Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2160

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-07-2015
Datum publicatie
08-07-2015
Zaaknummer
201406822/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:6328, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 oktober 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de huurtoeslag van [appellante] voor het jaar 2011 vastgesteld op nihil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201406822/1/A2.

Datum uitspraak: 8 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 juli 2014 in zaak nr. 14/1597 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 11 oktober 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de huurtoeslag van [appellante] voor het jaar 2011 vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 19 februari 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 juli 2014, verzonden op 31 juli 2014, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 februari 2015, waar [appellante], bijgestaan door [gemachtigde], en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door mr. J.H.E. van der Meer, aldaar werkzaam, zijn verschenen. De Afdeling heeft het onderzoek ter zitting geschorst om [appellante] in de gelegenheid te stellen foto’s van de woning aan de [locatie A] in Rotterdam over te leggen.

Bij brief van 22 februari 2015 heeft [appellante] nadere stukken overgelegd.

Bij brief van 4 maart 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen een nadere reactie gegeven.

De Afdeling heeft de zaak verder ter zitting van 17 juni 2015 behandeld, waar [appellante], bijgestaan door [gemachtigde], en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, aldaar werkzaam, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder j, van de Wet op de huurtoeslag (hierna: Wht), zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, wordt in deze wet en de bepalingen die daarop berusten onder woning verstaan: een gebouwde onroerende zaak voor zover deze als zelfstandige woonruimte, onvrije etage dan wel andere onzelfstandige woonruimte is verhuurd, alsmede de onroerende aanhorigheden.

Ingevolge artikel 1a, eerste lid, is op deze wet de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) van toepassing, met uitzondering van artikel 6, eerste en tweede lid.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, is het recht op en de hoogte van de huurtoeslag afhankelijk van de draagkracht, waaronder begrepen het vermogen, van de huurder, diens partner en de medebewoners.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, wordt een huurtoeslag slechts toegekend:

a. als de huurder, diens partner alsmede degenen die medebewoner van de woning zijn, op het adres van die woning zijn ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: GBA; thans: basisregistratie personen);

b. als op dat adres geen andere personen staan ingeschreven in de GBA, behoudens eventueel een onderhuurder en personen die behoren tot diens huishouden.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, aanhef en onder a, wordt een huurtoeslag slechts toegekend voor de huur van een woning die een zelfstandige woonruimte of een onvrije etage is.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Awir wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen, alsmede in inkomensafhankelijke regelingen, onder medebewoner verstaan: de persoon die op hetzelfde woonadres als de belanghebbende staat ingeschreven in de GBA, met dien verstande dat als medebewoner niet wordt aangemerkt:

1.o de partner van de belanghebbende;

2.o de persoon die op basis van een schriftelijke overeenkomst met de belanghebbende een deel van de woning huurt, tenzij deze een bloed- of aanverwant in de eerste graad is van de belanghebbende of van diens partner;

3.o degene die tot het huishouden van de onder 2o bedoeld persoon behoort.

2. [appellante] huurde in 2011 woonruimte op de tweede etage van de woning aan de [locatie A] in Rotterdam. De Belastingdienst/Toeslagen heeft aan het besluit van 19 februari 2014 ten grondslag gelegd dat [appellante] niet in aanmerking komt voor huurtoeslag omdat de door haar gehuurde woning geen zelfstandige woonruimte is wegens het gemeenschappelijk gebruik van de (woon-) slaapkamer, keuken met aanrecht, aan- en afvoer voor water, aansluitpunt voor een kooktoestel en toilet met waterspoeling.

3. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de Belastingdienst/Toeslagen ten onrechte geen onderzoek heeft ingesteld naar de adresgegevens van [appellante] in de GBA. Zij voert in dit verband aan dat de GBA van de gemeente Rotterdam niet op orde is. Volgens [appellante] heeft de rechtbank in dit verband ten onrechte geen rekening gehouden met het rapport van de ombudsman van Rotterdam van juni 2014.

[appellante] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de door haar gehuurde woning een zelfstandige woonruimte is. Omdat de woning een zelfstandige woonruimte is heeft de Belastingdienst/Toeslagen ten onrechte voor het recht op huurtoeslag van [appellante] het toetsingsinkomen van haar buurvrouw meegerekend.

3.1. [appellante] heeft het rapport van de ombudsman van Rotterdam pas bij brief van 29 juli 2014 overgelegd, die op 31 juli 2014 bij de rechtbank is ingekomen. De rechtbank had op 28 juli 2014 reeds uitspraak gedaan, al was een afschrift van de uitspraak pas op 31 juli 2014 aan partijen verzonden. De rechtbank kon dit rapport reeds om die reden niet meer bij haar oordeel betrekken. De Afdeling zal dit echter wel doen.

