Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2172

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-06-2015
Datum publicatie
08-07-2015
Zaaknummer
201406077/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 april 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Landelijk gebied Schagen" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2015/252
JBO 2015/276 met annotatie van D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201406077/1/R1.

Datum uitspraak: 29 juni 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats], [gemeente],

2. [appellant sub 2], wonend te Schagen,

3. [appellant sub 3], wonend te Schagen,

4. [appellant sub 4], wonend te Heerhugowaard,

5. [appellant sub 5], wonend te Schagen,

6. De maatschap [appellant sub 6A], gevestigd te Schagen, waarvan de maten zijn [maat A] en [maat B], beiden wonend te Schagen (thans haar rechtsopvolger: de vennootschap onder firma VOF [appellant sub 6B], gevestigd te Waarland, waarvan de vennoten zijn [vennoot A], [vennoot B] en [vennoot C], allen wonend te Waarland, gemeente Schagen) (hierna: [appellant sub 6]),

7. [appellant sub 7], wonend te [woonplaats], [gemeente],

appellanten,

en

de raad van de gemeente Schagen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 22 april 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Landelijk gebied Schagen" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6] en [appellant sub 7] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: StAB) heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht met betrekking tot de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2].

[appellant sub 1], [appellant sub 2] en de raad hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 mei 2015, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. S. Essakkili, werkzaam bij DAS rechtsbijstand, [appellant sub 2], bijgestaan door drs. S.A.N. Geerling, werkzaam bij SRK Rechtbijstand, [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 6], vertegenwoordigd door [vennoot A], bijgestaan door [appellant sub 4], [appellant sub 7], bijgestaan door [appellant sub 4], en de raad, vertegenwoordigd door mr. M. Mooij, drs. M. Achterkamp, beiden werkzaam voor de gemeente, en ing. H.A. Struiken Boudier, werkzaam bij de regionale uitvoeringsdienst, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [partij], vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door [gemachtigde], als partij gehoord.

Overwegingen

Het toetsingskader

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het plan

2. Het bestemmingsplan voorziet in een actualisering van het juridisch planologische regime voor het buitengebied van Schagen.

De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2]

3. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben hun beroepsgronden over aantasting van het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen (hierna: het Natura 2000-gebied) ter zitting ingetrokken.

4. De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] zijn gericht tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden" en de aanduidingen "bouwvlak" en "specifieke vorm van agrarisch - biologische varkenshouderij" ter plaatse van het perceel [locatie 3]. Ter plaatse van dit plandeel is de varkenshouderij van [partij] gevestigd. [appellant sub 1] woont schuin tegenover dit plandeel op het perceel [locatie 1]. [appellant sub 2] woont in de nabijheid van dit plandeel op het perceel [locatie 2].

4.1. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat ten onrechte is voorzien in uitbreiding van het bouwvlak. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] voeren aan dat het plan leidt tot onaanvaardbare geurhinder. [appellant sub 1] betoogt dat de raad ten onrechte niet heeft onderkend dat deze uitbreiding leidt tot een overschrijding van de geurnorm van 8 OUE/m³ bij zijn woning. Hiertoe voert [appellant sub 1] aan dat de raad bij de berekening van de geurbelasting bij zijn woning ten onrechte is uitgegaan van een ruwheidslengte van de omgeving van 0,22 in plaats van 0,14. In dit kader wijst hij op de nota van De Roever omgevingsadvies van 25 februari 2014 (hierna: het tegenonderzoek). Indien wordt uitgegaan van een ruwheidslengte van 0,14 zal de geurbelasting bij zijn woning niet 8 OUE/m³, maar 10,2 OUE/m³ bedragen. [appellant sub 2] betoogt dat de varkens ten onrechte niet uitsluitend binnen mogen worden gehouden. Hierdoor verwacht hij een grotere geuroverlast. Voorts betoogt hij dat ten onrechte geen verplichting bestaat tot het aanbrengen van luchtfilters.

Voorts brengt de enkele omstandigheid dat bij hun woningen wordt voldaan aan de geurnorm volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 2] niet met zich dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op hun percelen is gewaarborgd. Ook de invloed van overige in de omgeving aanwezige veehouderijen moet volgens hen bij die beoordeling worden betrokken hetgeen de raad ten onrechte heeft nagelaten.

4.2. De raad stelt dat bij de berekening van de geurbelasting gebruik is gemaakt van het verspreidingsmodel "V-Stacks vergunning". Hierbij is de ruwheidslengte berekend voor een gebied van 2 x 2 km rondom het geometrisch gemiddelde van de geurbronnen. De raad stelt zich op het standpunt dat wordt voldaan aan de geurnorm van artikel 3, eerste lid, onder d, van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv). De raad stelt zich op het standpunt dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van de percelen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] aanvaardbaar is.

4.3. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder h, van de planregels zijn de voor "Agrarisch met waarden" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - biologische varkenshouderij" bestemd voor een biologische varkenshouderij, met dien verstande dat maximaal 1185 vleesvarkens, 60 kraamzeugen, 140 guste en dragende zeugen, 30 opfokzeugen, een dekbeer en 800 gespeende biggen gehouden mogen worden.

4.4. Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wgv wordt een omgevingsvergunning met betrekking tot een veehouderij geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object, gelegen buiten een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom meer bedraagt dan 8,0 OUE/m³.

4.5. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Regeling geurhinder en veehouderij wordt de geurbelasting vanwege een veehouderij berekend met inachtneming van het verspreidingsmodel "V-Stacks vergunning".

4.6. In de "Gebruikershandleiding V-Stacks vergunning", versie 2010.1 (hierna: Gebruikershandleiding), is aangegeven hoe de invoergegevens bij het verspreidingsmodel moeten worden bepaald. In de Gebruikershandleiding staat dat het programma de ruwheid berekent op een standaard wijze in een vierkant begrensd rekengebied van 2 bij 2 km met de veehouderij als middelpunt van dit rekengebied. In de Gebruikershandleiding staat voorts dat de ruwheidslengte een norm is voor de ruwheid van de omgeving. Hoe ruwer de omgeving is, hoe groter de ruwheidslengte is en hoe meer verspreiding en verdunning van de geur plaatsvindt. In de Gebruikershandleiding staat dat sterk wordt aanbevolen om het programma zelf de ruwheid te laten berekenen voor het opgegeven gebied. Het programma gebruikt voor de ruwheidsberekening een meegeleverd kwalitatief hoogstaand bestand voor Nederland, welk bestand is gebaseerd op de situatie in de periode 1995 tot 1997. Als alternatief heeft de gebruiker de mogelijkheid om te rekenen met een zelf gekozen ruwheid. Een reden om een afwijkende ruwheid in te voeren kan zijn dat de situatie ingrijpend is gewijzigd door bijvoorbeeld de bouw van een nieuwe woonwijk, de realisatie van een bedrijventerrein of de sloop van een groot aantal gebouwen na 1997. Ook kan het zijn dat sprake is van een nog te realiseren bouwproject. Alleen aanzienlijk meer of minder bebouwing is van invloed op de ruwheid. Een enkele woning die erbij is gekomen of gesloopt, is niet relevant voor de ruwheid.

4.7. In de ruimtelijke onderbouwing [locatie 3] van 6 maart 2013 opgesteld door Oranjewoud (hierna: de ruimtelijke onderbouwing) staat dat bij de berekening van de geurbelasting gebruik is gemaakt van het verspreidingsmodel "V-Stacks vergunning". In de ruimtelijke onderbouwing wordt uitgegaan van een ruwheidslengte van 0,22.

In de ruimtelijke onderbouwing staat dat bij de woning van [appellant sub 1] een geurbelasting van 8,0 OUE/m³ en bij de woning van [appellant sub 2] een geurbelasting van 3,0 OUE/m³ is berekend.

