Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2210

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-07-2015
Datum publicatie
15-07-2015
Zaaknummer
201408879/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 juli 2014 heeft het college het wijzigingsplan "Buitengebied, Ockhuizenweg 3-5" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Besluit ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/7027
RVR 2015/93
TBR 2015/151
JOM 2015/719
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201408879/1/R3.

Datum uitspraak: 15 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A], [appellant B] en anderen, allen wonend te Son, gemeente Son en Breugel,

en

het college van burgemeester en wethouders van Son en Breugel,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 1 juli 2014 heeft het college het wijzigingsplan "Buitengebied, Ockhuizenweg 3-5" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant A], [appellant B] en anderen beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant A], [appellant B] en anderen en [belanghebbende] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 mei 2015, waar [appellant A], [appellant B] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant B], bijgestaan door ir. A.H.J. van der Putten, mr. Y.M.G.M. van Riet en ing. B.J. Louwers, en het college, vertegenwoordigd door H.A.M. van der Wal en J.F.C. van den Braak, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Ter zitting is [belanghebbende], vertegenwoordigd door [gemachtigden], ing. J.A.M. Stultiens en B.J. Sligter, bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, gehoord.

Overwegingen

Ontvankelijkheid

1. Ingevolge artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 van de Awb, kan een belanghebbende bij de Afdeling beroep instellen tegen een besluit omtrent wijziging van een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2. Het college en [belanghebbende] stellen zich op het standpunt dat het beroep van [appellant A], [appellant B] en anderen niet-ontvankelijk is, omdat zij niet als belanghebbenden bij het bestreden besluit zijn aan te merken. Volgens het college en [belanghebbende] wonen [appellant A], [appellant B] en anderen op een te grote afstand van het plangebied. Zij hebben geen direct zicht op de voorziene uitbreiding van het afvalverwerkingsbedrijf en het vrachtverkeer van en naar dit bedrijf wordt opgenomen in het heersende verkeersbeeld op de weg Sonniuswijk.

3. [appellant A], [appellant B] en anderen richten zich tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijf" met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - afvalverwerkingsbedrijf" voor het perceel Ockhuizenweg 3. Vrachtverkeer van en naar het afvalverwerkingsbedrijf maakt grotendeels gebruik van de route Ockhuizenweg - Sonniuswijk - Molenheideweg - Sonseweg (N620). Deze N620 sluit aan op de rijkswegen A50 en A2.

[appellant A] woont op het perceel [locatie] op een afstand van ongeveer 2000 m tot het plangebied. [appellant A] heeft geen zicht hierop. De Brouwerskampweg maakt geen deel uit van de route die door het bestemmingsverkeer van en naar het bedrijf wordt gebruikt.

Mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkeling die het plan mogelijk maakt, is de afstand tussen het plangebied en de woning van [appellant A] naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen. Voorts heeft [appellant A] geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt. Een louter subjectief gevoel van betrokkenheid bij een besluit is daarvoor niet voldoende. Dat [appellant A] en zijn gezinsleden regelmatig gebruik maken van de Sonniuswijk om het centrum van Son te kunnen bereiken, maakt het voorgaande niet anders, nu zij zich hierin niet onderscheiden van anderen die gebruik maken van de Sonniuswijk.

De Afdeling komt tot de conclusie dat [appellant A] geen belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Het beroep, voor zover dit is ingesteld door [appellant A], is niet-ontvankelijk.

4. In de hierna volgende overwegingen wordt onder [appellant B] en anderen [appellant A] niet begrepen.

5. Voor zover het beroep is ingesteld door [appellant B] en anderen, overweegt de Afdeling dat deze appellanten wonen aan de Sonniuswijk, die deel uitmaakt van genoemde route en op welke weg volgens de plantoelichting slechts in beperkte mate verkeer aanwezig is. Gelet op de bestaande verkeersintensiteiten, valt dan ook op voorhand niet uit te sluiten dat zij feitelijke gevolgen kunnen ondervinden van de toename van het vrachtverkeer van en naar de inrichting in verband met de in het wijzigingsplan voorziene uitbreiding van het afvalverwerkingsbedrijf.

De conclusie is dat [appellant B] en anderen belanghebbenden zijn bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat hun beroep ontvankelijk is.