3.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 december 2012 in zaak nr. 201204442/1/A2) mag de Belastingdienst/Toeslagen er in beginsel van uitgaan dat op één GBA-adres één zelfstandige woning is gelegen en dat al degenen die op hetzelfde adres zijn ingeschreven, met uitzondering van de onderhuurder en degenen die behoren tot diens huishouden, mag aanmerken als medebewoners die behoren tot hetzelfde huishouden als de aanvrager van huurtoeslag. Het is aan de aanvrager om aan te tonen dat op één GBA-adres meerdere zelfstandige woningen zijn gelegen door bewijsstukken over te leggen waaruit blijkt dat de gehuurde woning beschikt over een eigen toegang en wezenlijke voorzieningen die niet met andere bewoners op hetzelfde adres worden gedeeld. Voorts dient de huurder aan te tonen dat degene die de Belastingdienst/Toeslagen als medebewoner heeft aangemerkt niet tot zijn huishouden behoort of heeft behoord.

3.3. De Belastingdienst/Toeslagen behoefde geen onderzoek in te stellen naar de inschrijving in de GBA van het woonadres van [appellante]. De dienst moet in beginsel uitgaan van de inschrijving in de GBA. Dat volgens [appellante] de GBA in Rotterdam niet op orde is, ten bewijze waarvan zij het rapport van de ombudsman van Rotterdam van juni 2014 heeft overgelegd, betekent niet dat de Belastingdienst/Toeslagen van voormeld uitgangspunt diende af te wijken. Het rapport van de ombudsman van Rotterdam is te algemeen van strekking om als bewijs te kunnen dienen voor de stelling dat op het adres [locatie A] meer dan één zelfstandige woning is gelegen.

3.4. Uit de in bezwaar overgelegde huurovereenkomst blijkt dat het gehuurde een onzelfstandige woonruimte is met het mede-gebruik van (indien van toepassing) de gemeenschappelijke ruimte(n) waaronder de entree, toilet, keuken, douche, badkamer, bergruimte, fietsenberging, tuin, balkon, terras, kelder en andere ruimten. Uit de verklaring van de verhuurder van 18 november 2013 blijkt dat het een huurovereenkomst voor kamerhuur betreft met gemeenschappelijk gebruik van keuken en douche. Aan de door [appellante] in hoger beroep overgelegde verklaring van de verhuurder van 8 augustus 2014 kan niet de waarde worden gehecht die zij daaraan gehecht wil zien omdat deze verklaring niet in overeenstemming is met de eerdere verklaring van de verhuurder en de hiervoor vermelde huurovereenkomst.

Uit de overgelegde foto’s blijkt niet dat de woning een zelfstandige woonruimte is, reeds nu op deze foto’s slechts de buitenzijde van de woning wordt getoond. Aan de overgelegde door [appellante] zelf getekende plattegronden van de woningen op het adres [locatie A] en de overgelegde verklaringen van [personen] kan in dit verband reeds hierom geen doorslaggevende betekenis worden toegekend, omdat deze niet worden bevestigd door andere bewijsstukken.

Nu uit de verklaring van de verhuurder van 18 november 2013 en de huurovereenkomst blijkt dat het gehuurde een onzelfstandige woonruimte is, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat [appellante] daarmee niet heeft aangetoond dat op het adres [locatie A] meerdere zelfstandige woningen zijn gelegen.

3.5. De Belastingdienst/Toeslagen heeft zich voorts tijdens de zitting van 4 februari 2015 terecht op het standpunt gesteld dat [appellante] in geval wel van zelfstandige woonruimte zou zijn uitgegaan ook op grond van haar inkomen geen recht heeft op huurtoeslag over 2011. Immers in dat geval wordt de woning aangemerkt als een zelfstandige woonruimte en dient het huishouden van [appellante] als een eenpersoonshuishouding aangemerkt te worden. De inkomensgrens om in aanmerking te komen voor huurtoeslag voor een eenpersoonshuishouden was in 2011 ingevolge artikel 14, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wht € 21.625,00. Omdat [appellante] over 2011 een inkomen had van € 22.677,00 heeft zij ook bij een zelfstandige woonruimte geen recht op huurtoeslag. Dat [appellante], zoals zij tijdens de zitting van 17 juni 2015 heeft gesteld, bij de inspecteur voor de inkomstenbelasting een verzoek heeft ingediend tot middeling van haar inkomen, maakt dit niet anders. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 7 juli 2010 in zaak nr. 200908038/1/H2; www.raadvanstate.nl), is de Belastingdienst/Toeslagen ingevolge artikel 7, eerste lid, gelezen in verbinding met artikel 8, eerste lid, van de Awir, bij de bepaling van de draagkracht gehouden het verzamelinkomen, zoals vastgesteld door de inspecteur voor de inkomstenbelasting in de aanslag inkomstenbelasting, in aanmerking te nemen. De Belastingdienst/Toeslagen heeft derhalve in het besluit van 19 februari 2014 terecht het destijds door de inspecteur vastgestelde verzamelinkomen betrokken.

3.6. De betogen falen.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Lodder

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2015

17-809.