4.8. In het deskundigenbericht staat dat de manier waarop de ruwheidslengte is berekend, in overeenstemming is met de Gebruikershandleiding. Voorts staat in het deskundigenbericht dat de situatie in de omgeving van het varkensbedrijf na 1995-1997 niet ingrijpend is gewijzigd en dat tijdens het gesprek met vertegenwoordigers van de gemeente is aangegeven dat in de nabije omgeving van het varkensbedrijf geen dieren worden gehouden met geuremissiefactoren. [appellant sub 1] heeft niet gewezen op de aanwezigheid van veehouderijen in de omgeving waar dieren worden gehouden met geuremissiefactoren.

4.9. In de reactie van [appellant sub 1] op het deskundigenbericht van 12 januari 2014 opgesteld door De Roever (hierna: de reactie) staat dat de ruwheid over een gebied van 2 bij 2 km wordt berekend waarbij de varkenshouderij als middelpunt geldt. Het betreft derhalve een gemiddelde ruwheid over dit gebied. Dit gebied bevat een aanzienlijk deel van de bebouwde kom van Schagen waardoor de ruwheidslengte die automatisch wordt gegenereerd hoog is. Deze bebouwde kom ligt ten zuiden van de varkenshouderij, terwijl de woningen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] ten noorden van de varkenshouderij liggen. De bebouwde kom heeft derhalve geen invloed op de geurimmissie bij de woningen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2], maar de aanwezigheid van deze bebouwde kom is wel van invloed op de berekende gemiddelde ruwheid van het gebied. Dit geeft volgens de reactie geen representatief beeld van de ruwheidslengte tussen de varkenshouderij en de woningen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2]. In het tegenonderzoek staat dat het gebied van 2 bij 2 km rondom de woning van [appellant sub 1] representatiever is voor het bepalen van de ruwheid dan het gebied rondom de veehouderij. In dat geval is sprake van een ruwheidslengte van 0,14.

4.10. In de notitie "berekeningen NNM, [locatie 3] Schagen" van 22 april 2015, opgesteld door Witteveen+Bos in opdracht van [appellant sub 1], zijn berekeningen gemaakt met behulp van het Nieuw Nationaal Model. Hierbij is gebruik gemaakt van het model GeoMilieu, module STACKS-G (versie 2.62, DGMR). In de notitie staat dat is gerekend met een op de gebruikelijke manier berekende ruwheidslengte van 0,2488 en een lagere ruwheidslengte van 0,0509. Deze laatste is bepaald op basis van een gebied van 2 bij 2 km waarbij er geen invloed is van de woonbebouwing van Schagen. In de conclusie staat dat bij berekeningen met een ruwheid van 0,0509 er overschrijding plaatsvindt van de 8 OUE/m³ als 98 percentiel ter plaatse van de woning van [appellant sub 1].

4.11. Vast staat dat de raad geen verordening in de zin van artikel 6, eerste lid, van de Wgv heeft vastgesteld. Voorts staat vast dat de raad zich heeft aangesloten bij de geurnorm zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, Wgv. Het perceel [locatie 3] ligt buiten de bebouwde kom en buiten een concentratiegebied als bedoeld in artikel 1 van de Wgv.

4.12. Anders dan [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat in de ruimtelijke onderbouwing is uitgegaan van een onjuiste ruwheid. De door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] gewenste benadering waarbij hun eigen woningen als middelpunt worden gebruikt, strookt niet met de methodiek die in de Gebruikershandleiding wordt voorgeschreven. In de Gebruikershandleiding staat namelijk dat een gebied van 2 bij 2 km rondom de varkenshouderij als middelpunt moet worden ingevoerd. Voorts is niet in geschil dat de situatie in de omgeving van het varkensbedrijf na 1995-1997 niet ingrijpend is gewijzigd. De omstandigheid dat een gedeelte van de bebouwde kom bij de berekende ruwheidslengte van 0,22 is betrokken, terwijl deze feitelijk niet op de geurimmissie bij de woningen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] van invloed is, betreft geen reden om een afwijkende ruwheid in te voeren. Nu het verspreidingsmodel rekent met een gemiddelde ruwheid van het gebied, moet een dergelijke omstandigheid in de Gebruikershandleiding geacht worden te zijn verdisconteerd. Dat in de reactie en in de notitie van Witteveen en Bos wordt geconcludeerd dat een lagere ruwheidslengte betekent dat ter plaatse van de woningen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] sprake zal zijn van een hogere geurbelasting biedt evenmin aanleiding voor het oordeel dat de raad niet heeft mogen uitgaan van de in de ruimtelijke onderbouwing gehanteerde ruwheidslengte. Deze omstandigheid zegt niets over de juistheid van de gehanteerde ruwheidslengte. Voor het oordeel dat de raad in zoverre niet mocht uitgaan van de ruimtelijke onderbouwing, bestaat derhalve geen aanleiding. Daarmee heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat bij de woningen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] wordt voldaan aan de geurnorm van artikel 3, eerste lid, onder d, van de Wgv.

4.13. In de uitspraak van 6 januari 2010 in zaak nr. 200807852/1/R2, heeft de Afdeling ten aanzien van de toepassing van de Wgv evenwel geoordeeld dat ook indien de voor veehouderijen toepasselijke individuele geurnorm niet wordt overschreden, er niet zonder meer van kan worden uitgegaan dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd.

4.14. Niet in geschil is dat de overige veehouderijen in de nabije omgeving van het varkensbedrijf uitsluitend veehouderijen met dieren zonder emissiefactor zijn en dat de dichtstbijzijnde veehouderij is gelegen op een afstand van ongeveer 795 m. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de invloed van deze veehouderijen op het woon- en leefklimaat van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] verwaarloosbaar is. De raad heeft zich gelet hierop in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ter plaatse van de woningen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] kan worden voorzien in een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Het betoog faalt in zoverre.

4.15. Nu de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat ter plaatse van het perceel van [appellant sub 2] sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, heeft de raad in redelijkheid kunnen afzien van een bepaling die er toe strekt om varkens uitsluitend binnen te houden en van een verplichting die ertoe strekt dat luchtfilters aangebracht moeten worden.

Het betoog faalt.

5. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen voorts dat de uitbreiding van de veehouderij leidt tot onaanvaardbare geluidsgevolgen ter plaatse van hun percelen. Hiertoe voert [appellant sub 1] aan dat het geluid van de afvoer van vleesvarkens tot onaanvaardbare hinder leidt. [appellant sub 2] betoogt dat de raad ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan naar de geluidsgevolgen die dit plan heeft voor zijn woning. Hij voert in dit kader aan dat een onderzoek dat is gedaan voor een nabij gelegen woning onvoldoende is om aan te nemen dat ter plaatse van zijn woning aan de geluidgrenswaarden wordt voldaan. Door de watervlakte die is gelegen tussen het perceel van [appellant sub 2] en het bestreden plandeel die een ongehinderde geluidsoverdracht tot gevolg heeft en de overwegend zuidwestelijke windrichting, is het gemeten geluidsniveau ter plaatse van de nabijgelegen woning niet representatief voor het geluidsniveau ter plaatse van zijn woning, aldus [appellant sub 2].

5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de geluidsbelasting op de woning op het perceel [locatie 1] is onderzocht. De woning op het perceel [locatie 1] ligt dichterbij het bestreden plandeel dan de woning van [appellant sub 2]. Nu ter plaatse van deze woning aan de geluidgrenswaarden wordt voldaan, gaat de raad er van uit dat ter plaatse van de woning op het perceel van [appellant sub 2] eveneens aan de geluidgrenswaarden wordt voldaan. Naar aanleiding van het beroep van [appellant sub 2] is aanvullend akoestisch onderzoek gedaan waarin deze conclusie is bevestigd.

