Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2168

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-07-2015
Datum publicatie
08-07-2015
Zaaknummer
201406267/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 juni 2014, kenmerk 14-00059, heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Maasdonk, herziening molen de Zwaan (Vinkel)" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/478

Uitspraak

201406267/1/R3.

Datum uitspraak: 8 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], beiden wonend te Vinkel, gemeente ‘s-Hertogenbosch,

2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], beiden wonend te Vinkel, gemeente ‘s-Hertogenbosch (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]),

en

de raad van de gemeente Maasdonk, thans gemeente 's-Hertogenbosch,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 3 juni 2014, kenmerk 14-00059, heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Maasdonk, herziening molen de Zwaan (Vinkel)" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 28 oktober 2014, kenmerk 14-00152, heeft de raad het besluit van 3 juni 2014 gewijzigd.

[appellanten sub 1], [appellant sub 2] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 april 2015, waar [appellanten sub 1], bijgestaan door mr. E.T. Stevens en ir. C.C.F. Mureau, [appellant sub 2], bijgestaan door mr. E.T. Stevens en ir. C.C.F. Mureau, en de raad, vertegenwoordigd door drs. I.C.M. Loos-van Loon, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, vertegenwoordigd door E.A.L.J.C. van Lieshout, werkzaam bij de provincie, en de stichting Stichting De Vinkelse Molen, vertegenwoordigd door E.A.J.F. van Wanrooij, H.P.C. van der Lee en J.H.L. van der Lee, bijgestaan door mr. H.G.M. van der Westen, advocaat te Eindhoven, beide als partij, gehoord.

Na de zitting zijn nog stukken van de raad aan de andere partijen toegezonden. [appellanten sub 1], [appellant sub 2] en de stichting hebben gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid om op deze stukken te reageren. De raad heeft gereageerd op deze reacties. Met toestemming van partijen is afgezien van nader onderzoek ter zitting.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet in een planologische regeling voor de herbouw van Molen De Zwaan in Vinkel. De molen wordt onder de naam De Vinkelse Molen herbouwd met een multifunctionele ruimte.

3. Ter zitting hebben [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] hun beroepsgronden over de door het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant verleende ontheffing, de ecologische verbindingszone, het provinciale beleid, het gemeentelijke beleid, de bouwmogelijkheden, het uitzicht vanaf hun percelen op de molen en de locatiekeuze ingetrokken.

Formeel

4. Bij besluit van 28 oktober 2014 heeft de raad het besluit van 3 juni 2014 gewijzigd. De Afdeling stelt vast dat de raad bij het besluit van 28 oktober 2014 een nieuw bestemmingsplan, bestaande uit een verbeelding, planregels en een plantoelichting, met een nieuw IMRO-nummer heeft vastgesteld. Gelet hierop moet het besluit van 28 oktober 2014 worden geacht het besluit van 3 juni 2014 te vervangen als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het besluit van 28 oktober 2014 wordt, gelet op deze bepaling, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.

De beroepsgronden tegen het besluit van 3 juni 2014 worden in beginsel ook geacht te zijn gericht tegen het besluit van 28 oktober 2014. Dit is anders voor zover het besluit van 28 oktober 2014 afwijkt van het besluit van 3 juni 2014 en voor zover beroepsgronden ter zitting zijn ingetrokken in verband met de verleende en inmiddels onherroepelijke omgevingsvergunning voor de in het plan voorziene ontwikkeling.

5. De stichting betoogt dat [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] geen belang meer hebben bij de beoordeling van hun beroepen, omdat de verleende bouwvergunning voor De Vinkelse Molen inmiddels onherroepelijk is. Zoals hiervoor, onder 2, staat vermeld, voorziet het plan in een planologische regeling voor deze ruimtelijke ontwikkeling. Anders dan de stichting heeft betoogd, bestaat in de door haar genoemde omstandigheid geen aanleiding voor het oordeel dat [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] niet langer belang hebben bij een uitspraak op hun beroepen. Hiertoe is van belang dat een bestemmingsplan zich leent voor herhaalde toepassing. Voorts hebben [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] toegelicht onder meer bezwaar te hebben tegen de gebruiksmogelijkheden van en de beoogde toegangsweg tot de molen. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen tegen het besluit van 28 oktober 2014 ontvankelijk.