Intrekkingen

6. Ter zitting hebben [appellant B] en anderen een aantal beroepsgronden ingetrokken. Het betreft hun beroepsgrond die inhoudt dat het vaststellingsbesluit en de bijbehorende zienswijzenotitie niet aan hen is toegezonden en dat het wijzigingsplan niet tijdig is vastgesteld en bekend is gemaakt. Verder hebben zij ter zitting hun beroepsgrond ingetrokken dat verschillende bij het plan behorende tekeningen niet met elkaar overeenkomen en dat het plan niet voorziet in voldoende parkeerruimte binnen het plangebied. Ook hebben zij hun beroepsgrond die gaat over de landschappelijke inpassing ingetrokken.

Het plan

7. Het wijzigingsplan is vastgesteld op grond van artikel 3, lid 3.7.8, van de regels van het bestemmingsplan "Buitengebied" uit 2011 en voorziet in een wijziging van de bestemming "Agrarisch" met de aanduiding "intensieve veehouderij" in de bestemming "Bedrijf" met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - afvalverwerkingsbedrijf" voor het perceel Ockhuizenweg 3. Hiermee wordt een uitbreiding van het naastgelegen afvalverwerkingsbedrijf op het perceel Ockhuizenweg 5 mogelijk gemaakt.

Procedureel

8. [appellant B] en anderen betogen dat de intentie- en planschadeverhaalovereenkomst, die als bijlage bij het plan is gevoegd, ten onrechte niet is gedateerd en niet is ondertekend. Bovendien ontbreekt een pagina in deze planschadeverhaalovereenkomst, waardoor deze niet goed is te beoordelen.

8.1. Ter zitting is gebleken dat dit betoog van [appellant B] en anderen ziet op een bijbehorend stuk bij de terinzagelegging van het vastgestelde plan. Deze beroepsgrond heeft betrekking op een mogelijke onregelmatigheid die dateert van na de datum van het bestreden besluit. Reeds om die reden kan dit de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten en kan deze mogelijke onregelmatigheid geen grond vormen het bestreden besluit te vernietigen. Het betoog faalt.

Inhoudelijk

9. Ingevolge artikel 3, lid 3.7.8, van de regels van het bestemmingsplan "Buitengebied" kan het college van burgemeester en wethouders de bestemming van de gronden aan de Ockhuizenweg 3 wijzigen in de bestemming "Bedrijf" met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - afvalverwerkingsbedrijf", teneinde een uitbreiding/koppeling van het naastgelegen afvalverwerkingsbedrijf toe te kunnen staan, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a. de agrarische activiteit wordt opgeheven;

b. ten behoeve van de nieuwe functie is binnen het onderhavige bestemmingsvlak (gelegen aan de Ockhuizenweg 3) maximaal 1.350 m² bebouwing toegestaan;

c. er is buitenopslag toegestaan voor lege emballage, transportvoertuigen en containers, een en ander uitsluitend ten behoeve van de onderhavige bestemming;

d. er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing; hiertoe dient een beplantingsplan te worden overgelegd;

e. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de waarden die zijn geformuleerd binnen de nadere detaillering van deze bestemming;

f. de regels van "Bedrijf" worden van overeenkomstige toepassing verklaard.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1.1, van de regels van het wijzigingsplan zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor:

a. niet-agrarische bedrijven;

(…)

c. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - afvalverwerkingsbedrijf" is een afvalbewerkingsbedrijf toegestaan; met bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, buitenopslag voor lege emballage, transportvoertuigen, containers, wegen en paden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, tuinen en erfverharding.

Ingevolge lid 3.2.2, onder a, mogen gebouwen uitsluitend worden gebouwd binnen de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - afvalverwerkingsbedrijf" met inachtneming van het volgende:

1. er mag maximaal 3.550 m² aan bedrijfsgebouwen aanwezig zijn;

(…)

5. de "zoekruimte" voor nieuwbouw zal zich beperken tot een straal van 50 m noordelijk of 50 m zuidelijk van de bestaande (hoofd)gebouwen, niet zijnde bedrijfswoningen.