5.2. In het rapport "Akoestisch onderzoek [locatie 3] te Schagen" van 1 maart 2013, opgesteld door Agrifirm (hierna: akoestisch onderzoek), staat dat in de representatieve bedrijfssituatie de afvoer van varkens is betrokken. De afvoer van vleesvarkens en incidenteel oude zeugen vindt hoogstens één maal per week plaats. De afvoer van vleesvarkens vindt in de nachtperiode plaats. In het akoestisch onderzoek staat voorts dat ter plaatse van het perceel van [appellant sub 1] wordt voldaan aan de geluidgrenswaarden voor de dag-, avond- en nachtperiode voor zowel de directe hinder als de indirecte hinder als gevolg van de uitbreiding van de varkenshouderij.

5.3. Anders dan [appellant sub 1] stelt is de afvoer van vleesvarkens in het onderzoek betrokken. De conclusie van dit onderzoek heeft [appellant sub 1] niet gemotiveerd betwist. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich op het akoestisch onderzoek mogen baseren en heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat geen sprake is van onaanvaardbare geluidshinder ter plaatse van de woning van [appellant sub 1].

Het betoog faalt.

5.4. In het rapport "Akoestisch onderzoek [locatie 3] te Schagen" van 13 november 2014, opgesteld door Agrifirm (hierna: aanvullend akoestisch onderzoek) staat dat ter plaatse van het perceel van [appellant sub 2] eveneens wordt voldaan aan de geluidgrenswaarden voor de dag-, avond- en nachtperiode voor de directe hinder als gevolg van de uitbreiding van de varkenshouderij.

5.5. Het aanvullend akoestisch onderzoek bevestigt het standpunt van de raad dat de geluidgrenswaarden ter plaatse van de woning van [appellant sub 2] niet worden overschreden. De conclusie van dit onderzoek heeft [appellant sub 2] niet gemotiveerd betwist. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat geen sprake is van onaanvaardbare geluidshinder ter plaatse van de woning van [appellant sub 2].

Het betoog faalt.

6. [appellant sub 1] betoogt voorts dat de raad ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan naar de mogelijke gezondheidseffecten voor bewoners van het gebied en passanten. [appellant sub 1] betoogt dat dit te meer klemt nu sprake is van een biologische varkenshouderij waarbij de dieren ook buiten de stal verblijven. Hierdoor neemt de kans op besmetting met zoönosen voor omwonenden en passanten toe, aldus [appellant sub 1].

6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat nu er geen onaanvaardbare effecten zijn wat betreft de aspecten geluid, luchtkwaliteit en geur, niet valt in te zien op welke wijze de gezondheid wordt aangetast. Voorts stelt de raad zich op het standpunt dat geen wetenschappelijk onderzoek bekend is waaruit blijkt dat een biologische veehouderij negatieve effecten heeft op de gezondheid van omwonenden en passanten.

6.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 9 februari 2011, in zaak nr. 200907470/1/R3), vindt de bestrijding van besmettelijke dierziekten zijn regeling primair in andere wetgeving en kunnen daarnaast aan een omgevingsvergunning voor het in werking hebben van een inrichting voorschriften worden verbonden om de gevolgen voor de volksgezondheid te voorkomen dan wel te beperken. De mogelijke besmetting van dierziekten vanwege nabijgelegen agrarische bedrijven is niettemin een mee te wegen belang bij de vaststelling van een bestemmingsplan als hier aan de orde. Dit belang heeft de raad onderkend in zijn belangenafweging. [appellant sub 1] heeft zijn stelling omtrent de risico’s voor de volksgezondheid bij een biologische varkenshouderij niet onderbouwd. [appellant sub 1] heeft gelet hierop niet aannemelijk gemaakt dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat wegens volksgezondheidsaspecten sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

Het betoog faalt.

7. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen voorts dat het plan leidt tot verkeersoverlast. Zij voeren aan dat de raad niet heeft onderkend dat het plan leidt tot een toename van meer dan tien verkeersbewegingen, omdat de verkeersbewegingen in verband met het af- en aanvoeren van onder meer mest en stro niet in de berekening zijn betrokken.

[appellant sub 1] en [appellant sub 2] stellen voorts dat de raad ten onrechte stelt dat de vrachtwagens rechtstreeks van de provinciale weg over de dijk naar de varkenshouderij rijden. Zij voeren hiertoe aan dat de dijk vanwege de verkeersveiligheid niet geschikt is voor het gebruik door vrachtwagens. Voorts betogen zij dat het voor vrachtwagens niet is toegestaan om gebruik te maken van deze weg omdat er een verbod geldt voor voertuigen breder dan 2,3 m. Nu de dijk niet gebruikt kan worden door vrachtwagens leidt dit ertoe dat de vrachtwagens langs hun woningen komen.

7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een zodanige toename van verkeersbewegingen dat hierdoor een verkeersonveilige situatie ontstaat.

7.2. In de ruimtelijke onderbouwing staat dat als gevolg van de ontwikkeling die dit plan mogelijk maakt een beperkte toename van het aantal vervoersbewegingen van en naar de varkenshouderij wordt verwacht. Op dit moment komt één keer per tien dagen een vrachtwagen voer lossen en één keer per veertien dagen een vrachtwagen varkens ophalen. Na uitbreiding zal dit aantal verdubbelen. De overige verkeersbewegingen bestaan hoofdzakelijk uit personenauto’s. Die toename is dermate gering dat deze geen significante gevolgen heeft voor de verkeersafwikkeling op de Westfriesedijk.

7.3. In het deskundigenbericht staat dat de kortste en meest logische route van en naar de varkenshouderij over de N248 en het westelijke gedeelte van de Westfriesedijk leidt. Bij die routekeuze worden de woningen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] niet gepasseerd.

Voorts staat in het deskundigenbericht dat op een "ongunstige" dag, dat wil zeggen een dag waarop zowel vleesvarkens, kadavers en drijfmest worden afgevoerd, als voer, hooi en diesel worden geleverd, er sprake zal zijn van maximaal 40 verkeersbewegingen met vrachtwagens en twaalf met personenauto’s. Op een dergelijke dag is de belasting van de weg vanwege het gemotoriseerde verkeer nog steeds als laag aan te merken.

7.4. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet zal leiden tot onaanvaardbare verkeersoverlast ter plaatse van de woningen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2]. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van een geringe verkeerstoename als gevolg van het plan. De Afdeling betrekt hierbij dat in het deskundigenbericht wordt uitgegaan van een worst-case scenario waarbij maximaal 40 verkeersbewegingen per dag plaatsvinden. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat deze dagen zich in theorie slechts enkele keren per jaar kunnen voordoen.

De raad heeft hierbij voorts terecht kunnen betrekken dat de kortste en meest logische route van en naar de varkenshouderij over de N248 en het westelijke gedeelte van de Westfriesedijk leidt. Hierbij heeft de raad terecht betrokken dat het mogelijk is om een ontheffing te krijgen van het verbod voor voertuigen breder dan 2,3 m voor het gebruik van de weg over de dijk, waardoor het voor vrachtwagens breder dan 2,3 m is toegestaan om van deze route gebruik te maken ten behoeve van de varkenshouderij. Ekovar heeft ter zitting toegelicht dat enkele van de leveranciers die bij hem leveren over een dergelijke ontheffing beschikken. Deze vrachtwagens maken derhalve geen gebruik van de weg die langs de woningen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] ligt.

Voor zover [appellant sub 1] en [appellant sub 2] aanvoeren dat de Westfriesedijk niet geschikt is als ontsluitingsweg omdat het een smalle dijk betreft waar auto's elkaar niet makkelijk kunnen passeren, heeft de raad, gelet op de geringe toename van het aantal verkeersbewegingen, zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen verkeersgevaarlijke situatie zal ontstaan.

Het betoog faalt.

8. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen voorts dat de voorziene uitbreiding van het bouwvlak in strijd is met het "Beeldkwaliteitsplan Westfriese Omringdijk", vastgesteld bij besluit van 30 juni 2009 door het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: Beeldkwaliteitsplan Westfriese Omringdijk). [appellant sub 1] betoogt dat de voorziene uitbreiding in strijd is met de "Structuurvisie 2025, Gemeente Schagen", vastgesteld bij besluit van 22 februari 2011 door de raad (hierna: structuurvisie).

8.1. De raad stelt dat de voorgenomen uitbreiding in samenwerking met de provincie tot stand is gekomen en voldoet aan de eisen die de provincie stelt op het gebied van landschappelijke kwaliteit van bebouwing rond de Westfriese Omringdijk.

8.2. In het Beeldkwaliteitsplan Westfriese Omringdijk staat dat de Westfriese Omringdijk de status van provinciaal monument heeft. De beleving van de landschappelijke waarde wordt bepaald door een aantal ruimtelijke karakteristieken:

- de openheid rondom de dijk;

- zicht van en naar de dijk;

- de continuïteit van het dijkprofiel;

- de relatie tussen de dijk en zijn kralen (waarmee een reeks van aan de dijk gerelateerde cultuurhistorische elementen wordt bedoeld);

- de afwisseling van de kralen;

- de herkenbaarheid van de verschillende dijktracés.

In het beeldkwaliteitsplan wordt de dijk ingedeeld in verschillende deelgebieden. Het plangebied is gelegen in deelgebied "boven het landschap". Voor deze naam is gekozen, omdat de dijk hier als het ware boven het landschap zweeft. Met zijn bochten en vele wielen wordt dit traject omschreven als het kroonjuweel van de Omringdijk. Zeer karakteristiek is het weidse zicht op en vanaf de Omringdijk. Om de openheid van dit traject van de dijk te waarborgen, is het van belang de agrarische functie binnen deze zone te behouden en bij nieuwe verdichtende ontwikkelingen een zo groot mogelijke afstand tot de dijk te behouden.

8.3. In de ruimtelijke onderbouwing staat dat de uitbreiding van de varkenshouderij nabij de Westfriese Omringdijk is beoordeeld in het kader van het project "Stalontwerp, mooie en innovatieve varkensstallen". Door middel van een prijsvraag was dit project gericht op het ontwerpen van vernieuwende en tegelijkertijd haalbare (nieuw)bouwplannen voor individuele varkenshouders, die op korte termijn kunnen worden gebouwd en een voorbeeldfunctie kunnen vervullen. De bouwplannen voor de uitbreiding van de biologische varkenshouderij zijn in samenwerking met de familie [partij], hun adviseurs, twee architecten en medewerkers van de provincie Noord-Holland (waaronder een landschapsarchitect) tot stand gekomen. Als onderdeel van de prijsvraag is het bouwplan beoordeeld. Hierbij is geconcludeerd dat de uitbreiding door het royale groen een goede landschappelijke inpassing kent. De als dijk ingeklede varkensstal is een innovatief en ook elders bruikbaar concept. De dijkstal sluit goed aan bij het landschap rond de Westfriese Omringdijk. De voorgenomen uitbreiding past derhalve goed binnen de voorwaarden die de provincie stelt op het gebied van landschappelijke kwaliteit rond de Westfriese Omringdijk.

8.4. In het deskundigenbericht staat dat als de gewenste stallen worden gerealiseerd als dijkstallen dit tot een verbetering van de ruimtelijke beeldkwaliteit ter plaatse zal leiden. De achterzijden van de te bouwen stallen hebben het aanzien van een dijklichaam en die "dijklichamen" zullen het zicht op de huidige, traditioneel gebouwde en in landschappelijk opzicht niet ingepaste stallen grotendeels wegnemen. In het plan is echter niet vastgelegd dat de te bouwen stallen gerealiseerd moeten worden als dijkstallen. Gelet op de vorm van het toegekende bouwvlak ligt het wel in de rede dat de nieuwe stallen rondom de bestaande stallen worden gebouwd.

8.5. De Afdeling overweegt dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet aan het provinciaal beleid is gebonden. Wel dient de raad daarmee rekening te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken. De raad heeft het Beeldkwaliteitsplan Westfriese Omringdijk in zijn belangenafweging betrokken, hetgeen blijkt uit de plantoelichting en de ruimtelijke onderbouwing. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het realiseren van dijkstallen om de reeds bestaande stallen voldoet aan de eisen die het Beeldkwaliteitsplan stelt op het gebied van landschappelijke kwaliteit van bebouwing rond de Westfriese Omringdijk.

8.6. De bouw van de nieuwe stallen als dijkstallen en de situering van deze dijkstallen aan de buitenzijde van het bouwvlak zijn echter niet in het plan vastgelegd. Nu uit de plantoelichting en de ruimtelijke onderbouwing blijkt dat de raad het verwezenlijken van de nieuwe stallen als dijkstallen aan de buitenzijde van het bouwvlak noodzakelijk acht met het oog op de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan, heeft de raad dit ten onrechte niet in het plan geregeld. De raad stelt zich op het standpunt dat gelet op de vorm van het bouwvlak is gewaarborgd dat de nieuwe stallen rondom de bestaande stallen worden gebouwd. Hiermee is echter niet gewaarborgd dat dijkstallen worden gerealiseerd. Voorts staat het plan er niet aan in de weg om de bestaande stallen te slopen en binnen het bouwvlak op andere wijze de stallen te situeren.

Het betoog slaagt.

8.7. Anders dan [appellant sub 1] betoogt bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met de structuurvisie. Hoewel in de structuurvisie staat dat de Westfriese Omringdijk vanuit cultuurhistorisch oogpunt waardevol is, bevat de structuurvisie geen verbod op ontwikkelingen in de nabijheid hiervan.

Het betoog faalt.

9. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellant sub 1] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan.

Het betoog faalt.

10. [appellant sub 2] heeft zich in zijn beroepschrift voor het overige beperkt tot het herhalen en inlassen van de zienswijze. In de "Nota beantwoording zienswijzen Landelijk gebied Schagen" behorende bij het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 2] heeft in zijn beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Het betoog faalt.

11. In hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, voor zover geen voorwaardelijke verplichting is opgenomen die er toe strekt dat de voorziene nieuwe stallen op het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden" en de aanduidingen "bouwvlak" en "specifieke vorm van agrarisch - biologische varkenshouderij" ter plaatse van het perceel [locatie 3] slechts in gebruik mogen worden genomen indien de nieuwe stallen zijn gerealiseerd als dijkstallen zoals bedoeld in de ruimtelijke onderbouwing en zijn gesitueerd aan de buitenzijde van het bouwvlak, is vastgesteld in strijd met artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro). Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Nu niet aannemelijk is dat derdebelanghebbenden in hun belangen zouden kunnen worden geschaad, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) zelfvoorziend een dergelijke planregel vast te stellen.

Het beroep van [appellant sub 3]

12. Het beroep van [appellant sub 3] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden" en de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - boomgaard".

[appellant sub 3] betoogt dat de raad de aanwezige veldschuur ten onrechte niet als zodanig heeft bestemd. [appellant sub 3] voert aan dat de veldschuur noodzakelijk is voor het beheer van de boomgaard en moestuin en dat de veldschuur geen afbreuk doet aan de openheid in het gebied. [appellant sub 3] betoogt voorts dat de raad heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. In dit kader wijst hij op het plandeel met de bestemming "Wonen" met de aanduiding "specifieke vorm van wonen - kleinschalig hondenpension" waar een hondenpension is toegestaan.

12.1. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder i, van de planregels zijn de voor "Agrarisch met waarden" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - boomgaard" tevens bestemd voor een boomgaard en moestuin.