Inhoudelijk

Molenbiotoop

6. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] kunnen zich niet verenigen met het plan. Zij wonen op ongeveer 100 m afstand tot het plangebied en vrezen hinder van de bezoekers van de molen te zullen ondervinden. Voorts vrezen zij dat alleen de onderbouw, waarin de multifunctionele ruimte is voorzien, zal worden gerealiseerd. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat in het plan ten onrechte niet de volledige molenbiotoop is opgenomen.

[appellanten sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de in artikel 6, lid 6.1, onder b, van de planregels opgenomen formule onredelijk beperkend is voor hun bouwmogelijkheden.

6.1. Aan het hele plangebied zijn de bestemming "Maatschappelijk - Molen" en de aanduiding "vrijwaringszone - molenbiotoop" toegekend.

Ingevolge artikel 6, lid 6.1, onder b, van de planregels geldt voor de gronden ter plaatse van de aanduiding "vrijwaringszone - molenbiotoop", in afwijking van hetgeen elders in deze regels is bepaald, dat binnen de zone gemeten vanaf de molen tot een afstand van 400 m, geen hogere gebouwen mogen worden gebouwd dan door middel van de in deze bepaling opgenomen formule wordt bepaald.

6.2. De Afdeling vat het betoog dat in het plan ten onrechte niet de volledige molenbiotoop is opgenomen op als te zijn gericht tegen de begrenzing van het bestemmingsplan. De raad komt beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Zij neemt daarbij het volgende in aanmerking. Naar het oordeel van de Afdeling is de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan dat voorziet in een planologische regeling voor een molen niet zonder meer gehouden de gehele molenbiotoop op te nemen in datzelfde plan. Het besluit van 28 oktober 2014 wijkt in die zin af van het besluit van 3 juni 2014 dat de omvang van het plangebied is beperkt tot de omvang van de molen en de toegangsweg. Niet is gebleken dat de gronden die voor het opnemen van een volledige molenbiotoop bij het plangebied zouden moeten worden betrokken een zodanige ruimtelijke samenhang hebben met het plangebied dat deze hierin dienden te worden opgenomen. Voorts staat in paragraaf 2.2 van de plantoelichting dat de molen een belangrijke maatschappelijk functie krijgt als educatiecentrum voor cultuurhistorie, water- en natuurbeleving en dat de molen alleen op zaterdag zal worden ingezet voor het malen van graan. In paragraaf 4.4.1 van de plantoelichting staat dat de raad de molenbiotoop binnen 400 m rondom de molen in toekomstige herzieningen van de geldende bestemmingsplannen zal opnemen door daartoe de aanduiding "vrijwaringszone - molenbiotoop" vast te stellen. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] hebben niet gesteld dat bij deze herzieningen niet een zodanige molenbiotoop kan worden gewaarborgd dat de molen voldoende windvang heeft voor het beoogde gebruik met behoud van voldoende bouwmogelijkheden ter plaatse van hun gronden. Onder de hiervoor geschetste omstandigheden bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad ter voorkoming van een belemmering van de vrije windvang, voor zover deze nodig is gelet op het beoogde gebruik van de molen, niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van het opnemen van de volledige molenbiotoop in dit plan.

6.3. De Afdeling stelt vast dat de aanduiding "vrijwaringszone - molenbiotoop" in het besluit van 28 oktober 2014 alleen is toegekend aan de gronden gelegen binnen het plangebied. Het gevolg hiervan is dat aan de zinsnede "binnen de zone gemeten vanaf de molen tot een afstand van 400 m" in artikel 6, lid 6.1, onder b, van de planregels geen betekenis toekomt voor zover het gronden betreft gelegen buiten het plangebied. Gelet hierop leidt deze bepaling niet tot een beperking van de bouwmogelijkheden ter plaatse van de gronden van [appellanten sub 1] en [appellant sub 2], nu deze buiten het plangebied liggen. De bewoording in artikel 6, lid 6.1, onder b, van de planregels wekt evenwel de indruk dat deze bepaling mede ziet op gronden buiten het plangebied. De Afdeling is dan ook van oordeel dat artikel 6, lid 6.1, onder b, van de planregels in zoverre onvoldoende duidelijk is en derhalve is vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Het betoog slaagt.

