Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2194

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-07-2015
Datum publicatie
15-07-2015
Zaaknummer
201410266/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2014:6259, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 juli 2013 heeft de korpschef aan [appellant] toestemming onthouden om voor een particuliere beveiligingsorganisatie werkzaamheden te verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201410266/1/A3.

Datum uitspraak: 15 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 7 november 2014 in zaak nr. 14/3094 in het geding tussen:

[appellant]

en

de korpschef van politie.

Procesverloop

Bij besluit van 17 juli 2013 heeft de korpschef aan [appellant] toestemming onthouden om voor een particuliere beveiligingsorganisatie werkzaamheden te verrichten.

Bij besluit van 11 april 2014 heeft de korpschef het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 november 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 11 april 2014 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 juni 2015, waar [appellant], bijgestaan door mr. V. Platteeuw, advocaat te Diemen, en de korpschef, vertegenwoordigd door mr. S. Maas, werkzaam bij de politie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 7, tweede lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (hierna: de Wpbr) stelt een beveiligingsorganisatie geen personen te werk die belast zullen worden met werkzaamheden, anders dan de leiding van de organisatie, dan nadat voor hen toestemming is verkregen van de korpschef.

Ingevolge het vierde lid wordt de toestemming onthouden, indien de desbetreffende persoon niet beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die voor het te verrichten werk nodig zijn.

2. Artikel 7, vierde lid, van de Wpbr, werd ten tijde van belang toegepast volgens het beleid dat is neergelegd in de Circulaire particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (hierna: de Cpbr).

Volgens paragraaf 2.1 wordt de toestemming aan personen, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wpbr, onthouden, indien:

a. de betrokkene binnen vier jaar voorafgaande aan het moment van toetsing bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf waarbij een geldboete is opgelegd, of;

b. de betrokkene binnen acht jaar voorafgaande aan het moment van toetsing bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf waarbij een vrijheidsstraf is opgelegd, of;

c. op grond van andere omtrent betrokkene bekende en relevante feiten kan worden aangenomen dat deze niet voldoende betrouwbaar of geschikt is voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau werkzaamheden te verrichten of de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak niet te schaden.

Volgens deze paragraaf gaat het er bij de toetsing aan punt c om dat de tewerkstelling van de betrokkene de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak niet mag schaden. Daarvan zal in het algemeen slechts sprake zijn, indien de betrokkene er blijk van heeft gegeven de rechtsregels naast zich neer te leggen, waarvan de overtreding beschouwd kan worden als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde. Ook tegen betrokkene opgemaakte processen-verbaal of rapporten kunnen ertoe leiden dat betrokkene niet voldoende betrouwbaar of geschikt wordt geacht om voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau te werken. Uiteraard is daarbij van belang dat tegen betrokkene nog altijd een serieuze verdenking bestaat.

Volgens paragraaf 2.1.1 kan de korpschef van de regio waar de organisatie of het recherchebureau dan wel een onderdeel daarvan is gevestigd van het hiervoor bepaalde afwijken indien, gelet op de aard van het strafbare feit, de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, de geringe kans op recidive en recente persoonlijke ontwikkelingen, toepassing daarvan een voor betrokkene onevenredig nadeel zou meebrengen ten opzichte van het daarmee te dienen belang.

3. Aan het in bezwaar gehandhaafde besluit om de gevraagde toestemming te onthouden, heeft de korpschef ten grondslag gelegd dat uit het Justitieel Documentatie Systeem blijkt dat [appellant] door de politie Flevoland als verdachte is gehoord naar aanleiding van een diefstal, dat aan [appellant] een geldboete is opgelegd wegens belediging en dat [appellant] op het inlichtingenformulier niet heeft vermeld dat hij met politie en justitie in aanraking is geweest.

4. [appellant] betoogt met betrekking tot de vermeende diefstal dat de rechtbank ten onrechte verscheidene processen-verbaal buiten beschouwing heeft gelaten. Indien deze processen-verbaal wel bij de beoordeling zouden zijn betrokken, zou de conclusie zijn geweest dat geen serieuze verdenking tegen [appellant] bestaat. In dit verband wijst [appellant] erop dat de zaak wat de diefstal betreft is geseponeerd met toepassing van code 01, hetgeen betekent dat [appellant] ten onrechte als verdachte is aangemerkt. Voorts voert [appellant] aan dat, gelet op de omstandigheden waaronder de belediging heeft plaatsgevonden, deze belediging niet kan worden aangemerkt als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde. Daarnaast wijst [appellant] erop dat hij het inlichtingenformulier niet onjuist heeft ingevuld, althans dat hij in de veronderstelling verkeerde dat hij geen strafrechtelijke feiten had gepleegd nu de belediging was afgedaan met een geldboete en de zaak wat de diefstal betreft was geseponeerd. Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank zijn persoonlijke omstandigheden onvoldoende in haar oordeel heeft betrokken en dat de rechtbank gelet op deze omstandigheden had moeten concluderen dat hij voldoende betrouwbaar kan worden geacht.