Ingevolge lid 3.3.1 kan het bevoegd gezag door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van de in artikel 3 gestelde maximale oppervlakte bedrijfsbebouwing van niet-agrarische bedrijven, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a. in afwijking van het bepaalde in lid 3.2.2, onder a, sub 1, kan ter plaatse van het bestemmingsvlak met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - afvalverwerkingsbedrijf" een vergroting van de toegestane maximale bebouwde oppervlakte worden toegestaan van maximaal 1.000 m²;

b. de vergroting dient noodzakelijk te zijn uit het oogpunt van doelmatige bedrijfsvoering en/of -ontwikkeling;

c. de belangen van de omliggende (niet) agrarische bedrijven en andere functies worden niet onevenredig aangetast;

d. er vindt geen toename van de milieubelasting plaats;

e. er vindt geen opslag buiten de gebouwen plaats;

f. de verkeersaantrekkende werking dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie;

g. het gebruik mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieu- en dierenwelzijnswetgeving;

h. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;

i. er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing; hiertoe dient een beplantingsplan te worden overgelegd;

j. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de waterhuishoudkundige situatie; hieromtrent wordt advies ingewonnen bij het waterschap;

k. het mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van belangrijke waarden.

Nieuwe stedelijke ontwikkeling

10. [appellant B] en anderen betogen dat het plan vanwege de uitbreiding van het afvalverwerkingsbedrijf voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, en dat in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) in de plantoelichting hierop niet is ingegaan.

10.1. Het college stelt dat artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro in dit geval niet van toepassing is, omdat sprake is van een uit te breiden bestaand bedrijf dat alleen op deze locatie kan uitbreiden. Volgens het college is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in dit artikellid, omdat het bestaande bedrijf en de uitbreiding ervan onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden.

10.2. Ingevolge artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro voldoet de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, aan de volgende voorwaarden:

a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;

b. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;

c. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

10.3. Gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro (nota van toelichting, blz. 34 en 49; Stb. 2012, 388) is met dit artikellid beoogd dat het mogelijk maken van een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt afgewogen aan de hand van de in het artikellid opgenomen stappen en dat hierover een motivering wordt opgenomen in de plantoelichting.

Het wijzigingsplan maakt de uitoefening van bedrijfsactiviteiten, niet zijnde agrarische activiteiten, mogelijk op het perceel Ockhuizenweg 3. In het bijzonder maakt het plan het mogelijk de activiteiten van het afvalverwerkingsbedrijf, dat op het naastgelegen perceel Ockhuizenweg 5 is gevestigd, uit te breiden. Daartoe voorziet het plan op deze beide percelen in bedrijfsgebouwen met een oppervlakte van maximaal 3.550 m2 en door middel van een afwijkingsbevoegdheid in een vergroting met maximaal 1.000 m2.

In het bestemmingsplan "Buitengebied" is het perceel Ockhuizenweg 5, dat een oppervlakte heeft van 8.300 m2, bestemd tot "Bedrijf" met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - afvalverwerkingsbedrijf". Ingevolge artikel 6, lid 6.1.2, onder a, van de regels van dat plan mag de bebouwde oppervlakte op dit perceel niet meer bedragen dan 2.200 m2. Deze oppervlakte mag ingevolge lid 6.3.1, onder b, met maximaal 1.000 m2 worden vergroot. Het perceel Ockhuizenweg 3 is in dat plan bestemd tot "Agrarisch" met de aanduiding "intensieve veehouderij". In artikel 3, in het bijzonder lid 3.2.3, is de oppervlakte van dit perceel die mag worden bebouwd, niet beperkt. Dit betekent dat dit perceel, dat een oppervlakte beslaat van 9.900 m2, in zijn geheel mag worden bebouwd.

Gelet op het voorgaande voorziet het wijzigingsplan niet in een uitbreiding van de maximaal toegelaten oppervlakte aan bedrijfsbebouwing ten opzichte van het bestemmingsplan "Buitengebied" en derhalve niet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, hoewel het plan een wijziging van het gebruik van het perceel Ockhuizenweg 3 mogelijk maakt. Met deze planologische functiewijziging worden de bebouwingsmogelijkheden niet vergroot en vindt in zoverre geen nieuw beslag op de ruimte plaats. Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is dan ook niet van toepassing. Het betoog faalt.