Ingevolge lid 3.2.1 mag de bebouwing alleen binnen het aangegeven bouwvlak worden opgericht, behoudens erfafscheidingen.

12.2. Vast staat dat ter plaatse van het bestreden plandeel geen bouwvlak is toegekend. Ingevolge artikel 3, lid 3.2.1, van de planregels is de veldschuur derhalve ter plaatse van het bestreden plandeel niet toegestaan. Vast staat dat het voorheen geldende bestemmingsplan de veldschuur niet toestond, dat de veldschuur niet onder het overgangsrecht van dat bestemmingsplan valt en dat voor de bouw van de veldschuur geen vergunning is verleend. De raad heeft in redelijkheid de veldschuur niet hoeven bestemmen. Hierbij heeft de raad mogen betrekken dat de veldschuur illegaal is opgericht en dat de raad het buitengebied zoveel mogelijk bebouwingsvrij wil houden ter voorkoming van verrommeling. Voorts heeft de raad van belang mogen achten dat [appellant sub 3] op korte afstand van het bestreden plandeel woont, zodat een veldschuur voor het beheer van het perceel niet zonder meer noodzakelijk is.

Het betoog faalt in zoverre.

12.3. Over de door [appellant sub 3] gemaakte vergelijking met het plandeel met de bestemming "Wonen" met de aanduiding "specifieke vorm van wonen - kleinschalig hondenpension" overweegt de Afdeling dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat ter plaatse van het bestreden plandeel een bestaand legaal gebouw aanwezig is. De raad heeft toegelicht dat aan dit plandeel geen extra bouwmogelijkheden worden toegekend. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 3] genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie.

Het betoog faalt.

13. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 3] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 4]

Ontvankelijkheid [appellant sub 4]

14. De raad stelt zich op het standpunt dat [appellant sub 4] geen belanghebbende is bij dit besluit voor zover dat ziet op de bestemming "Water" toegekend aan de westzijde van het perceel [locatie 4]. De raad betoogt dat het beroep van [appellant sub 4] in zoverre niet-ontvankelijk is.

14.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

14.2. Vast staat dat [appellant sub 4] eigenaar is van de oostzijde van het perceel [locatie 4]. Dit perceel ligt op een afstand van ongeveer 80 m van het plandeel met de bestemming "Water". Vanuit het perceel heeft hij zicht op het betrokken perceel. Mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die op het door [appellant sub 4] bestreden plandeel mogelijk worden gemaakt is deze afstand naar het oordeel van de Afdeling niet te groot om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen.

De conclusie is dat [appellant sub 4] belanghebbende is bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat hij daartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, beroep kan instellen. Het beroep is ontvankelijk.

Inhoudelijke aspecten

15. [appellant sub 4] richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden" en de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie - 3" ter plaatse van het perceel [locatie 4] nabij het perceel [locatie 5]. Hij betoogt dat de toegestane hoogte voor erfafscheidingen ten onrechte 1 m is. Hij voert hiertoe aan dat de bestaande hekken rondom zijn weiland hoger zijn dan 1 m. Voorts betoogt hij dat de standaardhoogte voor hekken 1,10 m is. Ook voert hij aan dat een hekwerk met een hoogte van 1 m niet veilig is omdat vee over de hekken kan springen.

15.1. De raad stelt zich op het standpunt dat ter plaatse van het bestreden plandeel erfafscheidingen met een maximale hoogte van 1,5 m zijn toegestaan.

15.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.2.6, aanhef en onder d, van de planregels mag de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, op de voor "Agrarisch met waarden" aangewezen gronden buiten het bouwvlak niet meer bedragen dan 1,5 m.

15.3. Vast staat dat een erfafscheiding een bouwwerk, geen gebouw zijnde, is.

De Afdeling overweegt dat ter plaatse van het bestreden plandeel geen bouwvlak is toegekend. Ingevolge artikel 3, lid 3.2.6, onder d, van de planregels geldt een maximale bouwhoogte van 1,5 m voor erfafscheidingen ter plaatse van het bestreden plandeel. Het betoog mist feitelijke grondslag. Dat [appellant sub 4] ter zitting heeft medegedeeld dat een omgevingsvergunning voor de bouw van een molen is afgegeven maakt dit niet anders omdat dit plan voorligt en in dit plan de bestemming "Agrarisch met waarden" zonder de aanduiding "bouwvlak" is toegekend aan het bestreden plandeel.

Het betoog faalt.

16. [appellant sub 4] richt zich voorts tegen de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie - 3" ter plaatse van het bestreden plandeel. [appellant sub 4] voert aan dat deze dubbelbestemming ten onrechte aan zijn perceel is toegekend. In dit kader voert hij aan dat in de Nota van zienswijze staat dat deze dubbelbestemming zal worden verwijderd.

16.1. In het verweerschrift stelt de raad stelt zich op het standpunt dat abusievelijk de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie - 3" aan het bestreden plandeel is toegekend. De Afdeling oordeelt dat nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft dit onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het betoog slaagt.

17. [appellant sub 4] richt zich voorts tegen de bestemming "Water" ter plaatse van de binnensloot aan de west- en oostzijde van het perceel [locatie 4]. Hij betoogt dat de binnensloten ten onrechte niet gedempt mogen worden waardoor de mogelijkheden van de gronden ten onrechte worden beperkt. Hij betoogt voorts dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden omdat aan andere binnensloten een agrarische bestemming is toegekend.

17.1. In het verweerschrift stelt de raad zich op het standpunt dat abusievelijk de bestemming "Water" aan de binnensloten aan de west- en oostzijde is toegekend. De Afdeling oordeelt dat nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft dit onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het betoog slaagt.

18. In hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie - 3" ter plaatse van het perceel [locatie 4] nabij het perceel [locatie 5] en de bestemming "Water" zoals toegekend aan de plandelen aan de west- en oostzijde van het perceel [locatie 4] nabij het perceel [locatie 5] is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 5]

19. [appellant sub 5] richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Wonen" en gedeeltelijk de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - monument" ter plaatse van het perceel [locatie 6].

Hij voert aan dat ten onrechte de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - monument" aan dit plandeel is toegekend. Hij betoogt dat ten tijde van het voorheen geldende bestemmingsplan de aanduiding "karakteristiek" was toegekend aan het bestreden plandeel waardoor hij de mogelijkheid had om de woning te splitsen.

19.1. De raad heeft toegelicht dat de stolpboerderij en de stolpvormige schuur een monumentale status hebben en dat aan de stolpboerderij de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - monument" is toegekend.

19.2. Ingevolge artikel 18, lid 18.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor wonen, al dan niet in combinatie met een beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis.

Ingevolge lid 18.2.1 gelden voor het bouwen van hoofdgebouwen de volgende regels:

a. woningen zijn uitsluitend binnen het bestemmingsvlak toegestaan;

b. per bestemmingsvlak mag slechts één woning worden gebouwd.

Ingevolge lid 18.4 kan het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

a. lid 18.2.1, onder b, en toestaan dat binnen hoofdgebouwen ter plaatse van de aanduiding "karakteristiek" twee woningen worden gerealiseerd.

Ingevolge artikel 32, lid 32.1.1, onder a, zijn ter plaatse van de aanduidingen "specifieke bouwaanduiding - monument", en "karakteristiek" de gronden tevens bestemd voor het behoud van de cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en voor het behoud van landschappelijke waarden.

Ingevolge lid 32.1.1, onder b, is ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - monument" het bepaalde in de Monumentenwet, de provinciale monumentenverordening en/of de gemeentelijke monumentenverordening van toepassing.

19.3. In de plantoelichting staat dat cultuurhistorisch waardevolle bebouwing, die (nog) geen monumentale status heeft, is voorzien van de aanduiding "karakteristiek". In de plantoelichting staat voorts dat gebouwde monumenten door toekenning van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - monument" in het bestemmingsplan worden opgenomen.