Gebruiksmogelijkheden

7. Volgens [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] is in de planregels ten onrechte niet als voorwaardelijke verplichting opgenomen dat de multifunctionele ruimte in de molen pas in gebruik mag worden genomen indien de hele molen is gerealiseerd. Zij vrezen dat de molen niet volledig zal worden gerealiseerd, maar dat zal worden volstaan met de bouw van de multifunctionele ruimte.

7.1. Ingevolge artikel 3.1 van de planregels zijn de voor "Maatschappelijk - Molen" aangewezen gronden bestemd voor:

a. een molen, al dan niet in combinatie met:

1. sociaal-culturele voorzieningen;

2. educatieve voorzieningen;

3. (dag)recreatieve voorzieningen;

4. een molenbedrijf;

5. ondergeschikte horeca tot een maximum van 100 m²;

b. instandhouding en/of herstel van de molen na oprichting en zijn cultuurhistorische en landschappelijke waarden;

met daaraan ondergeschikt:

c. groenvoorzieningen;

d. verkeersvoorzieningen;

e. voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding;

f. speelvoorzieningen;

g. nutsvoorzieningen;

met de daarbij behorende:

h. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

7.2. In paragraaf 2.2 van de plantoelichting staat dat in de molen een multifunctionele ruimte zal worden gerealiseerd ten behoeve van de sociaal-culturele, educatieve en recreatieve functie van de molen. De Afdeling stelt vast dat uit artikel 3.1, aanhef en onder a, van de planregels volgt dat de sociaal-culturele, educatieve en (dag)recreatieve voorzieningen en de ondergeschikte horeca alleen zijn toegestaan in combinatie met een molen. Daarbij behoren in dit geval ook de wieken. Voor de vrees van [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] dat de molen niet volledig zal worden gerealiseerd wanneer de multifunctionele ruimte in gebruik is genomen bestaat derhalve geen grond. Dit gebruik zou immers in strijd zijn met artikel 3.1, aanhef en onder a, van de planregels en hiertegen kan handhavend worden opgetreden. Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid kunnen afzien van de door [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] gewenste voorwaardelijke verplichting. Het betoog faalt.

Milieueffecten

8. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de raad ten onrechte geen onderzoek heeft verricht naar de milieueffecten van het plan. Zo heeft geen onderzoek plaatsgevonden naar de bodemkwaliteit en de geluid- en geurbelasting ter plaatse van de molen. Zij betogen verder dat ten onrechte geen onderzoek is verricht naar de geluidbelasting van het in werking zijn van de molen en de overige voorziene activiteiten op de omliggende woningen. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] voeren aan dat de raad er ten onrechte van uitgaat dat het plangebied ligt in gemengd gebied als bedoeld in de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" uit 2009 (hierna: de VNG-brochure). Ook indien wel kan worden uitgegaan van de ligging in een gemengd gebied, kan de daarbij aanbevolen afstand volgens hen niet zonder meer worden toegepast. Zij verwijzen naar de uitspraak van de Afdeling van 12 september 2012 in zaak nr. 201109894/1/R3. Voorts is volgens [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] onduidelijk op welke wijze het afvalwater zal worden afgevoerd. Zij stellen dat thans geen riolering aanwezig is in het plangebied.

8.1. Het omgevingstype rustige woonwijk wordt in de VNG-brochure als volgt omschreven: Een rustige woonwijk is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen, in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties, is weinig verstoring door verkeer. Het omgevingstype gemengd gebied wordt in de VNG-brochure als volgt omschreven: Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd.