Provinciale verordening

11. [appellant B] en anderen betogen dat het plan in strijd is met de artikelen 2.1, 2.2 en 11.6, leden 1 en 3, van de Verordening ruimte 2012 van de provincie Noord-Brabant (hierna: Verordening 2012), omdat de kwaliteitsverbetering van het landschap onvoldoende in het plan is verzekerd en omdat een categorie 3-bedrijf van meer dan 5.000 m² mogelijk wordt gemaakt. Voorts houdt de voorziene uitbreiding een verdubbeling van het bestaande bedrijfsterrein in en dit kan niet als een redelijke uitbreiding worden aangemerkt.

11.1. Het college stelt zich op het standpunt dat er geen strijd is met de Verordening 2012. Volgens het college is met het plan een kwaliteitsverbetering voldoende gewaarborgd. Het betreft een bestaand bedrijf waarvan de verplaatsing niet haalbaar is. Het is volgens het college dan ook wenselijk dat het bedrijf op één locatie wordt geconcentreerd, zodat de beschikbare ruimte beter kan worden benut. Verder ligt het plangebied in "zoekgebied verstedelijking". Het opnemen van een bedrijfsbestemming in plaats van een intensieve veehouderij is volgens het college op zichzelf al een kwaliteitsverbetering.

11.2. Uit paragraaf 3.2.2 van de plantoelichting blijkt dat het plan is getoetst aan de Verordening 2012. Ten tijde van het bestreden besluit was echter de Verordening ruimte 2014 (hierna: Verordening 2014) van kracht. Nu ten onrechte het bestreden besluit niet aan deze verordening is getoetst, komt het voor vernietiging in aanmerking. De Afdeling ziet aanleiding te onderzoeken of met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen in stand kunnen worden gelaten.

11.3. Ingevolge artikel 1, onder 1.72, van de Verordening 2014 wordt onder ruimtelijke ontwikkeling verstaan bouwactiviteiten en planologische gebruiksactiviteiten waarvoor een wijziging van het planologisch regime nodig is.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, wordt bij de toepassing van deze verordening, tenzij de strekking van de bepaling zich daartegen verzet dan wel in deze verordening uitdrukkelijk anders is aangegeven, onder bestemmingsplan tevens begrepen:

a. een wijzigings- of uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de Wet ruimtelijke ordening;

(…).

Ingevolge artikel 3.1, eerste lid, bevat de toelichting bij een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling een verantwoording dat:

a. het plan bijdraagt aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving, waaronder in ieder geval een goede inpasbaarheid;

b. toepassing is gegeven aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, houdt het principe van zorgvuldig ruimtegebruik als bedoeld in het eerste lid in ieder geval in dat een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied gebruik maakt van een bestaand bouwperceel, tenzij in deze verordening uitdrukkelijk anders is bepaald.

Ingevolge artikel 3.2, eerste lid, bepaalt een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk maakt, dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap, cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied of de omgeving.

Ingevolge artikel 4.4, eerste lid, bevat de toelichting bij een bestemmingsplan gelegen in bestaand stedelijk gebied dat voorziet in een ontwikkeling of een uitbreiding van een bedrijventerrein of een kantorenlocatie een verantwoording over de wijze waarop:

(…)

c. zorgvuldig ruimtegebruik op het terrein of de locatie wordt bevorderd.

Ingevolge het derde lid betreft de wijze waarop zorgvuldig ruimtegebruik bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt bevorderd, in het bijzonder het opnemen van regels:

a. om een gunstige verhouding tussen bruto en netto ruimtebeslag bij de inrichting van het bedrijventerrein of de kantorenlocatie te bevorderen;

(…).

Ingevolge artikel 4.6, eerste lid, bepaalt een bestemmingsplan gelegen in een kern in landelijk gebied dat een bouwperceel van een bedrijf ten hoogste 5.000 m2 bedraagt.

Ingevolge het tweede lid kan een bestemmingsplan in afwijking van het eerste lid voorzien in een vestiging of een uitbreiding van een bedrijf op een bouwperceel groter dan 5.000 m2, mits de toelichting daaromtrent een verantwoording bevat waaruit blijkt dat:

a. de financiële, juridische of feitelijke mogelijkheden ontbreken voor een bedrijf om op het in gebruik zijnde bouwperceel tegemoet te komen aan de ruimtebehoefte door middel van zorgvuldig ruimtegebruik als bedoeld in artikel 4.4, derde lid;

b. aantoonbare ruimtelijk-economische belangen voor de lange termijn aanwezig zijn die noodzaken tot uitbreiding of vestiging ter plaatse;

c. de financiële, juridische of feitelijke mogelijkheden ontbreken om het bedrijf te verplaatsen naar of te vestigen op:

I. een bedrijventerrein in een nabij gelegen stedelijk concentratiegebied; of

II. een nabijgelegen bovenregionaal bedrijventerrein; of

(…).