19.4. Vast staat dat de stolpboerderij is aangewezen als gemeentelijk monument. De raad heeft gelet hierop overeenkomstig zijn beleid de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - monument" kunnen toekennen. [appellant sub 5] betoogt terecht dat hij als gevolg van deze aanduiding niet de mogelijkheid heeft om de woning te splitsen. Dit leidt evenwel niet tot een ander oordeel. De raad heeft toegelicht dat de monumentale status van een gebouw in de weg kan staan aan splitsing van het gebouw omdat daarmee afbreuk kan worden gedaan aan het monumentale karakter van het gebouw. De raad heeft om die reden in het plan voor gebouwen met een monumentale status niet de mogelijkheid om te splitsen opgenomen. De Afdeling acht dit niet onredelijk. De raad heeft voorts toegelicht dat hij deze mogelijkheid wel heeft toegekend aan woningen met de aanduiding "karakteristiek" omdat het behoud en onderhoud van dergelijke woningen kostbaar is. Om dit te kunnen financieren is het soms gewenst het pand te splitsen zodat meerdere huishoudens de woning kunnen gebruiken. Bij monumenten is dit niet nodig omdat andere financieringsmogelijkheden bestaan zoals subsidie of belastingaftrek.

20. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 5] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 6]

21. [appellant sub 6] richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden" en de aanduidingen "specifieke vorm van agrarisch - veehouderij" en "bouwvlak" ter plaatse van het perceel [locatie 7]. Zij betoogt dat ten onrechte bestaande legale bebouwing niet als zodanig is bestemd. [appellant sub 6] wijst in dit kader op het mestbassin en de ruwvoeropslag. Voorts wijst [appellant sub 6] op de gierkelder met afdekking, geschikt voor de opbouw van de nog te vernieuwen jongveestal ter plaatse van de noordwestelijke hoek van het perceel.

22. De raad stelt zich op het standpunt dat omtrent het mestbassin in het kader van dit plan geen afweging over de ruimtelijke aanvaardbaarheid heeft plaatsgevonden wegens de gevolgen die het mestbassin op het woon- en leefklimaat van omwonenden heeft.

22.1. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch met waarden" aangewezen gronden bestemd voor:

a. de uitoefening van volwaardige agrarische bedrijven met een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering, met dien verstande dat:

1. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - veehouderij", uitsluitend bestaande veehouderijbedrijven zijn toegestaan;

met de daarbij behorende:

n. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Ingevolge lid 3.2.1 mogen op of in de in lid 3.1 bedoelde gronden uitsluitend bouwwerken ten dienste van de in dat lid genoemde bestemming worden gebouwd, met dien verstande dat de bebouwing alleen binnen het aangegeven bouwvlak mag worden opgericht.

Ingevolge lid 3.6.1, onder a, is het verboden op of in de in lid 3.1 bedoelde gronden, voor zover deze zijn gelegen buiten het bouwvlak, zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) onder meer oppervlakteverhardingen, voor zover deze groter zijn dan 200 m² aan te brengen.

22.2. Niet in geschil is dat de ruwvoeropslag een oppervlakteverharding is waarop het ruwvoer wordt opgeslagen. De ruwvoeropslag is derhalve geen bouwwerk. De ruwvoeropslag ligt buiten het bouwvlak. De Afdeling stelt vast dat de ruwvoeropslag kleiner dan 200 m² is en dat deze ruwvoeropslag ingevolge artikel 3, lid 3.6.1, onder a, van de planregels derhalve is toegestaan buiten het bouwvlak. Anders dan [appellant sub 6] betoogt, bestaat derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat de ruwvoeropslag niet als zodanig is bestemd.

Het betoog faalt.

22.3. De gierkelder is een bouwwerk en ligt deels buiten het bouwvlak. Dit betekent dat de gierkelder ingevolge artikel 3, lid 3.2.1, van de planregels niet als zodanig is bestemd. Het voorheen geldende bestemmingsplan stond de gierkelder eveneens niet toe. De raad stelt dat voor het bouwen van de gierkelder geen vergunning is verleend. [appellant sub 6] heeft geen bouwvergunning voor het bouwen van de gierkelder overgelegd. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de gierkelder overeenkomstig een verleende vergunning is opgericht. De raad heeft in redelijkheid de gierkelder niet als zodanig hoeven bestemmen. De raad heeft hierbij kunnen betrekken dat de gierkelder illegaal is gebouwd. Voorts heeft de raad van belang mogen achten dat hij het buitengebied zoveel mogelijk bebouwingsvrij wil houden ter voorkoming van verrommeling.

Het betoog faalt in zoverre.

22.4. Het mestbassin is een bouwwerk en ligt buiten het bouwvlak. Dit betekent dat het mestbassin ingevolge artikel 3, lid 3.2.1, van de planregels niet als zodanig is bestemd. Ten tijde van het vaststellen van het plan was een omgevingsvergunning aangevraagd voor het mestbassin.

In het stelsel van de Wro is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld.

Niet in geschil is dat het voorgenomen bouwplan reeds bekend en concreet was ten tijde van de besluitvorming over dit plan. Met dit bouwplan en de gevolgen daarvan op het woon- en leefklimaat van omwonenden had de raad bij de vaststelling van het plan rekening moeten houden. Het bestreden besluit is in zoverre genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het betoog slaagt.

23. [appellant sub 6] betoogt voorts dat de raad heeft voorzien in een te klein bouwvlak. [appellant sub 6] voert hiertoe aan dat het bouwvlak weliswaar niet is verkleind ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan, maar dat hierin reeds was voorzien in een te klein bouwvlak. [appellant sub 6] voert voorts aan dat op 29 juli 2010 en 26 februari 2014 een verzoek voor een bouwvlakvergroting is ingediend en dat de raad deze verzoeken ten onrechte niet heeft betrokken bij de vaststelling van dit plan. Voorts voert [appellant sub 6] aan dat tijdens de vergunningprocedure voor het realiseren van een melkveestal door een ambtenaar is toegezegd dat in dit plan zou worden voorzien in een bouwvlakvergroting. [appellant sub 6] betoogt voorts dat het niet vergroten van het bouwvlak in strijd is met de structuurvisie, omdat hieruit volgt dat flexibiliteit voor veehouderijen wenselijk is. [appellant sub 6] betoogt dat een groter bouwvlak geen effect heeft op het nabij gelegen Natura 2000-gebied. In dit kader betoogt [appellant sub 6] dat een groter bouwvlak ook gebruikt kan worden voor gebouwen zonder milieubelastend effect. Zij betoogt voorts dat de raad ten onrechte niet heeft bekeken of niet in gebruik zijnde agrarische bouwvlakken konden worden verdeeld over volwaardige agrarische bedrijven. [appellant sub 6] betoogt voorts dat de raad in strijd handelt met het gelijkheidsbeginsel door ter plaatse van het perceel [locatie 3] wel een bouwvlakvergroting mogelijk te maken.

23.1. De raad stelt zich op het standpunt dat een verruiming van het bouwvlak niet wenselijk is. De raad stelt dat geen sprake is van een voldoende concreet plan dat kon worden beoordeeld ten tijde van de vaststelling van het plan, omdat [appellant sub 6] geen bouwplan heeft overgelegd.

23.2. [appellant sub 6] heeft op 29 juli 2010 verzocht om een bouwvlak van minimaal 15000 m². [appellant sub 6] heeft verder op 26 februari 2014 wederom verzocht om vergroting van het bouwvlak.

23.3. Voor zover [appellant sub 6] betoogt dat het vorige plan voorzag in een te klein bouwvlak, geldt dat thans dit plan voorligt en niet het voorheen geldende bestemmingsplan. Beroepsgronden die gericht zijn tegen het voorheen geldende bestemmingsplan kunnen derhalve niet aan de orde komen.

