Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2214

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-07-2015
Datum publicatie
15-07-2015
Zaaknummer
201405343/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:3696, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 maart 2013 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een loods (rijbak) met kantoor/kantine ten behoeve van een paardenhouderij op het perceel [locatie] te Dorst.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/628

Uitspraak

201405343/1/A1.

Datum uitspraak: 15 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Dorst, gemeente Oosterhout,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 mei 2014 in zaak nr. 13/5682 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Oosterhout.

Procesverloop

Bij besluit van 8 maart 2013 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een loods (rijbak) met kantoor/kantine ten behoeve van een paardenhouderij op het perceel [locatie] te Dorst (hierna: het perceel).

Bij besluit van 27 augustus 2013 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 19 september 2013 heeft het college aan vergunninghouder een gewijzigde omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een loods en kantine op het perceel.

Bij uitspraak van 22 mei 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen het besluit van 27 augustus 2013 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 december 2014, waar [appellant], vergezeld van [persoon], is verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), heeft het bezwaar of beroep, van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

Ingevolge het tweede lid, geldt het eerste lid ook indien het bezwaar is gemaakt of het beroep is ingesteld nadat het bestuursorgaan het bestreden besluit heeft ingetrokken, gewijzigd of vervangen.

2. Bij het besluit van 19 september 2013 heeft het college naar aanleiding van een daartoe strekkende aanvraag en als wijziging op de bij besluit van 8 maart 2013 verleende omgevingsvergunning, vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een loods en kantine op het perceel. De rechtbank heeft overwogen dat de bij dat besluit verleende omgevingsvergunning is verleend voor het bouwen van de gehele loods met kantine en daardoor niet alleen betrekking heeft op de wijzigingen ten opzichte van de eerder op 8 maart 2013 verleende omgevingsvergunning. Volgens de rechtbank zijn het besluit van 8 maart 2013 en dat van 19 september 2013 om die reden aan te merken als zelfstandige besluiten. Wanneer de rechtbank, zo overweegt zij, in de onderhavige beroepsprocedure tot het oordeel zou komen dat het besluit van 27 augustus 2013 niet in stand kan blijven, heeft dit geen gevolgen voor de bij besluit van 19 september 2013 verleende omgevingsvergunning, omdat het voor vergunninghouder dan mogelijk blijft om de loods met kantine met gebruikmaking van die vergunning te bouwen. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat een inhoudelijke beoordeling van het beroep van [appellant] tegen het besluit van 27 augustus 2013 niet kan leiden tot een voor hem zinvol resultaat. Om die reden heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard.

3. De Afdeling overweegt ambtshalve als volgt. Indien hangende een bezwaar- of beroepsprocedure over een omgevingsvergunning desgevraagd omgevingsvergunning wordt verleend voor een wijziging van het betrokken bouwplan, is op dat wijzigingsbesluit artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, mits de betreffende wijziging van ondergeschikte aard is. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat voor een dergelijke wijziging volgens vaste jurisprudentie geen nieuwe aanvraag zou behoeven te worden ingediend. Daarbij dient de vraag of de wijziging van ondergeschikte aard is, per concreet geval te worden beantwoord. (Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2013 in zaak nr. 201203303/1/A1)