Ingevolge artikel 7.10, eerste lid, kan een bestemmingsplan dat is gelegen in gemengd landelijk gebied voorzien in een vestiging van een niet-agrarische functie, anders dan bepaald in de artikelen 7.7 tot en met artikel 7.9 mits:

a. de totale omvang van het bouwperceel van de beoogde ontwikkeling ten hoogste 5.000 m² bedraagt;

(…)

d. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een bedrijf, behorend tot de milieucategorie 3 of hoger;

(…)

i. de beoogde activiteit niet leidt tot een grootschalige ontwikkeling.

Ingevolge het tweede lid kan in afwijking van het eerste lid, onder a, d en i, een bestemmingsplan voorzien in een uitbreiding van een bestaande niet-agrarische functie, mits de toelichting een verantwoording bevat waaruit blijkt dat:

a. de beoogde uitbreiding in redelijke verhouding staat tot de bestaande omvang en/of bestaande aantallen bezoekers/overnachtingen;

b. overeenkomstige toepassing is gegeven aan artikel 4.6, tweede lid (uitbreiding bedrijven in kern landelijk gebied), indien vestiging van het bedrijf vanwege de aard van de activiteiten op een bedrijventerrein in de rede ligt;

c. de beoogde uitbreiding in redelijke verhouding staat tot de op grond van artikel 3.1 vereiste zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit.

11.4. In de toelichting bij het plan heeft het college verantwoord dat en op welke wijze de mogelijk gemaakte vergroting van de bedrijfsbestemming in het buitengebied gepaard zal gaan met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de kwaliteit van onder meer het landschap, zoals voorgeschreven in artikel 3.2, eerste lid, van de Verordening 2014. De toelichting bevat een verantwoording waaruit blijkt dat het plan voorwaarden bevat om een goede landschappelijke inpassing van de vergroting te verzekeren. Ook wat betreft de gestelde kwaliteitsverbetering op het perceel is een verantwoording in de plantoelichting gegeven. Er is verantwoord op welke wijze de uitbreiding van het afvalverwerkingsbedrijf landschappelijk zal worden ingepast. Gelet op het voorgaande is de uitbreiding van het afvalverwerkingsbedrijf niet in strijd met artikel 3.2, eerste lid, van de Verordening 2014.

11.5. Op de kaart behorende bij de Verordening 2014 ligt het plangebied in het gebied dat is aangewezen als gemengd landelijk gebied.

De Afdeling stelt vast dat het plan niet voldoet aan artikel 7.10, eerste lid, van de Verordening 2014, nu de totale omvang van het bouwperceel groter is dan 5.000 m² en de beoogde ontwikkeling leidt tot een bedrijf behorend tot milieucategorie 3 of hoger. De Afdeling ziet zich voor de vraag gesteld of kan worden voldaan aan de voorwaarden zoals zijn opgenomen in het tweede lid van artikel 7.10 van de Verordening 2014.

Het bouwperceel dat betrekking heeft op het perceel Ockhuizenweg 5, heeft een oppervlakte van bijna 5.000 m2. De oppervlakte van het bouwperceel dat ziet op het perceel Ockhuizenweg 3, bedraagt bijna 8.000 m2. De Afdeling is van oordeel dat het college er desondanks vanuit heeft mogen gaan dat de in het plan voorziene uitbreiding in redelijke verhouding staat tot de bestaande omvang van het bedrijf. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat het college bij zijn oordeel heeft betrokken dat het perceel, dat in het bestemmingsplan "Buitengebied" voor intensieve veehouderij was bestemd, ingevolge dat plan in zijn geheel, te weten 9.900 m2, mocht worden bebouwd en dat de mogelijkheden voor het bouwen van bedrijfsgebouwen op de percelen Ockhuizenweg 3 en 5 in het voorliggende wijzigingsplan zijn beperkt tot 3.550 m2, exclusief de mogelijkheid de maximaal toegelaten bebouwde oppervlakte nog te vergroten met maximaal 1.000 m2. Verder heeft het college in redelijkheid van belang kunnen achten dat het afvalverwerkingsbedrijf de beschikking heeft over 24 zware vrachtauto’s, die voor het parkeren en manoeuvreren een groot beslag leggen op de beschikbare ruimte bij het bedrijf.