In de plantoelichting wordt voor de aspecten geluid en geur verwezen naar de ruimtelijke onderbouwing van onderzoeksbureau G&O Consult (hierna: ruimtelijke onderbouwing). In de ruimtelijke onderbouwing staat dat de omgeving van het plangebied, gelet op de omliggende bedrijvigheid en woningen, in een gemengd gebied ligt. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de bedrijvigheid direct naast woningen onder meer bestaat uit een groot transportbedrijf en drie horecavoorzieningen aan de Brugstraat. Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad deze bedrijvigheid aan de Brugstraat, gelet op de afstand tussen de Brugstraat en de woningen van [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] van ongeveer 290 m, niet in redelijkheid bij de typering van het gebied heeft kunnen betrekken. Voorts hebben [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] ter zitting toegelicht dat de directe omgeving van het plangebied bestaat uit zowel natuurgebied als agrarisch gebied. Gelet hierop heeft de raad in redelijkheid kunnen uitgaan van het omgevingstype gemengd gebied.

8.2. De molen zal, gelet op de in het plan toegestane bouwmogelijkheden, een wiekdiameter van maximaal 26 hebben. Bij een gemengd gebied wordt in de VNG-brochure aanbevolen om met betrekking tot een molen met een wiekdiameter van 30 wat betreft het aspect geluid een richtafstand van 100 m aan te houden. Voor de overige voorziene functies heeft de raad aangesloten bij de in de VNG-brochure aanbevolen afstand van 30 m voor theaters, schouwburgen, concertgebouwen en evenementenhallen. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de raad zich niet in redelijkheid op deze afstanden heeft kunnen baseren. Ter zitting hebben partijen toegelicht dat de woningen van [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] staan op een afstand van ongeveer 100 m en verder van de molen. De raad heeft gelet hierop terecht gesteld dat zal worden voldaan aan de in de VNG-brochure opgenomen richtafstanden. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat, hoewel ruimschoots aan de toegepaste richtafstanden wordt voldaan, ter plaatse van hun woningen een onaanvaardbare geluidbelasting zal optreden ten gevolge van het in gebruik zijn van de molen. Anders dan in genoemde uitspraak van de Afdeling van 12 september 2012, hebben zij dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de raad niet heeft kunnen volstaan met de verwijzing naar de VNG-brochure.

8.3. Wat betreft de afvoer van het afvalwater overweegt de Afdeling als volgt. In de plantoelichting staat dat het van de molen afkomstige afvalwater zal worden afgevoerd via het riool. Voorts heeft de stichting ter zitting toegelicht dat het aansluitpunt van de riolering reeds is gerealiseerd en kan worden aangesloten. Gelet hierop valt niet in te zien dat onvoldoende duidelijk is hoe het afvalwater zal worden afgevoerd.

8.4. Wat betreft mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem in het plangebied overweegt de Afdeling dat gesteld noch gebleken is dat de verontreiniging aan de realisatie van het plan in de weg staat. Wat betreft de gestelde geur- en geluidbelasting ter plaatse van de molen is niet gebleken dat sprake is van rechtsregels die strekken ter bescherming van de belangen van [appellanten sub 1] en [appellant sub 2]. Nu een eventuele schending van de ingeroepen rechtsregel, gelet op artikel 8:69a van de Awb, niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit, wordt een inhoudelijke bespreking van deze beroepsgrond achterwege gelaten.

8.5. Gelet op het voorgaande faalt het betoog van [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] dat de raad ten onrechte geen onderzoek heeft verricht naar de milieueffecten van het plan.

Flora- en fauna

9. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat onvoldoende is onderzocht of het plan leidt tot negatieve effecten op de in en om het plangebied aanwezige flora en fauna. Zij stellen dat de gehanteerde onderzoeksgegevens van de Nationale databank Flora- en fauna verouderd zijn, nu gegevens zijn gebruikt uit perioden voor 2010. Omdat het plangebied in 2010 is omgezet van landbouwgrond naar natuur, kan van deze gegevens volgens [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] geen gebruik worden gemaakt. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] stellen dat een quickscan inclusief veldonderzoek dient te worden uitgevoerd.

