Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2218

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-07-2015
Datum publicatie
15-07-2015
Zaaknummer
201409607/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2014:6708, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 januari 2014 heeft het college een dwangsom aan [appellant] toegekend van € 20,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201409607/1/A3.

Datum uitspraak: 15 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 15 oktober 2014 in zaak nr. 14/2306 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Nuenen, Gerwen en Nederwetten.

Procesverloop

Bij besluit van 28 januari 2014 heeft het college een dwangsom aan [appellant] toegekend van € 20,00.

Bij besluit van 27 mei 2014 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 oktober 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 juni 2015, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. Th.H.J. Broekman, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 4:17, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) verbeurt, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing.

Ingevolge het tweede lid bedraagt de dwangsom de eerste veertien dagen € 20 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 30 per dag en de overige dagen € 40 per dag.

Ingevolge het derde lid is de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

Ingevolge artikel 4:18 stelt het bestuursorgaan de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom bij beschikking vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, beslist het bestuursorgaan op het verzoek om informatie zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken gerekend vanaf de dag na die waarop het verzoek is ontvangen.

2. Bij brief van 1 juni 2013 heeft [appellant] het college op grond van de Wob verzocht om documenten in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet Woz).

Bij besluit van 6 juni 2013 heeft het college op dat verzoek beslist. Bij brief van 18 juli 2013 heeft [appellant] bezwaar gemaakt tegen dat besluit.

Bij ‘formulier dwangsom bij niet tijdig beslissen’ (hierna: het formulier), gedagtekend op 20 december 2013, is het college in gebreke gesteld een besluit te nemen op het bezwaarschrift van 18 juli 2013.

Bij besluit van 14 januari 2014 heeft het college op het bezwaarschrift van 18 juli 2013 beslist.

Bij besluit van 28 januari 2014 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het het formulier op 30 december 2013 heeft ontvangen, waardoor de beslistermijn is verstreken op 13 januari 2013 en [appellant] derhalve recht heeft op een dwangsom, welke € 20,00 bedraagt.

In zijn bezwaarschrift van 10 februari 2014 betoogt [appellant] dat het formulier op 20 december 2013 is verzonden. Uitgaande van een reguliere postbezorging, heeft het college het formulier op 21 december 2013 ontvangen zodat het college vanaf 5 januari 2014 een dwangsom is verschuldigd, welke in totaal € 200,00 bedraagt.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien voor het oordeel dat geen volledige heroverweging in bezwaar heeft plaatsgevonden. Hiertoe voert hij, onder verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling van 20 juli 2011 in zaak nr. 201011683/1/H3, aan dat het besluit van 28 januari 2014 en het besluit van 27 mei 2014 beide zijn voorbereid door H.N.W. Schouten.

3.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat beide besluiten niet door Schouten zijn genomen, maar door het college. De Awb verzet zich er niet tegen dat zowel het primaire besluit als het besluit op bezwaar zijn voorbereid door dezelfde ambtenaar (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 22 maart 2006 in zaak nr. 200504508/1). Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat geen volledige heroverweging in bezwaar heeft plaatsgevonden.

Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het algemene machtigingsbesluit van 14 januari 2013, dat Schouten, ambtenaar van de Dienst Dommelvallei, in staat stelt het college te vertegenwoordigen tijdens procedures, bevoegd is afgegeven door het college. Derhalve heeft de rechtbank evenzeer ten onrechte geoordeeld dat Schouten ter zitting als gemachtigde van het college heeft mogen optreden. Hiertoe voert hij aan dat het aan de dwangsom onderliggende Wob-verzoek ziet op de Wet Woz en dat het verzoek derhalve moet worden gekwalificeerd als een financiële aangelegenheid.

Ingevolge de Gemeenschappelijke Regeling Dienst Dommelvallei (hierna: Regeling) worden financiële aangelegenheden van de gemeente uitgevoerd door de Dienst Dommelvallei, aldus [appellant].

Ingevolge artikel 5.1 van de Regeling kan het college uitsluitend in een afzonderlijk mandaatbesluit bevoegdheid overdragen aan de directeur van de Dienst Dommelvallei en de functie van Schouten valt volgens [appellant] niet als zodanig te kwalificeren.

4.1. Uit de Gemeentewet noch enig andere wet vloeit voort dat Schouten niet als gemachtigde van het college mag optreden. De omstandigheid dat Schouten werkzaam is bij de Dienst Dommelvallei doet daaraan niet af. De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat Schouten ter zitting als gemachtigde van het college heeft mogen optreden.

Het betoog faalt.

5. Tot slot betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het aannemelijk is dat het formulier pas op 30 december 2013 door het college is ontvangen. Hiertoe voert hij aan dat het college de enveloppe, waarin het formulier is verzonden en welke is voorzien van een poststempel, niet heeft bewaard en de gevolgen van het in het ongerede raken van de enveloppe daarom voor rekening komen van het college. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte geoordeeld dat het college terecht een dwangsom van € 20,00 heeft toegekend.

5.1. Vast staat dat het formulier door de postregistratie van de gemeente Nuenen is voorzien van een stempel waarop de datum 30 december 2013 staat. Ingevolge artikel 4:17, derde lid, van de Awb dient te worden uitgegaan van de datum van ontvangst van de ingebrekestelling. Dit betekent in voorliggende zaak dat in beginsel wordt uitgegaan van de ontvangst van het formulier op 30 december 2013. Dit lijdt uitzondering indien [appellant] aannemelijk maakt dat het eerder moet zijn ontvangen. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het formulier niet op 30 december 2013 door het college is ontvangen. Nog los van de vraag of het college de enveloppe had moeten bewaren, toont de enveloppe, indien voorzien van een poststempel, slechts aan wanneer een geschrift is verzonden en niet wanneer deze is ontvangen door het college.

Gelet op het vorenoverwogene heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat aannemelijk is dat het college het formulier pas op 30 december 2013 heeft ontvangen. Op 13 januari 2014 is de beslistermijn verlopen. Nu het college op 14 januari 2014 een besluit op het bezwaarschrift van 18 juli 2013 heeft genomen, heeft de rechtbank evenzeer terecht geoordeeld dat het college terecht een dwangsom van € 20,00 heeft toegekend.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Neuwahl

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2015

280-816.