5. De in het kader van de strafrechtelijke procedure opgemaakte processen-verbaal kunnen in de bestuurlijke procedure een rol spelen (vergelijk de uitspraak van de voorzitter van de Afdeling van 6 juli 2012 in zaak nrs. 201205052/1 en 201205052/2). Dit geldt ook voor een proces-verbaal dat heeft geleid tot een sepot (vergelijk de uitspraak van 27 maart 2013 in zaak nr. 201208814/1). Paragraaf 2.1, aanhef en onder c, van de Cpbr laat de korpschef uitdrukkelijk ruimte om de weigering te baseren op feiten en omstandigheden die volgen uit de tegen [appellant] opgemaakte processen-verbaal en die niet hebben geleid tot een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling als bedoeld in artikel 2.1, aanhef en onder a en b. Voorts is de korpschef, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 maart 2013 in zaak nr. 201208814/1/A3), bevoegd zich bij de beoordeling of betrokkene beschikt over de vereiste betrouwbaarheid een zelfstandig oordeel te vormen over de verklaringen in de processen-verbaal en de feiten en omstandigheden die daaruit naar voren komen. Bovendien mogen, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 juni 2008 in zaak nr. 200705821/1), aan medewerkers in de beveiligingsbranche hogere eisen worden gesteld dan aan medewerkers in andere betrekkingen. Dit betekent dat de korpschef als maatstaf mag hanteren dat de betrouwbaarheid en integriteit van beveiligingsmedewerkers boven iedere twijfel verheven dient te zijn.

6. De Afdeling overweegt dat de korpschef zich in het besluit op bezwaar in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de wijze waarop [appellant] zich heeft gedragen in de garderobe van de supermarkt op 18 maart 2011 twijfels heeft doen rijzen omtrent zijn betrouwbaarheid. Daartoe is van belang dat in de aangifte van de eigenaar van de supermarkt, die dateert van 19 december 2011, staat dat hij zag dat [appellant] een tas in de garderobe opende, hij de portemonnee eruit pakte, deze opende en de portemonnee - die leeg was - weer terug stopte. In het door de opgeroepen verbalisant op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van bevindingen staat dat [appellant] op 18 maart 2011 tegenover hem bevestigde dat hij in de tas had gekeken en gevoeld, maar dat hij niks uit de tas had weggenomen en dat ook niet van plan was geweest. Desgevraagd heeft [appellant] aan de verbalisant verklaard dat hij ook niet wist waarom hij in de tas van een ander keek. Weliswaar heeft [appellant] enige tijd later, tijdens zijn verhoor op 12 december 2011, verklaard dat hij niet in de tas maar aan de tas heeft gezeten en dat de reden hiervoor was dat hij deze mooi vond, maar de korpschef heeft bij zijn oordeel omtrent de betrouwbaarheid van [appellant] in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan de op 18 maart 2011 en 19 december 2011 door [appellant] en de eigenaar van de supermarkt afgelegde verklaringen dan aan de op 12 december 2011 door [appellant] afgelegde verklaring. De omstandigheden dat de verbalisant heeft gesteld dat hij geen redelijk vermoeden had dat [appellant] zich schuldig had gemaakt aan een strafbaar feit, dat de garagedeur van de supermarkt altijd open staat en dat ook klanten van de supermarkt gebruik mogen maken van het toilet nabij de garderobe, zijn niet relevant voor voornoemd oordeel omtrent de betrouwbaarheid van [appellant], nu dit oordeel is gebaseerd op verklaringen omtrent het handelen van [appellant] op 18 maart 2011 en niet op de kwalificatie van dat handelen als strafbaar feit. Gelet hierop bestaat bovendien, anders dan [appellant] ter zitting heeft betoogd, geen grond voor het oordeel dat de onschuldpresumptie is geschonden. Anders dan [appellant] veronderstelt, moet de toelichting op de Circulaire voorts zo worden begrepen dat geen sprake behoeft te zijn van een serieuze verdenking in strafrechtelijke zin, maar van een serieuze verdenking dat betrokkene rechtsregels naast zich neerlegt, waarvan de overtreding beschouwd kan worden als tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde. Het zonder toestemming openen van een tas en portemonnee van een ander heeft de korpschef in redelijkheid als zodanig kunnen aanmerken.