9.1. De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling geldt dan wel een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Voor het plangebied is een quickscan voor flora en fauna uitgevoerd met behulp van gegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna. Ten gevolge van het plan zal een deel van het foerageergebied van enkele beschermde diersoorten verdwijnen. In de omgeving van het plangebied zijn volgens de quickscan voldoende andere foerageergebieden aanwezig. Op basis van deze quickscan wordt niet verwacht dat een ontheffing op grond van de Ffw nodig is. Deze bevindingen worden onderschreven door de naar aanleiding van de beroepschriften opgestelde "QuickScan flora en fauna Herziening Molen De Zwaan, Gemeente Maasdonk" van adviesbureau BRO van 25 november 2014 (hierna: de quickscan van BRO). In de quickscan van BRO staat dat zowel een veldonderzoek als een bronnenonderzoek is verricht. Bij het bronnenonderzoek is gebruik gemaakt van vrij beschikbare gegevens. De conclusie in de quickscan van BRO is dat het plangebied een geschikt leefgebied vormt voor enkele algemene beschermde grondgebonden zoogdieren waarvoor een algemene vrijstelling van de Ffw geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen. Negatieve effecten voor jaarrond beschermde nesten worden uitgesloten. Voorts zijn alleen vogelsoorten te verwachten waarvan de nesten uitsluitend tijdens de broed- en nestperiode zijn beschermd. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat met het veldonderzoek de verouderde gegevens van het bronnenonderzoek, voor zover daarvan sprake zou zijn, onvoldoende zijn aangevuld of dat de quickscan van BRO anderszins zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat deze de conclusie in de plantoelichting niet kan bevestigen. Voor zover [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat een veldbezoek tijdens de wintermaanden niet representatief is voor de aanwezige natuurwaarden, is van belang dat de raad heeft toegelicht dat bij de quickscan van BRO niet alleen is gekeken naar de feitelijk aanwezige natuurwaarden, maar dat ook is beoordeeld of het plangebied als biotoop geschikt is voor beschermde soorten. De Afdeling ziet geen aanleiding om aan de juistheid van de gegeven toelichting te twijfelen. Voorts hebben [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] niet aannemelijk gemaakt dat het plan zodanig negatieve effecten zal hebben op de buiten het plangebied aanwezige bomen en poelen dat, daargelaten of deze moeten worden aangemerkt als leef- of foerageergebied, de raad het plan niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen.

Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de Ffw op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Het betoog faalt.

Parkeren

10. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] stellen dat de door de raad beoogde parkeervoorzieningen op een te grote loopafstand van de voorziene molen liggen en vrezen daarom dat de bezoekers van de molen zullen parkeren aan de Rijshoeve, waar zij wonen. Dit zal volgens hen tot parkeeroverlast leiden. Voorts vrezen zij dat de bezoekers zullen parkeren ter plaatse van de toegang naar het achter hun woningen gelegen natuurgebied en op de zandweg die de ontsluiting van het plangebied vormt. Volgens [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] is in de plantoelichting van een te laag aantal benodigde parkeerplaatsen uitgegaan omdat is gerekend met een bruto-vloeroppervlak van 100 m² in plaats van 240 m². Zij stellen dat onvoldoende is onderbouwd dat in de parkeerbehoefte ten gevolge van het in gebruik zijn van de molen kan worden voorzien. Weliswaar stelt de raad dat kan worden geparkeerd ter plaatse van enkele nabij gelegen horecagelegenheden, maar volgens hen is niet aangetoond dat daartoe overeenkomsten met de ondernemers van de betreffende gelegenheden zijn gesloten. Voorts bieden dergelijke overeenkomsten volgens [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] onvoldoende waarborg dat ook in de toekomst voldoende parkeergelegenheid beschikbaar is.

