Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2159

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-07-2015
Datum publicatie
08-07-2015
Zaaknummer
201410640/1/A4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:7763, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 januari 2014 heeft het dagelijks bestuur aan de gemeente Geertruidenberg een watervergunning verleend voor het aanbrengen van beschoeiing in het Zuidergat te Geertruidenberg.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Waterwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/707
Milieurecht Totaal 2015/6233

Uitspraak

201410640/1/A4.

Datum uitspraak: 8 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Roroships B.V., gevestigd te Raamsdonksveer, gemeente Geertruidenberg, en anderen,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 6 november 2014 in zaak nr. 14/3966 in het geding tussen:

Roroships en anderen,

en

het dagelijks bestuur van het waterschap Brabantse Delta.

Procesverloop

Bij besluit van 16 januari 2014 heeft het dagelijks bestuur aan de gemeente Geertruidenberg een watervergunning verleend voor het aanbrengen van beschoeiing in het Zuidergat te Geertruidenberg.

Bij besluit van 9 mei 2014 heeft het dagelijks bestuur het door Roroships en anderen daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 november 2014 heeft de rechtbank het door Roroships en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben Roroships en anderen hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Roroships en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak gevoegd met zaken nrs. 201408882/1/A4 en 201410639/1/A4 ter zitting behandeld op 7 mei 2015, waar Roroships en anderen, vertegenwoordigd door mr. J.W. Verhoeven, advocaat te Breda, en J.W.A.M. Hompus, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door A.C.P. Jacobs en R.W.P. van Haperen, beiden werkzaam bij het waterschap, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de gemeente Geertruidenberg, vertegenwoordigd door C.J.P.M. Laurijsse en S.G. van Orsouw-Wieme, beiden werkzaam bij de gemeente, als partij gehoord. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Waterwet is de toepassing van deze wet gericht op:

a. voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met

b. bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en

c. vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen.

Ingevolge artikel 6.21 wordt een vergunning geweigerd voor zover verlening daarvan niet verenigbaar is met de doelstellingen in artikel 2.1.

Ingevolge artikel 4.3, aanhef en onder a, van de ten tijde van belang geldende Keur waterschap Brabantse Delta is het verboden zonder vergunning van het dagelijks bestuur binnen een waterkering, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarover of daaronder op enigerlei wijze grondroeringen te verrichten, voorwerpen in de grond aan te brengen, te wijzigen, te hebben, te onderhouden of uit de grond te verwijderen.

Ingevolge diezelfde aanhef en onder c is het verboden zonder vergunning van het dagelijks bestuur werken te maken, te hebben, te onderhouden, te wijzigen of te verwijderen.

2. De bij het besluit van 16 januari 2014 verleende vergunning heeft betrekking op het aanbrengen van beschoeiing in het Zuidergat. De beschoeiing is voor een deel voorzien binnen de primaire waterkering Boterpolderdijk. Roroships en anderen zijn eigenaren van nabijgelegen percelen en aanlegsteigers.

3. Roroships en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte onder verwijzing naar het in artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde relativiteitsvereiste heeft afgezien van een inhoudelijke bespreking van hun betoog dat voor het aanbrengen van beschoeiing tevens een ontheffing krachtens de Flora- en faunawet is vereist omdat deze negatieve gevolgen heeft voor de ter plaatse voorkomende bever. Volgens Roroships en anderen heeft de rechtbank miskend dat de in de Flora- en faunawet gestelde normen mede strekken tot bescherming van hun belang bij een goed woon- en leefklimaat.

3.1. Dit betoog kan niet leiden tot het daarmee beoogde doel. Zelfs indien zou moeten worden geoordeeld dat, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, de ingeroepen normen uit de Flora- en faunawet mede strekken tot bescherming van het belang van Roroships en anderen, geldt dat strijd met die wet, gelet op artikel 6.21 van de Waterwet, als zodanig geen reden kan zijn voor weigering van een watervergunning. Voorts is het dagelijks bestuur niet het bevoegd gezag ter zake van een krachtens de Flora- en faunawet te verlenen ontheffing. Er is geen rechtsregel op grond waarvan het dagelijks bestuur verplicht was de verlening van deze eventueel vereiste ontheffing af te wachten alvorens op de aanvraag te beslissen. Het betoog van Roroships en anderen kan derhalve niet leiden tot het oordeel dat het dagelijks bestuur de vergunning ten onrechte heeft verleend.

4. Roroships en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het door hen aangevoerde belang van het recreatief kunnen bevaren van het Zuidergat geen belang is dat ingevolge artikel 6.21, gelezen in verbinding met artikel 2.1, eerste lid, van de Waterwet reden kan zijn voor weigering van de vergunning.

4.1. Het gebruik van het Zuidergat voor de recreatie raakt aan de vervulling van een maatschappelijke functie door een watersysteem als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Waterwet. Dit blijkt ook uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling (Kamerstukken II 2006/07, 30 818, nr. 3, blz. 90). Het gebruik van het Zuidergat voor de recreatie is derhalve een belang dat, gelet op het bepaalde in artikel 6.21 van de Waterwet, bij de beslissing op de aanvraag diende te worden betrokken. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het betoog is gelet hierop terecht voorgedragen, maar leidt om de navolgende reden niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

Op basis van de bij de aanvraag behorende situatietekeningen en op basis van hetgeen het dagelijks bestuur ter zitting heeft toegelicht, stelt de Afdeling vast dat de beschoeiing in de oever buiten de vaargeul wordt aangebracht. Gelet daarop is niet aannemelijk dat door de beschoeiing de watergang smaller wordt. Evenmin is aannemelijk dat de beschoeiing het recreatieve gebruik van het Zuidergat anderszins zal belemmeren. Het enkele feit dat, zoals Roroships en anderen hebben aangevoerd, de watergang in het Zuidergat relatief smal is, is onvoldoende om dit wel aannemelijk te achten. Voor het oordeel dat het dagelijks bestuur de vergunning had moeten weigeren in verband met de maatschappelijke functie van het watersysteem bestaat derhalve geen grond.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, met verbetering van de gronden waarop deze berust.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, griffier.

w.g. Timmerman-Buck w.g. Van Roessel

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2015

457-732.