Voorts blijkt uit de plantoelichting en de zienswijzenotitie dat het college in ogenschouw heeft genomen of het mogelijk is het bedrijf te verplaatsen. Het college is tot het oordeel gekomen dat verplaatsing naar een bedrijventerrein bedrijfseconomisch/financieel niet haalbaar is. Indien het bedrijf op één locatie is geconcentreerd, kan er volgens het college efficiënter worden gewerkt en kan de noodzakelijke ruimte beter worden benut, waardoor minder verkeersbewegingen noodzakelijk zijn. Ook kan er vanuit de bedrijfswoning toezicht worden gehouden. Tot slot heeft het college uiteengezet dat de beoogde uitbreiding in redelijke verhouding staat tot de op grond van artikel 3.1 van de Verordening 2014 vereiste zorgplicht, nu de intensieve veehouderij ter plaatse verdwijnt. Hierdoor wordt de ruimtelijke kwaliteit van het gebied bevorderd en dit levert kwaliteitsverbetering op. Daargelaten de vraag of de norm van artikel 7.10 van de Verordening 2014 strekt tot bescherming van de belangen van [appellant B] en anderen, is de Afdeling gelet op het voorgaande van oordeel dat het college voldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat het heeft voldaan aan de betreffende verplichting in de provinciale verordening. Het betoog faalt.

Verkeer en geluid

12. [appellant B] en anderen betogen dat de verkeersparagraaf in de plantoelichting op onjuiste uitgangspunten en verkeersgegevens is gebaseerd. Ter onderbouwing hiervan verwijzen zij naar het verkeerskundige advies van 25 november 2014 dat zij door het adviesbureau Accent adviseurs hebben laten opstellen en waarin het gemeentelijke verkeersonderzoek is beoordeeld. Volgens dit verkeerskundige advies is de berekening van de verkeersgeneratie onjuist, nu hierbij niet is uitgegaan van de totale oppervlakte van de beide percelen (1,82 ha), maar van de maximaal toegelaten oppervlakte aan bedrijfsgebouwen, zijnde 4.550 m2. Hierdoor komt het gemeentelijke verkeersonderzoek uit op te lage aantallen vrachtverkeer na de voorziene uitbreiding van het bedrijf. Ook heeft de verkeerstelling op de Sonniuswijk in het gemeentelijke verkeersonderzoek op de verkeerde plek plaatsgevonden. Omdat de berekening van de verkeersgeneratie onjuist is, wordt er volgens [appellant B] en anderen ten onrechte vanuit gegaan dat passeersituaties geen groot probleem gaan vormen. Volgens hen zullen op de Ockhuizenweg en de Sonniuswijk, die erg smal zijn, verkeersonveilige situaties ontstaan.

[appellant B] en anderen betogen voorts dat zij, gelet op de hogere aantallen vrachtwagens in verband met het afvalverwerkingsbedrijf, verwachten dat de geluidbelasting, met name ’s nachts, hoger zal zijn dan is toegestaan volgens de Wet geluidhinder. Voorts zijn de uitgangspunten in het akoestische onderzoek naar de indirecte hinder onjuist, omdat is gerekend met een te lage snelheid van het vrachtverkeer, aldus [appellant B] en anderen.

12.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de belasting van de Sonniuswijk en de Ockhuizenweg door het vrachtverkeer van en naar het afvalverwerkingsbedrijf in de huidige en in de voorziene situatie niet te hoog is en dat de verkeersveiligheid op deze wegen niet in gevaar wordt gebracht.

12.2. De huidige verkeersintensiteiten op de Sonniuswijk en de Ockhuizenweg zijn door middel van verkeerstellingen in beeld gebracht. De telapparatuur is op verschillende locaties op de Sonniuswijk en de Ockhuizenweg geplaatst. De Afdeling ziet geen aanleiding om te betwijfelen of de telapparatuur op de juiste locaties is geplaatst.