10.1. In de plantoelichting staat dat van de molen nauwelijks een verkeersaantrekkende werking zal uitgaan, omdat met name fietsers en wandelaars de molen zullen bezoeken. Op basis van de parkeerkencijfers van het CROW is berekend dat in totaal vijf parkeerplaatsen zijn benodigd. Daarbij is uitgegaan van het aantal benodigde parkeerplaatsen bij een cultureel centrum/wijkgebouw en bij een wijk-, buurt- en dorpscentrum per 100 m² bruto vloeroppervlak. De Afdeling stelt vast dat de voorziene multifunctionele ruimte weliswaar een gebruiksoppervlak zal hebben van ongeveer 240 m², maar aannemelijk is gemaakt dat ook bij dit oppervlak voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zijn. Daartoe is van belang dat de stichting ter zitting heeft toegelicht dat met de ondernemers van de omliggende horecagelegenheden Den Driehoek, De Dorsvlegel en De Slothoeve is overeengekomen dat de volledige parkeerterreinen bij deze gelegenheden, die in totaal uit ongeveer 100 parkeerplaatsen zullen bestaan, door de bezoekers van de molen mogen worden gebruikt. Dit dubbelgebruik zal naar verwachting geen problemen opleveren, omdat bij de molen andere openingstijden worden gehanteerd dan bij genoemde horecagelegenheden. De raad heeft genoemde schriftelijke afspraken toegezonden. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding te twijfelen aan de mogelijkheid voor de bezoekers van de molen om op de beoogde parkeerterreinen te parkeren. Voorts overweegt de Afdeling dat genoemde horecagelegenheden liggen op afstanden tussen de ongeveer 330 m en 450 m van het plangebied. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat deze afstanden zodanig groot zijn dat te verwachten valt dat bezoekers van de molen hun auto zullen parkeren aan de Rijshoeve. Verder staat in de plantoelichting dat het plangebied bereikbaar is via een zandweg vanaf de Brugstraat. Deze zandweg zal alleen door bezoekers van de molen die met de fiets of te voet komen, worden gebruikt. Vast is komen te staan dat het een langzaam verkeersroute betreft waar niet mag worden geparkeerd. Voor parkeeroverlast ter plaatse hoeft dan ook niet te worden gevreesd. Bovendien is tussen partijen niet in geschil dat parkeren aan de Rijshoeve, anders dan op eigen terrein, ter plaatse van de toegang van het natuurgebied en ter plaatse van de zandweg niet is toegestaan en eventuele parkeeroverlast in zoverre een kwestie van handhaving betreft. Dat thans ook op deze locaties wordt geparkeerd door bezoekers van de molen doet, wat daarvan ook zij, hier niet aan af.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat ten gevolge van het plan onaanvaardbare parkeeroverlast zal optreden. Het betoog faalt.

Privacy

11. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat hun privacy ernstig wordt aangetast door het gebruik van de molen. De openingstijden zijn volgens hen ten onrechte niet vastgelegd in het plan. Zij vrezen dat de bezoekers van de molen vanaf de gronden tussen de molen en de woningen van [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] inkijk zullen hebben in hun tuinen en woningen. Ook in dit verband voeren [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] aan dat de raad er ten onrechte van uitgaat dat de bezoekers de molen zullen bereiken via een zandweg van de Brugstraat naar de molen in plaats van via de Rijshoeve. Zij wensen een andere ontsluiting van het plangebied.

11.1. De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. De raad stelt dat de zandweg die de ontsluiting vormt van het plangebied alleen toegankelijk is voor verkeer ten behoeve van levering van grondstoffen en het ophalen van eindproducten van en naar de molen. Voor zover [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] stellen dat ook ander verkeer gebruik maakt van de zandweg hebben zij niet aannemelijk gemaakt dat hiertegen niet handhavend kan worden opgetreden. Voor zover [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] vrezen voor inkijk van bezoekers van de molen vanaf de zandweg achter hun woningen, hebben zij niet aannemelijk gemaakt dat die vorm van inkijk leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de privacy. Voorts valt, gelet op hetgeen hiervoor onder 10.1 is overwogen, niet te verwachten dat bezoekers van de molen hun auto zullen parkeren aan de Rijshoeve. Niet aannemelijk is gemaakt dat de zandweg geen deugdelijke ontsluiting is van het plangebied. Reeds gelet op het voorgaande heeft de raad niet hoeven uitgaan van een zodanige aantasting de privacy van [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] dat hij het plan niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. Het betoog faalt.