Het betoog faalt in zoverre.

23.4. Over het betoog van [appellant sub 6] dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, overweegt de Afdeling dat in het algemeen geen rechten kunnen worden ontleend aan toezeggingen die zijn gedaan door niet ter zake beslissingsbevoegden. De bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan berust niet bij ambtenaren, maar bij de raad. De raad heeft het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld.

Het betoog faalt in zoverre.

23.5. [appellant sub 6] heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan reeds een concreet bouwplan bestond. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het enkele verzoek om een groter bouwvlak zoals in de verzoeken van 29 juli 2010 en 26 februari 2014 is gedaan, geen concreet bouwplan is. Met de door [appellant sub 6] gewenste vergroting van het bouwvlak hoefde de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan dan ook geen rekening te houden.

Reeds hierom kan het betoog niet slagen. De overige gronden die [appellant sub 6] in dit verband heeft aangevoerd behoeven derhalve geen bespreking.

Het betoog faalt in zoverre.

23.6. Over de door [appellant sub 6] gemaakte vergelijking met het perceel [locatie 3] heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat de eigenaren van het perceel [locatie 3] een voldoende concreet initiatief hebben voorgelegd dat in het kader van dit plan kon worden beoordeeld. In hetgeen [appellant sub 6] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 6] genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie.

Het betoog faalt.

24. [appellant sub 6] betoogt voorts dat het bouwvlak op de verbeelding onjuist is gesitueerd. In dit kader voert zij aan dat de raad het bouwvlak onlogisch heeft ingetekend

omdat het bouwvlak is toegekend ter plaatse van de tuin, de windsingel aan de oostzijde en de rijverharding over het erf.

24.1. De raad stelt zich op het standpunt dat in 2008 op verzoek van [appellant sub 6] het bouwvlak is gewijzigd. Het toegekende bouwvlak in het bestemmingsplan is hiermee in overeenstemming.

24.2. De Afdeling stelt vast dat het bouwvlak in overeenstemming is met de tekening behorend bij het besluit van het college van burgemeester en wethouders van 5 november 2008. Niet is gebleken dat de bouwmogelijkheden ter plaatse van de tuin, de windsingel aan de oostzijde en de rijverharding over het erf niet kunnen worden benut.

Hetgeen [appellant sub 6] heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid dit bouwvlak heeft mogen toekennen.

Het betoog faalt.

25. In hetgeen [appellant sub 6] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden" en de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - veehouderij" ter plaatse van het mestbassin op het perceel [locatie 7] is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 7]

Ontvankelijkheid [appellant sub 7]

26. De raad stelt zich op het standpunt dat het beroep van [appellant sub 7] voor zover gericht tegen de aanduiding "karakteristiek" toegekend aan haar stolpboerderij ter plaatse van het perceel [locatie 8] en voor zover gericht tegen artikel 31, lid 31.1.1, van de planregels niet steunt op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze. De raad betoogt dat het beroep van [appellant sub 7] in zoverre niet-ontvankelijk is.

26.1. Ingevolge artikel 31, lid 31.1.1, van de planregels wordt tot een gebruik in overeenstemming met de bestemming mede gerekend het gebruik van bestaande (bedrijfs)woningen voor bed & breakfast, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

a. het aantal slaapplaatsen mag niet meer bedragen dan 4;

b. er is geen eigen kookgelegenheid toegestaan.

Ingevolge artikel 32, lid 32.1.2, onder a, dienen ter plaatse van de aanduiding "karakteristiek" de bestaande goot- en bouwhoogte alsmede de bestaande nokrichting, dakvorm, dakhelling en gevelindeling te worden gehandhaafd en dient de bestaande situering te worden aangehouden.

26.2. [appellant sub 7] heeft zich in haar zienswijze gericht tegen de gebruiks- en bouwmogelijkheden ter plaatse van het perceel [locatie 8]. In haar zienswijze heeft [appellant sub 7] onder meer aangegeven dat zij haar stolpboerderij wil vervangen en verplaatsen. De Afdeling stelt vast dat de aanduiding "karakteristiek" daaraan in de weg staat. Voorts heeft [appellant sub 7] in haar zienswijze aangegeven een bed & breakfast in haar stolp te overwegen. Anders dan de raad betoogt, heeft [appellant sub 7] beoogd de aanduiding "karakteristiek" en artikel 31, lid 31.1.1, van de planregels aan de orde te stellen. Voor het oordeel dat haar beroep in zoverre niet-ontvankelijk is, bestaat derhalve geen aanleiding.

Inhoudelijke aspecten

27. [appellant sub 7] richt zich tegen de aanduiding "karakteristiek" ter plaatse van het perceel [locatie 8]. Zij betoogt dat de stolpboerderij waaraan deze aanduiding is toegekend niet karakteristiek is omdat de stolpboerderij in slechte staat verkeert en het straatbeeld eveneens niet beschermenswaardig is. [appellant sub 7] voert voorts aan dat de vermeende beschermenswaardigheid van de stolpboerderij in geen verhouding staat tot de beperkingen die ingevolge artikel 32, lid 32.1.2, onder a, van de planregels voor het plandeel gelden. [appellant sub 7] betoogt voorts dat in de planregels de mogelijkheid had moeten worden opgenomen dat de aanduiding "karakteristiek" vervalt indien instandhouding van de stolpboerderij niet langer reëel is. [appellant sub 7] betoogt voorts dat de vrijstellingsmogelijkheid in artikel 18, lid 18.4, onder a, van de planregels voor deze stolpboerderij niet bruikbaar is.

27.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de stolpboerderijen waaraan in het voorheen geldende plan reeds de aanduiding "karakteristiek" was toegekend in dit plan eveneens deze aanduiding hebben gekregen. De raad licht toe dat de stolpboerderij op het perceel [locatie 8] tot deze stolpboerderijen behoort en vanuit cultuurhistorisch oogpunt waardevol is.

27.2. Ingevolge artikel 18, lid 18.1, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor:

a. wonen.

Ingevolge lid 18.2.1 gelden voor het bouwen van hoofdgebouwen de volgende regels:

a. woningen zijn uitsluitend binnen het bestemmingsvlak toegestaan;

b. per bestemmingsvlak mag slechts één woning worden gebouwd, tenzij ter plaatse van de aanduiding "maximum aantal wooneenheden" een ander aantal is aangegeven.

Ingevolge lid 18.4 kan het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

a. lid 18.2.1, onder b, en toestaan dat binnen hoofdgebouwen ter plaatse van de aanduiding "karakteristiek" twee woningen worden gerealiseerd.

Ingevolge artikel 32, lid 32.1.1, onder a, zijn ter plaatse van de aanduiding "karakteristiek" de gronden tevens bestemd voor het behoud van de cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en voor het behoud van landschappelijke waarden.

Ingevolge lid 32.1.2, onder a, dienen ter plaatse van de aanduiding "karakteristiek" de bestaande goot- en bouwhoogte alsmede de bestaande nokrichting, dakvorm, dakhelling en gevelindeling te worden gehandhaafd en dient de bestaande situering te worden aangehouden.

Ingevolge lid 32.1.3 kan het college van burgemeester en wethouders (lees: bevoegd gezag) bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 32.1.2 indien:

a. de bebouwing vanwege ernstige gebreken niet in stand kan worden gehouden of waaraan dermate hoge kosten van herstel zijn verbonden, zonder dat door de overheid een financiële tegemoetkoming kan worden gedaan, dat instandhouding redelijkerwijze niet kan worden gevergd;

b. een andere, uit historisch oogpunt meer of evenzeer verantwoorde gevelindeling wordt beoogd.