4. Vast staat dat de wijzigingen die bij het besluit van 19 september 2013 ten opzichte van het oorspronkelijke vergunde bouwplan zijn vergund, bestaan uit het realiseren van een kelder onder, bij benadering, het deel van het bouwplan waar ‘verkeersruimte 1’, ‘verblijfsruimte 2’ en de toiletten zijn voorzien, het verkleinen van de breedte van 'functieruimte 1' van 12 naar 10 m, en enige andere aanpassingen, waaronder het wijzigen van de posities en afmetingen van enkele ramen in een van de zijgevels. Ofschoon het realiseren van de kelder in bouwkundig opzicht mogelijk als een niet onbeduidende ingreep kan worden beschouwd, zijn de uiterlijke verschijningsvorm en de bovengrondse situering van het voorziene gebouw, en daarmee de ruimtelijke uitstraling ervan, door bedoelde wijzigingen ten opzichte van het oorspronkelijke vergunde bouwplan vrijwel ongewijzigd gebleven. Voorts is niet gebleken dat derden door deze wijzigingen in hun belangen zijn geschaad. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat [appellant] ter zitting, samengevat weergegeven, heeft verklaard dat naar zijn mening de ruimtelijke uitstraling van de loods na de wijzigingen precies hetzelfde is gebleven, omdat de kelder voor hem niet zichtbaar is. Ook overigens is niet gebleken dat hij door de vergunde kelder in zijn belangen wordt geschaad. Nu de wijzigingen, gelet op het voorgaande, kunnen worden beschouwd als wijzigingen van ondergeschikte aard waarvoor geen nieuwe aanvraag om omgevingsvergunning zou behoeven te worden ingediend, had de rechtbank het beroep van [appellant] tegen het besluit van 27 augustus 2013 mede gericht moeten achten tegen het besluit van 19 september 2013. Door het beroep van [appellant] als geheel niet-ontvankelijk te verklaren en het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 19 september 2013 niet te behandelen, heeft zij dit niet onderkend.

5. Het hoger beroep is reeds hierom gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover de rechtbank het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 19 september 2013 niet-ontvankelijk heeft verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling alsnog de door [appellant] bij de rechtbank aangevoerde beroepsgronden beoordelen, nu de rechtbank daaraan niet is toegekomen.

6. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo), voor zover thans van belang, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning geweigerd indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan.

Ingevolge het tweede lid wordt in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, onder a, 1o, voor zover thans van belang, kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend, indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking.

7. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Reparatieherziening bestemmingsplan Buitengebied", rust op het perceel de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden".

Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften zijn de op plankaart 1 als zodanig aangewezen gronden bestemd voor een duurzame agrarische bedrijfsvoering.

Ingevolge het bestemmingsplan rust op het perceel voorts de medebestemming "Bedrijfsdoeleinden -B-", waarbij ter plaatse van het perceel op een detailplankaart de nadere aanduiding "B38" staat.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor een paardenhouderij.

Ingevolge het derde lid, aanhef en onder a, zijn op deze gronden in verband met de bestemming bedrijfsgebouwen toegelaten.

Ingevolge het vierde lid, voor zover hier van belang, gelden voor het bouwen van gebouwen de aanwijzingen op de kaart alsmede de volgende bepalingen:

a. gebouwen dienen gebouwd te worden binnen het op de kaart aangegeven bouwvlak;

b. het op de kaart aangegeven maximale bebouwingsoppervlak mag niet worden overschreden.

Ingevolge artikel 20, lid 24.a, voor zover hier van belang, hebben de bestaande agrarische loonbedrijven en de agrarisch verwante niet-agrarische bedrijven een rechtstreekse uitbreidingsmogelijkheid van 15 procent van het bestaande bebouwingsoppervlak. Medewerking aan een verdere uitbreiding van bestaande niet-agrarische bedrijven door middel van verhoging van het toegestaan bebouwingsoppervlak, zal slechts verleend worden indien aan de daarna vermelde eisen wordt voldaan. De uitbreiding mag maximaal 10 procent van het maximaal toegestane bebouwingsoppervlak bedragen.

8. Op de plankaart is ter plaatse van het perceel aangegeven dat het maximale bebouwingsoppervlak 1.600 m2 bedraagt. Omdat na realisering van het bouwplan het voormelde maximum wordt overschreden met een oppervlakte die kleiner is dan 160 m2, heeft het college de omgevingsvergunning verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, 1o, van de Wabo, gelezen in verbinding met artikel 20, lid 24.a, van de planvoorschriften.

9. [appellant] heeft betoogd dat de bij de besluiten van 8 maart 2013 en 19 september 2013 verleende omgevingsvergunningen niet overeenkomen met de daartoe ingediende aanvragen, nu in de aanvragen staat aangegeven dat deze betrekking hebben op een loods met kantoor/kantine, en de vergunningen zijn verleend voor een loods (rijbak) met kantoor/kantine ten behoeve van een paardenhouderij. [appellant] voert in dat verband aan dat deze wijziging ten onrechte niet is gepubliceerd. Het college mocht de omgevingsvergunningen volgens [appellant] daarom niet verlenen, te meer daar, naar hij heeft gesteld, de aanvragen onder valse voorwendselen zijn ingediend, nu vergunninghouder niet van plan is de loods voor een paardenhouderij te gebruiken, maar voor andere bedrijfsmatige doeleinden.

