Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2187

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-07-2015
Datum publicatie
08-07-2015
Zaaknummer
201408021/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 juni 2013 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201408021/1/V2.

Datum uitspraak: 3 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 4 september 2014 in zaak nr. 13/16348 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 24 juni 2013 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 4 september 2014 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. H. Martens, advocaat te Rotterdam, heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In de grieven klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat de door de vreemdeling gestelde bekering ongeloofwaardig is. Hij voert onder meer aan dat hij, anders dan de rechtbank heeft overwogen, deugdelijk heeft gemotiveerd dat de verklaringen van de vreemdeling over zijn proces van bekering geen blijk geven van een welbewuste en weloverwogen keuze zich te bekeren. Ook voert de staatssecretaris aan dat, gelet op onder meer de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2014 in zaak nr. 201401627/1/V2, geen grond bestaat voor het oordeel dat hij niet in redelijkheid aan die verklaringen doorslaggevend belang heeft kunnen hechten. Daarnaast heeft de rechtbank ten onrechte overwegende waarde toegekend aan het door de vreemdeling overgelegde rapport van een godsdienstpsycholoog van 20 juni 2013, aldus de staatssecretaris.

1.1. Zoals volgt uit de uitspraak van 24 mei 2013 in zaak nr. 201109839/1/V2 past de staatssecretaris een vaste gedragslijn toe bij het onderzoek naar de door een vreemdeling aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegde geloofsovertuiging. Deze vaste gedragslijn houdt in dat de staatssecretaris een vreemdeling vragen stelt die - voor zover toepasselijk in het concrete geval - grofweg worden onderverdeeld in vragen over de motieven voor en het proces van bekering, waaronder de betekenis en praktische uitvoering van een eventuele doop en doopplechtigheid, en over de persoonlijke betekenis van de bekering of de geloofsovertuiging voor een vreemdeling. Voorts betreft het vragen die betrekking hebben op algemene, basale kennis van de geloofsleer en geloofspraktijk. Ten slotte verwacht de staatssecretaris dat een vreemdeling die stelt dat kerkgang onderdeel is van zijn geloofsovertuiging, daarover vragen weet te beantwoorden, bijvoorbeeld waar de kerk zich bevindt die hij bezoekt, op welk tijdstip de dienst of de mis plaatsvindt, en hoe deze verloopt. Soortgelijke vragen stelt de staatssecretaris ook over andere door een vreemdeling genoemde uitingen van zijn gestelde geloofsovertuiging, zoals evangelisatieactiviteiten.

1.2. Zoals de staatssecretaris terecht aanvoert, bestaat geen grond voor het oordeel dat hij niet in redelijkheid in het besluit aan de verklaringen van de vreemdeling over zijn bekeringsproces doorslaggevend belang heeft kunnen hechten, zeker nu de vreemdeling afkomstig is uit Afghanistan, waar een bekering tot een andere dan de in dat land gangbare geloofsovertuiging maatschappelijk onacceptabel is (vergelijk voormelde uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2014).

1.3. Voorts heeft de staatssecretaris, anders dan besloten ligt in hetgeen de rechtbank heeft overwogen, aan zijn standpunt dat de vreemdeling zijn welbewuste en weloverwogen keuze niet inzichtelijk heeft gemaakt, niet alleen ten grondslag gelegd dat de vreemdeling zich had moeten verdiepen in de islam voordat hij zich bekeerde tot het christendom en dat de vreemdeling tijdens zijn vorige asielaanvraag had moeten verklaren over zijn problemen met de islam. De staatssecretaris voert terecht aan dat hij in het besluit aan dat standpunt ook ten grondslag heeft gelegd dat de verklaring van de vreemdeling dat hij vrolijk werd op het moment van zijn bekering, niet duidt op een weloverwogen keuze zich te bekeren. De staatssecretaris heeft voorts in het besluit aan zijn standpunt ten grondslag gelegd dat van de vreemdeling mocht worden verwacht dat hij over de betekenis van zijn doop gedetailleerder kon verklaren. Daarnaast heeft de staatssecretaris onder meer van belang geacht dat de vreemdeling niet kon verklaren over de betekenis van Pasen, terwijl hij stelt kort voor Pasen te zijn bekeerd en in de periode na zijn bekering meerdere malen per week naar de kerk te zijn gegaan, en wel een tweede, maar geen derde christelijke feestdag, zoals Kerstmis, heeft kunnen noemen. Reeds gelet op deze verklaringen en omstandigheden (vergelijk voormelde uitspraak van 24 mei 2013), bestaat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris zich niet in redelijkheid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling zijn bekering niet aannemelijk heeft gemaakt.

1.4. Voorts voert de staatssecretaris terecht aan dat de rechtbank ten onrechte overwegende waarde heeft toegekend aan het rapport van de godsdienstpsycholoog van 20 juni 2013. Immers, dat rapport kan weliswaar dienen ter staving van de bekering van de vreemdeling, maar laat de verantwoordelijkheid van de vreemdeling onverlet (ook) tegenover de staatssecretaris overtuigende verklaringen af te leggen met betrekking tot zijn bekering en het proces dat tot de bekering heeft geleid (zie de uitspraken van de Afdeling van 5 juni 2015 in zaak nr. 201410596/1/V2 en van 6 maart 2014 in zaak nr. 201311217/1/V2). Dit geldt ook voor de door de vreemdeling overgelegde verklaringen van de Stichting Perzische kerk Kores te Harderwijk van 9 januari 2014, de bijbelstudieleiders van de Farsi-Darigroep in Deventer van 4 oktober 2013 en van Stichting Gave van onbekende datum. De rapporten van Stichting Gave van april 2013 en van een scriba van de algemene synode van de Protestantse Kerk in Nederland van onbekende datum hebben een algemene strekking en zien niet op de persoon van de vreemdeling. Deze rapporten kunnen reeds hierom niet afdoen aan de onder 1.3. weergegeven conclusie. De zwager van de vreemdeling is geen objectieve bron, zodat ook zijn verklaring daaraan niet kan afdoen.

De grief slaagt.

2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep alsnog ongegrond verklaren.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 4 september 2014 in zaak nr. 13/16348;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Van Loon

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2015

572-691.