Financiële uitvoerbaarheid

12. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat onvoldoende is onderzocht of het plan financieel uitvoerbaar is. Zij vrezen dat de bouwwerkzaamheden voortijdig moeten worden gestaakt en zij daarmee langer bouwoverlast zullen ondervinden. Volgens [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] is slechts een klein deel van het voor de bouw van de molen benodigde bedrag beschikbaar en is niet zeker of het resterende bedrag tijdig ter beschikking komt. Voorts is de financiële uitvoerbaarheid van het plan gelet op de te verwachten tegemoetkomingen in planschade, volgens hen onvoldoende aangetoond. Daarbij is volgens [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] van belang dat in de planschaderisicoanalyse is uitgegaan van een bebouwingsoppervlak van 176 m² in plaats van 290 m². Zij stellen dat weliswaar met de stichting is overeengekomen dat zij de planschade voor haar rekening neemt, maar de stichting beschikt daarvoor volgens hen over onvoldoende financiële middelen.

12.1. In het kader van een beroep tegen een bestemmingsplan kan een betoog dat ziet op de uitvoerbaarheid van dat plan, waaronder ook de financiële uitvoerbaarheid is begrepen, slechts leiden tot vernietiging van het bestreden besluit indien en voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode van in beginsel tien jaar.

De raad heeft met de stichting een anterieure overeenkomst gesloten waarbij overeenkomstig artikel 6.24, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet ruimtelijke ordening is bepaald dat de planschade kan worden verhaald op de stichting. Door middel van een planschaderisicoanalyse zijn de risico’s in beeld gebracht. Weliswaar is bij deze analyse uitgegaan van een maximaal bebouwingsoppervlak van 176 m², maar [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit tot zodanig andere uitkomsten leidt dat de raad zich bij de vaststelling van het plan niet in redelijkheid op de planschaderisicoanalyse heeft mogen baseren. Voor zover [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de stichting onvoldoende vermogen heeft om de planschadekosten te dragen en dat daarmee het plan financieel niet uitvoerbaar is, overweegt de Afdeling dat in deze procedure niet de financiële positie van een concrete initiatiefnemer ter beoordeling staat, maar de financiële uitvoerbaarheid van het plan als zodanig. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat geen van de bij de gesloten anterieure overeenkomst betrokken partijen, waaronder de gemeente, de planschadekosten kan dragen, zodat het plan financieel niet uitvoerbaar zou zijn. Ter zitting heeft de stichting toegelicht dat de eerste fase van de bouw inmiddels is uitgevoerd en dat de kosten 40% lager zijn uitgevallen dan berekend, mede dankzij de hulp van vrijwilligers. De verwachting van de stichting is dat deze hulp ook bij de volgende fases van de bouw de daadwerkelijke kosten zal verlagen. Voorts heeft de raad ter zitting toegelicht er niet aan te twijfelen dat de planschade kan worden verhaald op de stichting, maar dat de gemeente deze kosten ook zou kunnen dragen indien de stichting daartoe niet in staat zou zijn. Tegen deze achtergrond ziet de Afdeling in hetgeen [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode van in beginsel tien jaar. Het betoog faalt.

Slotconclusie

13. In hetgeen [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 28 oktober 2014, wat betreft de vaststelling van artikel 6, lid 6.1, onder b, van de planregels is genomen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. De beroepen zijn gegrond; het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd.

De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door een nieuw artikel 6, lid 6.1, onder b, van de planregels vast te stellen, waarin geen zone van 400 m gemeten vanaf de molen tot een afstand van 400 m in is opgenomen, en te bepalen dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 28 oktober 2014, voor zover dat is vernietigd. De Afdeling acht niet aannemelijk dat belanghebbenden daardoor in hun belangen worden geschaad.

14. Het besluit van 28 oktober 2014 wordt met de bekendmaking van deze uitspraak onherroepelijk. Onder deze omstandigheden en nu overigens niet is gebleken van enig belang bij een beoordeling van de beroepen tegen het besluit van 3 juni 2014 ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] geen procesbelang meer hebben bij een beoordeling van de beroepen tegen dat besluit. In verband hiermee zijn de beroepen van [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] tegen het besluit van 3 juni 2014 niet-ontvankelijk.