9.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 30 juli 2014 in zaak nr. 201310445/1/A1), moet bij toetsing van een bouwplan aan een bestemmingsplan niet slechts worden bezien of het bouwwerk overeenkomstig de bestemming kan worden gebruikt, doch mede of het bouwwerk ook met het oog op zodanig gebruik wordt opgericht. Het concrete, beoogde gebruik van het bouwwerk vormt op voorhand reden omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen te weigeren indien redelijkerwijs valt aan te nemen dat dit gebruik uitsluitend of mede betrekking heeft op andere doeleinden dan die waarin de bestemming voorziet. Mede gelet op de nadere toelichting die Van Dun Advies BV namens vergunninghouder bij brieven van 7 februari 2013 en 12 augustus 2013 heeft gegeven op de aanvragen die hebben geleid tot de besluiten van 8 maart 2013 en 19 september 2013, en waarin wordt aangegeven dat de aanvragen zien op het gebruik van de loods met kantoor/kantine ten behoeve van een paardenhouderij, wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat het college redelijkerwijs had dienen aan te nemen dat de loods met kantoor/kantine wordt opgericht met het oog op andere doeleinden dan die waarin de bestemming, te weten "Bedrijfsdoeleinden B38 Paardenhouderij", voorziet. Voor het oordeel dat de omgevingsvergunning is verleend voor een ander bouwplan dan is vermeld in de aanvraag, wordt daarom in zoverre geen grond gevonden. De stelling van [appellant] ter zitting van de Afdeling dat vergunninghouder in het verleden niet of nauwelijks omzet uit de paardenhouderij heeft gegenereerd, wat daarvan zij, maakt het voorgaande niet anders. Uit de stukken blijkt dat vergunninghouder heeft verklaard zich thans in verband met zijn gezondheid alsook economische omstandigheden op de paardenhouderij te willen richten. Geen aanleiding wordt gevonden deze verklaring voor onjuist te houden. Daarnaast wordt in aanmerking genomen dat het college in voorkomend geval tegen afwijkend gebruik handhavend kan optreden.

Het betoog faalt.

10. Ter zitting van de Afdeling heeft [appellant] verklaard dat hij, anders dan in zijn beroepschrift bij de rechtbank is opgenomen, niet beoogt te betogen dat de bouwplannen buiten het ter plaatse geldende bouwvlak zijn voorzien, maar dat zijn betoog inhoudt dat volgens hem het bouwvlak, als opgenomen in het bestemmingsplan, aan de bouwplannen is aangepast. Nu een dergelijke aanpassing van het bouwvlak, wat daarvan zij, geen onderdeel uitmaakt van de onderhavige procedure, kan het bedoelde betoog niet leiden tot het door [appellant] daarmee beoogde doel. Het faalt dan ook.

11. Ter zitting is voorts bevestigd dat het betoog van [appellant] met betrekking tot een beplantingsvoorwaarde, ziet op de bestaande loods op het perceel en niet op de bouwplannen die thans ter beoordeling voorliggen, zodat dat betoog reeds om die reden faalt.

12. Het door [appellant] bij de rechtbank ingestelde beroep is ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

14. Redelijke toepassing van artikel 8:114, eerste lid, van de Awb brengt met zich dat het in hoger beroep betaalde griffierecht door de griffier van de Raad van State aan [appellant] wordt terugbetaald.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 mei 2014 in zaak nr. 13/5682 voor zover de rechtbank het beroep tegen het besluit van 19 september 2013 niet-ontvankelijk heeft verklaard;

III. verklaart dat beroep ongegrond;

IV. verstaat dat de griffier van de Raad van State aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 246,00 (zegge: tweehonderdzesenveertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, griffier.

w.g. Hoekstra w.g. Fransen

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2015

407-619.