Ingevolge lid 32.1.4 kan het college van burgemeester en wethouders (lees: bevoegd gezag) nadere eisen stellen aan de situering van nieuw op te richten bebouwing ter plaatse van de aanduiding "karakteristiek", teneinde te voorkomen dat de cultuurhistorische waarde van het gebouw alsmede de landschappelijke waarden, ter plaatse van de aanduiding "karakteristiek", onevenredig wordt aangetast.

27.3. In de plantoelichting staat dat cultuurhistorisch waardevolle bebouwing, die (nog) geen monumentale status heeft, is voorzien van de aanduiding "karakteristiek".

In de plantoelichting staat voorts dat de in het plangebied aanwezige karakteristieke, maar niet-monumentale, bebouwing (voornamelijk stolpen) wordt voorzien van een aanduiding, met als doel het voorkomen van sloop en het behoud van de hoofdmassa. Ter bescherming van de aanwezige landschappelijke cultuurhistorische waarden is voor een aantal werkzaamheden een vergunningsplicht opgenomen in dit plan.

27.4. De raad heeft in redelijkheid de aanduiding "karakteristiek" aan het bestreden plandeel kunnen toekennen. De raad heeft hierbij in redelijkheid kunnen betrekken dat in het voorheen geldende bestemmingsplan eveneens de aanduiding "karakteristiek" aan het bestreden plandeel was toegekend. Dat de stolpboerderij in slechte staat verkeert, betekent niet dat de stolpboerderij niet karakteristiek is. Van belang is voorts dat het bevoegd gezag ingevolge artikel 32, lid 32.1.3, van de planregels bij omgevingsvergunning kan afwijken van het bepaalde in lid 32.1.2 indien de bebouwing vanwege ernstige gebreken niet in stand kan worden gehouden of hieraan dermate hoge kosten van herstel zijn verbonden, zonder dat door de overheid een financiële tegemoetkoming kan worden gedaan, dat instandhouding redelijkerwijze niet kan worden gevergd. [appellant sub 7] heeft voorafgaand aan de vaststelling van het plan niet kenbaar gemaakt en onderbouwd dat zich de in deze bepaling bedoelde situatie voordoet. Voorts is het straatbeeld op zichzelf niet relevant voor het antwoord op de vraag of de stolpboerderij karakteristiek is. Het betoog dat de vrijstellingsmogelijkheid in artikel 18, lid 18.4, onder a, van de planregels niet bruikbaar is, heeft [appellant sub 7] niet onderbouwd.

Het betoog faalt.

28. [appellant sub 7] richt zich voorts tegen artikel 31, lid 31.1.1, van de planregels. Zij betoogt dat ten onrechte bij het gebruik van de woning als bed & breakfast de voorwaarden worden gesteld dat het aantal slaapplaatsen niet meer dan vier mag bedragen en dat geen eigen kookgelegenheid is toegestaan.

28.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de mogelijkheid om onder voorwaarden een bestaande woning voor bed & breakfast te gebruiken, is overgenomen uit het voorheen geldende plan. De raad stelt dat [appellant sub 7] de raad niet in kennis heeft gesteld van eventuele plannen om een bed & breakfast met een grotere omvang al dan niet met een eigen kookgelegenheid te realiseren.

28.2. In het stelsel van de Wro is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld.

[appellant sub 7] heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan reeds een concreet voornemen bestond. Met het door [appellant sub 7] gewenste ruimere aantal slaapplaatsen met ieder een eigen kookgelegenheid, hoefde de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan dan ook geen rekening te houden.

Het betoog faalt.

28.3. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 7] ongegrond.

Voorlopige voorziening en opdrachten

29. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen.

30. De Afdeling ziet voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat de bestemming "Agrarisch met waarden" en de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - veehouderij" blijft gelden ter plaatse van het mestbassin op het perceel [locatie 7] tot de inwerkingtreding van het nieuw vast te stellen bestemmingsplan.

Uitspraak verwerken op www.ruimtelijkeplannen.nl

31. Gelet op de overwegingen 11 en 18 ziet de Afdeling aanleiding uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, de raad op te dragen de hierna in de beslissing nader aangeduide onderdelen van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Proceskosten

32. Ten aanzien van [appellant sub 3], [appellant sub 5] en [appellant sub 7] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Ten aanzien van [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 4] en [appellant sub 6] dient de raad op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 4], en de maatschap [appellant sub 6A] (thans haar rechtsopvolger: de vennootschap onder firma VOF [appellant sub 6]) gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Schagen van 22 april 2014, voor zover

a. in de planregels niet is voorzien dat de nieuwe stallen ter plaatse van het perceel [locatie 3] als dijkstallen zoals bedoeld in de ruimtelijke onderbouwing [locatie 3] van 6 maart 2013 opgesteld door Oranjewoud worden gerealiseerd en aan de buitenzijde van het bouwvlak worden gesitueerd;

b. de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie - 3" is toegekend aan het plandeel ter plaatse van het perceel [locatie 4] nabij het perceel [locatie 5];

c. de bestemming "Water" is toegekend aan de plandelen aan de west- en oostzijde van het perceel [locatie 4] nabij het perceel [locatie 5];

d. de bestemming "Agrarisch met waarden" en de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - veehouderij" is toegekend aan het plandeel ter plaatse van het mestbassin op het perceel [locatie 7];

III. bepaalt dat aan artikel 3, een nieuw lid 3.2.8 wordt toegevoegd in de planregels en dat dit als volgt komt te luiden:

"Artikel 3, lid 3.2.8., De voorziene nieuwe stallen ter plaatse van het perceel [locatie 3], zijnde de stallen ter plaatse van het perceel dat ten tijde van het besluit van de raad van de gemeente Schagen van 22 april 2014 tot het vaststellen van het bestemmingsplan "Landelijk gebied Schagen" onbebouwd was, mogen niet in gebruik worden genomen indien deze niet zijn gerealiseerd als dijkstallen zoals bedoeld in de ruimtelijke onderbouwing [locatie 3] van 6 maart 2013 opgesteld door Oranjewoud en gesitueerd aan de buitenzijde van het bouwvlak;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voor zover vernietigd onder II sub a;

V. draagt de raad van de gemeente Schagen op om binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen voor de vernietigde plandelen zoals omschreven onder II, sub c en d, een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

VI. treft de voorlopige voorziening dat de bestemming "Agrarisch met waarden" en de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - veehouderij" blijven gelden ter plaatse van het plandeel zoals omschreven onder II, sub d;

VII. bepaalt dat de onder VI getroffen voorlopige voorziening vervalt op het tijdstip van inwerkingtreding van een bestemmingsplan zoals bedoeld onder V;

VIII. draagt de raad van de gemeente Schagen op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het onder II sub b genoemde onderdeel en het onder III genoemde onderdeel worden verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl;

IX. verklaart de beroepen van [appellant sub 3], [appellant sub 5] en [appellant sub 7] ongegrond;

X. veroordeelt de raad van de gemeente Schagen tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

veroordeelt de raad van de gemeente Schagen tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

veroordeelt de raad van de gemeente Schagen tot vergoeding van bij [appellant sub 4] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 520,64 (zegge: vijfhonderdtwintig euro en vierenzestig cent);

veroordeelt de raad van de gemeente Schagen tot vergoeding van bij de maatschap [appellant sub 6A] (thans haar rechtsopvolger: de vennootschap onder firma VOF [appellant sub 6]) in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 80,24 (zegge: tachtig euro en vierentwintig cent), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

XI. gelast dat de raad van de gemeente Schagen aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) voor [appellant sub 1], € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) voor [appellant sub 2], € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) voor [appellant sub 4] en € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) voor de maatschap [appellant sub 6A] (thans haar rechtsopvolger: de vennootschap onder firma VOF [appellant sub 6]) met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander, vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Schaaf, griffier.

w.g. Kranenburg w.g. Schaaf

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2015

523-812.