de bestemming "Verkeer" niet vanaf de openbare weg bereikbaar is, overweegt de Afdeling dat dit niet betekent dat het plandeel met de verkeersbestemming niet binnen de planperiode kan worden uitgevoerd. Zoals de raad ter zitting heeft toegelicht kan het perceel toegankelijk worden gemaakt door het verwijderen van het daaromheen geplaatste hekwerk. De Afdeling acht voorts van belang dat, zoals ter zitting door de raad is gesteld, het perceel gelet op de ligging in ruimtelijk opzicht ook in de toekomst geschikt blijft als parkeervoorziening. Voorts maakt de bestemming "Verkeer" niet uitsluitend parkeervoorzieningen mogelijk, maar ook pleinen, terrassen en groenvoorzieningen. Hasti Holding heeft niet aannemelijk gemaakt dat binnen de planperiode geen van de in artikel 4, lid 4.1, van de planregels genoemde functies ter plaatse mogelijk zou kunnen worden gemaakt. Het betoog faalt.

8. In het stelsel van de Wet ruimtelijke ordening is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld.

Onder verwijzing naar haar eerdergenoemde uitspraak van 12 maart 2014, overweegt de Afdeling dat de raad bij het toekennen van de bestemming in redelijkheid heeft kunnen aansluiten bij de bestaande inrichting van het perceel als parkeerterrein. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat Hasti Holding voorafgaand aan de vaststelling van het plan geen concrete plannen voor de door haar gewenste invulling van het perceel kenbaar heeft gemaakt, waarmee de raad rekening kon houden. Dit is ter zitting door de raad bevestigd. Ook overigens is niet gebleken van gewijzigde omstandigheden die een andere conclusie rechtvaardigen.

Dat het perceel aan twee zijden grenst aan gronden met de bestemming "Detailhandel" maakt niet dat reeds hierom aan het perceel een detailhandelsbestemming had moeten worden toegekend. Voorts overweegt de Afdeling dat onweersproken is gesteld dat in een eerder bestemmingsplan het grootste gedeelte van het perceel een nader uit te werken bestemming had en dat het perceel voor het overige de bestemming "Verblijfsdoeleinden" had. Niet gebleken is dat dit wonen bij recht mogelijk maakte op het perceel. De raad heeft geen aanleiding hoeven te zien om te voorzien in een woonbestemming. Het betoog faalt.

9. Gelet op het voorgaande is het beroep, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep, voor zover ingesteld namens MGM Projectontwikkeling, niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. Kegge, griffier.

w.g. Helder w.g. Kegge

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2015

829-459.