Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2203

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-07-2015
Datum publicatie
15-07-2015
Zaaknummer
201409813/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2014:5745, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 november 2011 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het aan [appellant] toegekende voorschot kinderopvangtoeslag over 2011 herzien en op nihil gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201409813/1/A2.

Datum uitspraak:15 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 29 oktober 2014 in zaak nr. 14/491 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 2 november 2011 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het aan [appellant] toegekende voorschot kinderopvangtoeslag over 2011 herzien en op nihil gesteld.

Bij besluit van 3 februari 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het aan [appellant] toegekende voorschot kinderopvangtoeslag over 2010 herzien en op nihil gesteld, en de reeds betaalde voorschotten teruggevorderd.

Bij onderscheiden besluiten van 5 september 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aan [appellant] toegekende voorschotten kinderopvangtoeslag over 2008 en 2009 herzien en op nihil gesteld.

Bij besluit van 6 februari 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de door [appellant] gemaakte bezwaren tegen deze besluiten ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 oktober 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 juni 2015, waar [appellant], bijgestaan door mr. A. Alam-Khan, advocaat te Delft, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, werkzaam bij de dienst, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de Wet kinderopvang (hierna ook: Wko), zoals deze luidde ten tijde van belang, is op deze wet de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir), van toepassing.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, is de hoogte van de kinderopvangtoeslag afhankelijk van:

a. de draagkracht en

b. de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door:

1˚. het aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar,

2˚. de voor die kinderopvang te betalen prijs, met inachtneming van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, en

3˚. de soort kinderopvang.

Bij de wet van 7 juli 2010 tot wijziging van de Wet kinderopvang, de Wet op het onderwijstoezicht, de Wet op het primair onderwijs en enkele andere wetten in verband met wijzigingen in het onderwijsachterstandenbeleid (Stb. 2010, 296) is de citeertitel van de Wko met ingang van 1 augustus 2010 gewijzigd in Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (hierna: de Wkkp) en zijn de artikelen 1 tot en met 89 vernummerd tot 1.1 tot en met 1.89.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Awir verstrekt een belanghebbende de Belastingdienst/Toeslagen desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

2. [appellant] heeft in 2008, 2009 en 2010 gebruik gemaakt van gastouderopvang door tussenkomst van [gastouderbureau A]. In 2010 en 2011 heeft [appellant] verder gebruik gemaakt van gastouderopvang door tussenkomst van [gastouderbureau B].

3. De Belastingdienst/Toeslagen heeft aan het besluit van 6 februari 2014, voor zover van belang, ten grondslag gelegd dat [appellant] niet heeft aangetoond dat hij in de jaren 2008 tot en met 2011 daadwerkelijk kosten heeft gemaakt voor kinderopvang. Hij heeft daarom geen recht op voorschotten kinderopvangtoeslag over die jaren, aldus de dienst.

4. [appellant] heeft zijn betoog dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de Belastingdienst/Toeslagen ten onrechte ervan heeft afgezien hem te horen alvorens te beslissen op zijn bezwaren, ter zitting bij de Afdeling ingetrokken. Dit betoog behoeft derhalve geen bespreking meer.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de Belastingdienst/Toeslagen zich ten onrechte op het standpunt stelt dat hij niet heeft aangetoond kosten voor kinderopvang te hebben gemaakt. Hij stelt daartoe dat zijn toenmalige echtgenote werkzaam was bij [gastouderbureau A] en dat delen van haar salaris zijn verrekend met kosten voor opvang. [appellant] verwijst in dat verband naar de overeenkomst tussen [gastouderbureau A] en zijn voormalige echtgenote. [appellant] is verder niet verantwoordelijk voor de administratie van [gastouderbureau A]. Dat in de administratie van [gastouderbureau A] mogelijk lacunes zitten, kan hem derhalve niet worden aangerekend. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het beginsel van rechtszekerheid, aldus [appellant]. Tot slot heeft hij herziene jaaropgaven overgelegd, waaruit volgens hem blijkt dat alle kosten voor kinderopvang in de desbetreffende berekeningsjaren zijn voldaan.

5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 17 september 2014, in zaak nr. 201308898/1/A2) volgt uit artikel 18, eerste lid, van de Awir, gelezen in verbinding met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wko, dat degene die voor kinderopvangtoeslag in aanmerking wil komen, moet kunnen aantonen dat hij kosten voor kinderopvang heeft gehad en wat de hoogte ervan is. De Belastingdienst/Toeslagen baseert zich, in dit geval bij de berekening van de hoogte van het voorschot, op de tussen partijen gemaakte afspraken, die, gelet op artikel 52 van de Wko, vastgelegd dienen te zijn in een schriftelijke overeenkomst. Daarbij heeft de Belastingdienst/Toeslagen evenwel te kennen gegeven dat hij, gelet op het feit dat zich gedurende het toeslagjaar omstandigheden kunnen voordoen waardoor behoefte bestaat om van de in de schriftelijke overeenkomst vastgelegde afspraken af te wijken, bereid is de kinderopvangtoeslag te berekenen aan de hand van de aan hem doorgegeven gewijzigde afspraken. Een dergelijke wijziging van afspraken kan ook uit de jaaropgave blijken.

