Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2190

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-07-2015
Datum publicatie
15-07-2015
Zaaknummer
201409189/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 februari 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de huurtoeslag van [appellant] over 2010 definitief berekend en vastgesteld op nihil en het reeds betaalde voorschot teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201409189/1/A2.

Datum uitspraak: 15 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 2 oktober 2014 in zaak nr. 14/2499 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 8 februari 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de huurtoeslag van [appellant] over 2010 definitief berekend en vastgesteld op nihil en het reeds betaalde voorschot teruggevorderd.

Bij besluit van 11 maart 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 oktober 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 juni 2015, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. H.H. Acun, advocaat te Tilburg, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, werkzaam aldaar, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Aan het besluit van 11 maart 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen ten grondslag gelegd dat [appellant] niet heeft aangetoond dat hij huurkosten heeft gemaakt voor de door hem bewoonde woning op het adres Calandhof 150 te Tilburg. Uit overgelegde bankafschriften is gebleken dat het totale bedrag dat [appellant] in 2010 aan de verhuurder heeft betaald nagenoeg gelijk is aan de ontvangen huurtoeslag, aldus de Belastingdienst/Toeslagen.

2. [appellant] betoogt tevergeefs dat de rechtbank eraan is voorbijgegaan dat de Belastingdienst/Toeslagen aan het besluit op bezwaar een andere motivering ten grondslag heeft gelegd dan aan het primaire besluit. Ingevolge artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht vindt, indien het bezwaar ontvankelijk is, op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats. De Belastingdienst/Toeslagen mocht met het besluit van 11 maart 2014 dan ook terugkomen van de aan het besluit van 8 februari 2013 ten grondslag gelegde motivering en de nihilstelling op een andere grond handhaven. De rechtbank heeft zich derhalve terecht beperkt tot de beoordeling van het besluit van 11 maart 2014 met de aan dat besluit ten grondslag gelegde motivering.

3. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen terecht de huurtoeslag over 2010 heeft vastgesteld op nihil, omdat hij niet heeft aangetoond dat hij huurkosten heeft gemaakt. Hiertoe voert [appellant] aan dat de Belastingdienst/Toeslagen hem eerder meermaals te kennen heeft gegeven dat hij voldeed aan de voorwaarden om voor huurtoeslag in aanmerking te komen. Door eerst jaren nadat de huurkosten zijn betaald om betalingsbewijzen te vragen, manoeuvreert de Belastingdienst/Toeslagen [appellant] in een onmogelijke bewijspositie. Het was aan de Belastingdienst/Toeslagen om tijdig correcte informatie te verschaffen over de voorwaarden die aan de aanspraak op toeslag zijn verbonden. Dat [appellant] nu niet meer in staat is sluitende betalingsbewijzen over te leggen van de contante huurbetalingen, kan hem dan ook niet worden aangerekend. Daarbij voert [appellant] aan dat de Belastingdienst/Toeslagen aangetoond had moeten achten dat hij de volledige huurkosten voor 2010 heeft betaald. Dat hij deze kosten heeft betaald, blijkt uit de verklaring van de verhuurder in samenhang bezien met de overgelegde bankafschriften. De rechtbank heeft niet gemotiveerd waarom dit niet voldoende bewijs oplevert, aldus [appellant].

3.1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder e, van de Wet op de huurtoeslag (hierna: Wht), wordt in deze wet en de bepalingen die daarop berusten onder huurtoeslag verstaan een tegemoetkoming van het Rijk als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder h, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) in de kosten van het huren van een woning.

Ingevolge artikel 1a, eerste lid, is op deze wet de Awir van toepassing, met uitzondering van artikel 6, eerste en tweede lid.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, wordt in deze wet en de bepalingen die daarop berusten onder rekenhuur de huurprijs verstaan die de huurder per maand is verschuldigd.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder h, van de Awir wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen, alsmede in inkomensafhankelijke regelingen, onder tegemoetkoming verstaan een financiƫle bijdrage van het Rijk op grond van een inkomensafhankelijke regeling.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, verstrekken een belanghebbende, een partner en een medebewoner de Belastingdienst/Toeslagen desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

3.2. Uit artikel 18, eerste lid, van de Awir, gelezen in samenhang met artikel 1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wht, volgt dat degene die aanspraak op huurtoeslag maakt, moet kunnen aantonen dat hij huurkosten heeft gemaakt en wat de hoogte is van deze kosten. De Belastingdienst/Toeslagen was dan ook bevoegd om, alvorens tot vaststelling van de huurtoeslag over te gaan, aan [appellant] gegevens te vragen waaruit blijkt welke bedragen hij aan de verhuurder heeft betaald. Hieruit volgt dat het aan [appellant], als degene die aanspraak maakt op huurtoeslag, is om een deugdelijke administratie van zijn betalingen aan de verhuurder bij te houden. De gevolgen van het feit dat hij geen betalingsbewijzen kan overleggen waaruit blijkt dat de volledige overeengekomen huurkosten zijn voldaan, komen dan ook voor zijn rekening en risico. De rechtbank heeft aan de enkele verklaring van de verhuurder - zijn vader - dat [appellant] de overeengekomen huur in het jaar 2010 heeft voldaan en dat de betaling zowel giraal als contant heeft plaatsgevonden terecht niet de waarde toegekend die [appellant] daaraan gehecht wenst te zien, omdat deze verklaring in ieder geval wat betreft de gestelde contante betalingen niet verifieerbaar is aan de hand van objectieve gegevens.

Voor zover [appellant] stelt dat de Belastingdienst/Toeslagen hem eerder heeft toegezegd dat hij aan de voorwaarden die aan de aanspraak op huurtoeslag zijn verbonden voldoet, kan dit hem niet baten, reeds omdat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hem een dergelijke toezegging is gedaan.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, griffier.

w.g. Van Ettekoven w.g. Poot

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2015

18-735.