Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2178

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-07-2015
Datum publicatie
08-07-2015
Zaaknummer
201500120/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 december 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2015/242

Uitspraak

201500120/1/V3.

Datum uitspraak: 1 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen (hierna: de rechtbank), van 30 december 2014 in zaken nrs. 14/28100 en 14/28101 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 10 december 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 30 december 2014 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De vreemdeling heeft op 3 september 2014 in Nederland een asielaanvraag ingediend. Niet in geschil is dat Italië op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (PbEU 2013 L180; hierna: de Dublinverordening), verantwoordelijk is voor de behandeling van de in Nederland ingediende asielaanvraag.

2. In de enige grief klaagt de staatssecretaris onder meer dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij onvoldoende heeft gemotiveerd dat het rapport 'Undocumented Justice for Migrants in Italy' van The International Commission of Jurists, van oktober 2014 (hierna: het rapport) geen aanknopingspunten biedt voor de conclusie dat ten aanzien van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Hiertoe voert de staatssecretaris aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij in het besluit van 10 december 2014 heeft overwogen dat het rapport ziet op de juridische bijstand van vreemdelingen in een gerechtelijke procedure in de fase van uitzetting en detentie en niet valt in te zien om welke reden in het besluit vooruitgelopen zou moeten worden op gestelde toekomstige gebeurtenissen zoals mogelijke juridische procedures nu de asielprocedure van de vreemdeling nog niet is aangevangen. Daarbij voert de staatssecretaris aan dat de enkele omstandigheid dat in Italië in de rechtspraak een taak is toebedeeld aan zogenoemde vrederechters geen reden vormt voor twijfel aan het bestaan van een effectief rechtsmiddel voor de vreemdeling in dit land.

3. Het rapport heeft, gelet op de door de rechtbank voor haar oordeel van belang geachte passage, alsmede andere passages, betrekking op de vraag of ongedocumenteerde migranten die niet in een asielprocedure zitten in Italië de mogelijkheid hebben in een gerechtelijke procedure te klagen over hun uitzetting en inbewaringstelling en of die procedure bij een vrederechter met voldoende waarborgen is omkleed om te voorkomen dat Italië bij uitzetting van een vreemdeling het refoulementverbod schendt.

Eveneens volgt uit die door de rechtbank van belang geachte passage van het rapport dat, indien asielzoekers in rechte opkomen tegen de afwijzing van hun asielverzoek, professionele rechters verantwoordelijk zijn voor de rechterlijke toetsing van beslissingen in de asielprocedure.

3.1. De vreemdeling heeft in Nederland een asielaanvraag ingediend en na overdracht aan Italië zal deze aanvraag in de Italiaanse asielprocedure worden behandeld. De eventuele vrees van de vreemdeling voor een schending van het refoulementverbod bij terugkeer naar het land van herkomst kan zij in die asielprocedure aan de orde stellen en deze vrees zal, gelet op hetgeen onder 3. is overwogen, in het geval van een rechterlijke toetsing door professionele rechters en niet door vrederechters worden beoordeeld. Uit het rapport volgt niet dat deze professionele rechters bij hun oordeel onvoldoende rekening houden met het refoulementverbod. Het rapport biedt dan ook geen grond voor het oordeel dat in Italië sprake is van ernstige, structurele tekortkomingen in de asielprocedure, zodanig dat door overdracht van de vreemdeling een situatie zal ontstaan die strijdig is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en de staatssecretaris zich om die reden niet mocht beroepen op het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Voor de staatssecretaris bestond om die reden geen aanleiding in het besluit uitvoeriger op het rapport in te gaan dan hij thans heeft gedaan. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte geoordeeld dat de staatssecretaris onvoldoende heeft gemotiveerd dat het rapport geen aanknopingspunten biedt voor de conclusie dat ten aanzien van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.

De grief slaagt.

4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. Hetgeen de staatssecretaris overigens heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Aan de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgrond komt de Afdeling niet toe. Over die grond heeft de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin bestaat nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die grond, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop deze betrekking heeft, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgrond valt thans dientengevolge buiten het geschil.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 30 december 2014 in zaak nr. 14/28100;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Verbeek

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2015

574-750.