5.2. De stelling dat op de eerder in bezwaar en beroep overgelegde jaaropgaven uren kinderopvang zijn opgenomen die niet in rekening gebracht mochten worden, en dat uit herziene jaaropgaven volgt dat [appellant] wel alle kosten heeft voldaan, is eerst in hoger beroep naar voren gebracht. Niet valt in te zien waarom [appellant] zich in bezwaar noch beroep op de onjuistheid van de eerder verstrekte jaaropgaven heeft beroepen. Daarbij is van belang dat de brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, die volgens [gastouderbureau A] aanleiding is de jaaropgave te herzien, reeds van 9 september 2011 is. Deze brief bevat verder een toelichting op regelgeving die vanaf 2012 van toepassing zou zijn. De Belastingdienst/Toeslagen heeft ter zitting bij de Afdeling terecht het standpunt ingenomen dat, voor zover de inhoud van deze brief derhalve al aanleiding zou kunnen zijn de jaaropgaven te herzien, dat slechts zo kan zijn voor kinderopvang na 2012, terwijl in het geval van [appellant] de jaren 2008 tot en met 2011 aan de orde zijn. Tot slot heeft [appellant], zoals de Belastingdienst/Toeslagen ter zitting bij de Afdeling terecht heeft opgemerkt, geen melding gedaan van gewijzigde omstandigheden als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Awir, gelezen in verbinding met artikel 5, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsregeling Awir.

In het licht van het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt stelt dat aan de herziene jaaropgaven, gelet op het voorgaande, geen betekenis toekomt. Bij de beantwoording van de vraag of [appellant] heeft aangetoond dat hij de gestelde kosten van kinderopvang heeft gehad, moet derhalve worden uitgegaan van de eerder door [appellant] overgelegde jaaropgaven (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 13 mei 2015, in zaak nr. 201406727/1/A2).

5.3. Over 2008, 2009 en 2010 heeft [appellant] volgens de door hem overgelegde jaaropgaven € 26.352,00 onderscheidenlijk € 23.424,00 en € 20.760,00 aan kosten voor kinderopvang gemaakt.

In diezelfde berekeningsjaren heeft hij € 22.527,00 respectievelijk € 21.947,00 en € 17.598,00 aan voorschotten kinderopvangtoeslag ontvangen, die rechtstreeks op de rekeningen van [gastouderbureau A] en later [gastouderbureau B] zijn gestort.

Het voorgaande betekent dat [appellant] dient aan te tonen dat hij € 3.825,00 in 2008, € 1.477,00 in 2009 en € 3.162,00 in 2010 aan kosten heeft voldaan. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat [appellant] niet heeft aangetoond dat delen van het salaris van zijn toenmalige echtgenote zijn verrekend met de kosten die hij aan [gastouderbureau A] diende te voldoen. Uit de door hem - eerst in hoger beroep - overgelegde overeenkomst tussen zijn toenmalige echtgenote en [gastouderbureau A] blijkt niet dat haar salaris zal worden verrekend met eventuele kosten. Daarnaast ontbreken, zoals ook de rechtbank terecht heeft overwogen, loonspecificaties waaruit de inhouding van loon ten behoeve van de kinderopvang valt af te leiden. De rechtbank heeft, nu de door hem gestelde verrekening niet is aangetoond, daarom terecht geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt stelt dat [appellant] niet heeft aangetoond kosten te hebben gemaakt voor kinderopvang in 2008, 2009 en 2010 en daarom geen aanspraak heeft op voorschotten kinderopvangtoeslag over die berekeningsjaren.

5.4. Over 2011 heeft [appellant] volgens een aanvankelijk door hem overgelegde jaaropgave van [gastouderbureau B] in de periode januari 2011 tot en mei 2011 € 7.653,96 aan kosten voor kinderopvang gehad. Bij het aanvullend beroepschrift heeft [appellant] twee nieuwe jaaropgaven overgelegd. Uit deze jaaropgaven van [gastouderbureau B], gedateerd 10 maart 2013, volgt dat [appellant] in dezelfde periode van 2011 in totaal € 15.307,04 aan kosten voor kinderopvang heeft gehad. [appellant] heeft geen verklaring gegeven voor dit verschil en heeft ook niet kunnen aangeven welke versie de juiste bedragen en uren bevat, ook niet ter zitting bij de Afdeling. Nu de juistheid van één van die jaaropgaven niet is gebleken, heeft [appellant] niet aangetoond wat de kosten van kinderopvang zijn geweest, zodat hij ook niet heeft kunnen aantonen dat hij het totaalbedrag aan kosten van kinderopvang in 2011 tijdig heeft voldaan. De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen zich ook voor 2011 terecht op het standpunt stelt dat [appellant] geen aanspraak heeft op een voorschot kinderopvangtoeslag over dit berekeningsjaar.

5.5. Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, griffier.

w.g. Verheij w.g. Lodder

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2015

17-729.