Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:222

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-01-2015
Datum publicatie
28-01-2015
Zaaknummer
201406851/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 september 2013 heeft de raad een aanvraag van [appellant] om vergoeding van verleende rechtsbijstand afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201406851/1/A2.

Datum uitspraak: 28 januari 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te {woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 23 juni 2014 in zaak nr. 14/840 in het geding tussen:

[appellant]

en

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (hierna: de raad).

Procesverloop

Bij besluit van 27 september 2013 heeft de raad een aanvraag van [appellant] om vergoeding van verleende rechtsbijstand afgewezen.

Bij besluit van 20 januari 2014 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij mondelinge uitspraak van 23 juni 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Met toestemming van partijen is afgezien van een behandeling van de zaak ter zitting.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 32 van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) geldt de toevoeging uitsluitend voor het rechtsbelang ter zake waarvoor zij is verleend en, in het geval van een procedure, voor de behandeling daarvan in één instantie, de tenuitvoerlegging van de rechterlijke uitspraak daaronder begrepen.

Ingevolge artikel 37, eerste lid, aanhef en onder a, verstrekt de raad aan een rechtsbijstandverlener een subsidie, genoemd vergoeding, voor de door hem op basis van een toevoeging verleende rechtsbijstand.

Ingevolge het vijfde lid, aanhef en onder e, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden vastgesteld met betrekking tot de vaststelling van de vergoeding.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (hierna: het Bvr 2000) wordt in dit besluit onder procedure verstaan:

1. een zaak die aanhangig is gemaakt bij een bij wet ingesteld tuchtrechtelijk college alsmede een zaak op het terrein van het burgerlijk of bestuursrecht die aanhangig is gemaakt bij:

— […],

— de bestuursrechter,

— […].

Ingevolge artikel 5, eerste lid, wordt aan een procedure het aantal punten toegekend dat in de bijlage voor het desbetreffende rechtsterrein of soort zaak is bepaald.

Ingevolge het tweede lid, zoals dat luidt sinds 1 oktober 2013, worden in afwijking van het eerste lid twee punten toegekend indien de procedure door de in artikel 1, onder b, bedoelde instantie wordt beëindigd door de beslissing kennelijk niet bevoegd, kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk gegrond of kennelijk ongegrond.

Ingevolge artikel 28, eerste lid, dient de rechtsbijstandverlener na beëindiging van de verlening van de rechtsbijstand bij de raad een aanvraag in tot vaststelling van de vergoeding voor de verrichte werkzaamheden.

Ingevolge artikel 29, vierde lid, wordt de vergoeding op nihil gesteld indien bij de vaststelling blijkt dat de zaak onder het bereik van een toevoeging van een andere zaak valt.

2. [appellant] heeft [persoon] rechtsbijstand verleend bij de ongeldigverklaring van diens rijbewijs. [persoon] heeft daarvoor bij de raad drie afzonderlijke toevoegingen aangevraagd, en gekregen, voor het maken van bezwaar, het instellen van beroep en het instellen van hoger beroep.

In geding is de door [appellant] aangevraagde vergoeding voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. De raad heeft die aanvraag afgewezen, omdat het hoger beroep door de Afdeling niet-ontvankelijk is verklaard wegens het ontbreken van gronden, en de werkzaamheden die [appellant] in hoger beroep heeft verricht daarom onder het bereik van de toevoeging voor het maken van bezwaar [de rechtbank leest: beroep] vallen.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat geen procedure in hoger beroep is gevoerd en niet is gebleken van substantiële werkzaamheden die een vergoeding zouden rechtvaardigen. Daartoe voert hij aan dat hij een hogerberoepschrift op nader aan te voeren gronden heeft ingediend bij de Afdeling en aldus een procedure aanhangig is gemaakt. De Afdeling heeft tevens uitspraak gedaan in die procedure. Op grond van artikel 5 van het Bvr 2000 dient hij derhalve een procedurevergoeding te krijgen, aldus [appellant].

3.1. Artikel 1, aanhef en onder b, van het Bvr 2000 bepaalt dat een zaak die aanhangig is gemaakt bij de bestuursrechter als procedure wordt aangemerkt. Uit de toelichting op die bepaling volgt dat een zaak aanhangig is gemaakt, indien deze bij een instantie als bedoeld in die bepaling is aangebracht (Stb. 1999, 580).

[appellant] heeft namens [persoon] hoger beroep ingesteld bij de Afdeling, zijnde bestuursrechter, hetgeen als het aanbrengen van een zaak moet worden aangemerkt. Hieruit volgt dat de zaak kwalificeert als een procedure. Daaraan doet niet af dat een hoger beroepschrift op nader aan te voeren gronden is ingediend. Ook met een dergelijk beroepschrift kan een zaak bij de Afdeling worden aangebracht. Het standpunt van de raad dat het indienen van een hogerberoepschrift op nader aan te voeren gronden van adviserende aard is en onder het bereik van de toevoeging in beroep valt, volgt de Afdeling dan ook niet. Daar komt bij dat artikel 32 van de Wrb bepaalt dat een toevoeging geldt voor de behandeling van een procedure in één instantie en de rechtbank, waarbij het beroep is ingediend, en de Afdeling verschillende instanties zijn. Verder volgt uit artikel 5, tweede lid, van het Bvr 2000 dat een kennelijke niet-ontvankelijkverklaring van een hoger beroep, zoals in dit geval is gebeurd, evenmin in de weg staat aan het toekennen van een vergoeding.

De rechtbank heeft het voorgaande ten onrechte niet onderkend. Het betoog slaagt.

3.2. Gelet hierop behoeft hetgeen [appellant] overigens heeft aangevoerd tegen de aangevallen uitspraak geen bespreking.

4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 20 januari 2014 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking. De raad dient een nieuw besluit te nemen, waarbij aan [appellant] een vergoeding wordt toegekend op grond van artikel 5 van het Bvr 2000. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

5. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 23 juni 2014 in zaak nr. 14/840;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het bestuur van de raad voor rechtsbijstand van 20 januari 2014, zonder kenmerk;

V. draagt het bestuur van de raad voor rechtsbijstand op om binnen vier weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen;

VI. gelast dat het bestuur van de raad voor rechtsbijstand aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 411,00 (zegge: vierhonderdelf euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.G. de Vries-Biharie, griffier.

w.g. Van Altena w.g. De Vries-Biharie

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2015

611.