Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2176

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-06-2015
Datum publicatie
08-07-2015
Zaaknummer
201406502/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 2 juli 2014 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Deze besluiten zijn aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201406502/1/V3.

Datum uitspraak: 30 juni 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond (hierna: de rechtbank), van 29 juli 2014 in zaken nrs. 14/15574, 14/15581, 14/15576 en 14/15582 in het geding tussen:

[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 2 juli 2014 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 29 juli 2014 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris nieuwe besluiten op de aanvragen neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In zijn grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij voorafgaand aan en tijdens het gehoor aanmeldfase de vreemdelingen onvoldoende heeft geïnformeerd over de mogelijkheid dat op grond van Verordening (EU) 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (PbEU 2013 L 180; hierna: de Dublinverordening) een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvragen en dat hij de vreemdelingen eveneens onvoldoende heeft gewezen op de mogelijkheid documenten over te leggen die in dit kader van belang kunnen zijn. Daartoe betoogt hij onder meer dat aan de vreemdelingen de brochures 'Voordat uw asielprocedure begint' en 'Welk land is verantwoordelijk voor uw asielaanvraag?' zijn uitgereikt, dat de intentie om een Dublinprocedure op te starten reeds bij het gehoor aanmeldfase duidelijk was evenals het belang van tijdig overleggen van relevante documenten en dat de vreemdelingen over rechtsbijstand van VluchtelingenWerk Nederland konden beschikken.

Daarnaast klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij de door de vreemdelingen na het eerste gehoor overgelegde documenten, waarmee zij hebben beoogd hun gestelde terugkeer naar Iran te onderbouwen, ten onrechte niet aan de Franse autoriteiten heeft voorgelegd. In dat kader betoogt hij, onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van 10 december 2013 in zaak C-394/12, Shamso Abdullahi tegen Bundesasylamt (ECLI:EU:C:2013:813; hierna: het arrest Abdullahi), dat de door de vreemdelingen na totstandkoming van het claimakkoord overgelegde documenten niet alsnog aan de Franse autoriteiten voorgelegd hoefden te worden.

1.1. Niet in geschil is dat de vreemdelingen op 22 december 2013 door de buitenlandse vertegenwoordiging van Frankrijk in Teheran in het bezit zijn gesteld van een Schengenvisum dat geldig was van 26 december 2013 tot 25 januari 2014. Evenmin is in geschil dat de vreemdelingen met gebruikmaking van dat visum in december 2013 Frankrijk zijn ingereisd.

De vreemdelingen stellen op 4 januari 2014 te zijn teruggekeerd naar Iran. Voorts stellen zij op 2 april 2014 uit Iran te zijn vertrokken en illegaal naar Nederland te zijn gereisd.

1.2. Aan de vreemdelingen is bij hun aanmelding de brochure 'Voordat uw asielprocedure begint' overhandigd, waarin onder meer wordt gewezen op het belang van het bij de registratie van de vreemdelingen reeds overleggen van alle voor de beoordeling van de aanvraag relevante documenten. Vervolgens heeft op 19 april 2014 een gehoor aanmeldfase met de vreemdelingen plaatsgevonden, waarbij aan de vreemdelingen is medegedeeld dat dit gehoor ziet op de vaststelling welk land verantwoordelijk is voor de behandeling van hun asielaanvragen en zij erop zijn gewezen dat, indien zij enig document in hun bezit hebben hetwelk hun reisverhaal kan ondersteunen, zij dit dienen over te leggen. Voorts is aan de vreemdelingen, in overeenstemming met het derde lid van artikel 4 van de Dublinverordening, de brochure 'Welk land is verantwoordelijk voor uw asielaanvraag' met uitleg over de Dublinprocedure uitgereikt. Daarbij is uitgelegd dat in die brochure informatie wordt verstrekt over de doelstelling van de Dublinverordening en over de criteria voor het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat.

Bij het gehoor aanmeldfase hebben de vreemdelingen geen documenten of andere bewijsmiddelen overgelegd ter onderbouwing van hun gestelde terugkeer naar Iran. Op de vraag of zij documenten hebben, die niet reeds zijn ingenomen, maar die zij wel over willen leggen, hebben zij ontkennend geantwoord.

1.3. Uit de hiervoor beschreven handelwijze van de staatssecretaris kan, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet worden geconcludeerd dat de vreemdelingen onvoldoende zijn geïnformeerd over de mogelijke toepassing van de Dublinverordening, dan wel over het belang van het tijdig overleggen van documenten of andere voor de beoordeling van hun aanvragen relevante bewijsmiddelen.

De grief slaagt in zoverre.

2. Voorts is niet in geschil dat de Franse autoriteiten het overnameverzoek, naar mag worden aangenomen na het verrichten van de naspeuringen die artikel 22, eerste lid, van de Dublinverordening van de aangezochte lidstaat verlangt, op 23 juni 2014 hebben geaccepteerd.

Zoals de voorzieningenrechter van de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 10 december 2014 in zaken nrs. 201408762/1/V3 en 201408762/2/V3) volgt uit het arrest Abdullahi dat een asielzoeker met een beroep tegen een beslissing om een asielverzoek niet te behandelen, zoals bedoeld in artikel 26, tweede lid, van de Dublinverordening, niet kan opkomen tegen de toepassing van een criterium ter vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat indien de aangezochte lidstaat heeft ingestemd met een verzoek tot overname, omdat de bepalingen van hoofdstuk III van de Dublinverordening een asielzoeker geen rechten verlenen die hij kan inroepen in een dergelijke procedure. Dit uitgangspunt lijdt slechts uitzondering indien die asielzoeker zich beroept op het bestaan van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in de aangezochte lidstaat die ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat de asielzoeker een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Nu de documenten die de vreemdelingen na de totstandkoming van het claimakkoord in de procedure hebben overgelegd geen betrekking hebben op aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk, kon daarmee niet worden afgedaan aan de vaststelling van Frankrijk als verantwoordelijke lidstaat en behoefden deze documenten, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet alsnog aan de Franse autoriteiten te worden voorgelegd.

Ook in zoverre slaagt de grief.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling de beroepen tegen de besluiten van 2 juli 2014 alsnog ongegrond verklaren.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 29 juli 2014 in zaken nrs. 14/15574 en 14/15581;

III. verklaart de door de vreemdelingen bij de rechtbank in die zaken ingestelde beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Verbeek

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2015

574.