In paragraaf 4.5 van de plantoelichting wordt ingegaan op de mobiliteit en het parkeren in het plangebied en de omgeving daarvan. Het college is bij de berekening van de verkeersintensiteiten uitgegaan van de normen in publicatie 317 van oktober 2012 van het kennisplatform CROW. Conclusie is dat het aantal verkeersbewegingen van zware motorvoertuigen die van de Sonniuswijk en de Ockhuizenweg gebruik maken na de voorziene uitbreiding van het afvalverwerkingsbedrijf slechts in beperkte mate zal toenemen, namelijk van 48 naar 66 bewegingen per dag, en dat deze wegen, ondanks hun beperkte breedte, voldoende capaciteit hebben om de berekende hoeveelheid verkeer op een veilige wijze te kunnen afwikkelen.

Ter zitting zijn [appellant B] en anderen teruggekomen van hun standpunt dat bij de berekening van de verkeersgeneratie moet worden uitgegaan van de totale oppervlakte van de percelen Ockhuizenweg 3 en 5. Ter zitting hebben zij betoogd dat de verkeersgeneratie volgens hen bij nader inzien moet worden berekend op basis van de oppervlakte van het perceel Ockhuizenweg 3, waarop de uitbreiding is voorzien. De Afdeling is van oordeel dat indien de door [appellant B] en anderen bepleite wijze van berekening van de verkeersgeneratie zou worden gevolgd, de hiervoor aangegeven conclusie, gelet op de lage verkeersintensiteit op de Sonniuswijk, geen andere zou zijn.

Het betoog faalt.

12.3. Ten behoeve van het plan heeft het college akoestisch onderzoek verricht naar de geluidbelasting vanwege de voorgenomen bedrijfsactiviteiten op het terrein van [belanghebbende]. De resultaten daarvan zijn neergelegd in het rapport "Akoestisch onderzoek [belanghebbende], Ockhuizenweg 3-5 Son" van 24 februari 2012. Met betrekking tot de indirecte hinder heeft het college zich op basis van dit onderzoek op het standpunt gesteld dat er geen geluidhinder voor de bewoners langs de Sonniuswijk en de Ockhuizenweg zal ontstaan door het vrachtverkeer van en naar het afvalverwerkingsbedrijf. De Afdeling is van oordeel dat dit standpunt niet onjuist is. Dat in de aan het onderzoek ten grondslag liggende berekening is uitgegaan van een verkeerssnelheid van 35 km per uur, is niet in strijd met de in het onderzoek toegepaste standaardrekenmethode 1 van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012, nu deze snelheid in dit geval, gelet op de beperkte breedte van de Sonniuswijk en de Ochhuizenweg, representatief kan worden geacht. Voorts is wat betreft de gestelde geluidhinder van belang dat volgens het gemeentelijke verkeersonderzoek in de representatieve bedrijfssituatie ’s nachts geen zware en geen middelzware motorvoertuigen over deze wegen rijden in verband met het bedrijf. Het betoog faalt.

Slot

13. Gelet op het voorgaande is het beroep, voor zover dit is ingesteld door [appellant A], niet-ontvankelijk en voor zover dit is ingesteld door [appellant B] en anderen gegrond. De Afdeling ziet evenwel aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

14. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Wat betreft de kosten die zijn gemaakt voor het uitgebrachte deskundigenrapport, overweegt de Afdeling dat de kosten van de deskundige redelijkerwijs zijn gemaakt, nu het inroepen van die deskundige redelijk was en de deskundigenkosten zelf redelijk zijn. Voor de vergoeding van de kosten van het opstellen van een deskundigenrapport hanteert de Afdeling een forfaitair bedrag van € 75,00 per uur. Blijkens de stukken zijn aan het opstellen van het verkeersrapport acht uren besteed. Het te vergoeden bedrag voor het opstellen van dit deskundigenrapport bedraagt derhalve € 600,00. Voorts worden de verletkosten forfaitair vastgesteld op basis van vier uur.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep, voor zover dit is ingesteld door [appellant A], niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep, voor zover dit is ingesteld door de andere appellanten, gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Son en Breugel van 1 juli 2014, waarbij het wijzigingsplan "Buitengebied, Ockhuizenweg 3-5" is vastgesteld;

IV. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Son en Breugel tot vergoeding van de bij bedoelde appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.151,14 (zegge: tweeduizendhonderdeenenvijftig euro en veertien cent), waarvan € 980,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Son en Breugel aan bedoelde appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Kooijman

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2015

177-774.