7. Voorts heeft de korpschef zich wat de belediging betreft in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het gedrag van [appellant] niet past bij een beveiliger. Dat [appellant] destijds jong en onervaren was, de belediging in een vertrouwelijke sfeer onder collega’s heeft plaatsgevonden, de desbetreffende collega mede verantwoordelijk zou zijn voor de escalatie, hij zijn excuses heeft aangeboden aan een andere collega en zijn voormalige werkgever hem niet heeft gesanctioneerd, doet niet af aan de ernst van de belediging. Dat de belediging in 2010 is afgedaan met een geldboete betekent evenmin dat de korpschef hiermee geen rekening mocht houden.

8. Verder is van belang dat [appellant] het inlichtingenformulier niet naar waarheid heeft ingevuld op een onderdeel dat cruciaal is voor de beoordeling. Op onder meer de vragen of tegen [appellant] wel eens een proces-verbaal is opgemaakt en of hij wel eens een schikking met het openbaar ministerie is aangegaan, heeft [appellant] ontkennend geantwoord. Voor zover hij betoogt dat hij het inlichtingenformulier niet met opzet onjuist heeft ingevuld, wordt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 22 juli 2009 (in zaak nr. 200901585/1/H3) overwogen dat, mede gelet op de duidelijk geformuleerde vragen in het midden kan blijven of er sprake is van opzet; het onjuist invullen kan [appellant] in elk geval worden aangerekend.

9. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 29 april 2008 in zaak nr. 200707172/1) volgt uit het imperatieve karakter van artikel 7, vijfde lid (thans: vierde lid), van de Wpbr dat toepassing van de hardheidsclausule er niet toe mag leiden dat iemand die niet voldoet aan de eisen van betrouwbaarheid, toch te werk gesteld mag worden. Dit brengt mee dat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 4 juni 2014 in zaak nr. 201309625/1/A3), de hardheidsclausule niet kan worden toegepast indien, zoals in dit geval, aan het besluit tot het onthouden van toestemming ten grondslag is gelegd dat sprake is van een situatie als bedoeld in paragraaf 2.1, aanhef en onder c, van de Cpbr. Dit laat onverlet dat, zoals de Afdeling eveneens in deze uitspraak heeft overwogen, bij de beantwoording van de vraag of betrokkene niet voldoende betrouwbaar is als daar bedoeld, alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking dienen te worden genomen. In bezwaar heeft [appellant] onder meer aangevoerd dat hij beschikt over goede referenties en dat hij bekend staat als toegewijde collega. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen is de korpschef niet kenbaar ingegaan op deze persoonlijke omstandigheden. Deze omstandigheden zijn naar het oordeel van de Afdeling relevant voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van [appellant] en niet, zoals de rechtbank heeft overwogen, voor het beroep op de hardheidsclausule. Ter zitting bij de Afdeling heeft de korpschef te kennen gegeven dat deze persoonlijke omstandigheden alsmede de omstandigheid dat [appellant] stelt dat hij nadat de belediging heeft plaatsgevonden nog twee jaar naar tevredenheid heeft doorgewerkt, gelet op het relatief korte tijdsverloop niet maken dat de gerezen twijfels omtrent de betrouwbaarheid van [appellant] worden weggenomen. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat de korpschef zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. Hierbij wordt betrokken dat, anders dan [appellant] veronderstelt, de persoonlijke omstandigheden dat [appellant] zijn schoolopleiding heeft gericht op werk in de beveiliging, [appellant] getrouwd is, ten tijde van de bezwaarfase een tweede kind aanstaande was, [appellant] alle benodigde cursussen en certificaten heeft behaald en [appellant] thans werkloos thuis zit, niet relevant zijn voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van [appellant]. De rechtbank heeft ten slotte terecht overwogen dat de enkele stelling van [appellant] dat de kans op recidive nihil is, niet leidt tot de conclusie dat [appellant] voldoet aan de aan een beveiligingsmedewerker te stellen eisen van betrouwbaarheid.

10. Gelet op hetgeen is overwogen onder 5 tot en met 9 is de Afdeling - zij het op andere gronden - van oordeel dat de rechtbank terecht geen grond heeft gezien voor het oordeel dat de korpschef zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat [appellant] niet voldoende betrouwbaar of geschikt kan worden geacht als bedoeld in paragraaf 2.1, aanhef en onder c, van de Cpbr. Voorts heeft de rechtbank gelet op hetgeen is overwogen onder 9 terecht de rechtsgevolgen van het door haar vernietigde besluit van 11 april 2014 in stand gelaten.

11. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, voor zover aangevallen, met verbetering van de gronden waarop zij rust te worden bevestigd.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. D.J.C. van den Broek en mr. J.W. van de Gronden, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.P. van Kooten-Vroegindeweij, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Van Kooten-Vroegindeweij

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2015

559.