Proceskostenveroordeling

15. De raad dient ten aanzien van de beroepen tegen het besluit van 28 oktober 2014 op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Nu het besluit van 3 juni 2014 naar aanleiding van de beroepen is gewijzigd, ziet de Afdeling tevens aanleiding de raad te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten ten aanzien van de beroepen tegen het besluit van 3 juni 2014. Daarbij neemt de Afdeling voorts in aanmerking dat zowel de beroepen die zijn ingediend tegen het besluit van 3 juni 2014 als die tegen het besluit van 28 oktober 2014 twee afzonderlijke beroepen zijn die op dezelfde gronden zijn ingediend. Derhalve worden deze beroepen ingevolge artikel 3, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht beschouwd als één samenhangende zaak.

Wat betreft de kosten die in het kader van het besluit van 3 juni 2014 zijn gemaakt voor het aan [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] uitgebrachte deskundigenrapport van Mureau Advies overweegt de Afdeling als volgt. De kosten van een deskundige zijn redelijkerwijs gemaakt indien het inroepen van die deskundige redelijk was en de deskundigenkosten zelf redelijk zijn. Het inroepen van een deskundige naar aanleiding van de door de raad gemaakte locatiekeuze is naar het oordeel van de Afdeling redelijk. Voor de vergoeding van de kosten van het opstellen van een deskundigenrapport hanteert de Afdeling een forfaitair bedrag van € 75,00 per uur. Uit de factuur volgt dat de deskundige van Mureau Advies 15,25 uren heeft besteed aan het rapport. Het te vergoeden bedrag voor het opstellen van dit deskundigenrapport bedraagt derhalve € 1143,75.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] tegen het besluit van de raad van de gemeente Maasdonk, thans gemeente 's-Hertogenbosch, van 3 juni 2014, kenmerk 14-00059, niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] tegen het besluit van de raad van de gemeente Maasdonk, thans gemeente 's-Hertogenbosch, van 28 oktober 2014, kenmerk 14-00152, gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Maasdonk, thans gemeente 's-Hertogenbosch, van 28 oktober 2014, kenmerk 14-00152, voor zover het betreft artikel 6, lid 6.1, onder b, van de planregels;

IV. bepaalt dat artikel 6, lid 6.1, onder b, van de planregels als volgt komt te luiden:

"Voor de gronden ter plaatse van de aanduiding "vrijwaringszone - molenbiotoop" geldt, in afwijking van hetgeen elders in deze regels is bepaald, dat geen hogere gebouwen mogen worden gebouwd dan door middel van onderstaande formule wordt bepaald:

H = X/n + c*z

Waarin:

H = de toelaatbare bouwhoogte in meters (gemeten vanaf het peil ter plaatse van de molen)

X = de afstand in meters vanaf het gebouw tot de wieken van de molen

n = 75 (coëfficiënt voor ruw gebied)

c = 0,2 (constante in verband met een windreductie van 5%)

z = askophoogte";

V. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het onder III vernietigde onderdeel van het besluit van de raad van de gemeente Maasdonk, thans gemeente 's-Hertogenbosch, van 28 oktober 2014, kenmerk 14-00152;

VI. draagt de raad van de gemeente Maasdonk, thans gemeente ’s-Hertogenbosch, op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de hiervoor vermelde onderdelen onder III en IV worden verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

VII. veroordeelt de raad van de gemeente Maasdonk, thans gemeente ’s-Hertogenbosch, tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten als volgt:

a. aan [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] een bedrag van € 1184,38 (zegge: elfhonderdvierentachtig euro en achtendertig cent), waarvan € 612,50 (zegge: zeshonderdtwaalf euro vijftig) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

b. aan [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] een bedrag van € 1184,38 (zegge: elfhonderdvierentachtig euro en achtendertig cent), waarvan € 612,50 (zegge: zeshonderdtwaalf euro vijftig) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

VIII. gelast dat de raad van de gemeente Maasdonk, thans gemeente ’s-Hertogenbosch aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht als volgt vergoedt;

a. € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) voor [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

b. € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) voor [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Vletter, griffier.

w.g. Van Ettekoven w.g. Vletter

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2015

653.