Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2147

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-07-2015
Datum publicatie
08-07-2015
Zaaknummer
201309762/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2013:5484, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij afzonderlijke besluiten van 17 januari 2012 heeft het college de verzoeken van [appellant] en anderen om tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/430

Uitspraak

201309762/1/A1.

Datum uitspraak: 8 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], beiden wonend te Heythuysen, gemeente Leudal,

2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], beiden wonend te Heythuysen, gemeente Leudal,

3. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], beiden wonend te Heythuysen, gemeente Leudal,

4. [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B], beiden wonend te Heythuysen, gemeente Leudal,

(hierna tezamen: [appellant] en anderen),

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 16 september 2013 in zaak nr. 12/1762 in het geding tussen:

[appellant] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Leudal.

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 17 januari 2012 heeft het college de verzoeken van [appellant] en anderen om tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Bij besluit van 20 november 2012 heeft het college het door [appellant] en anderen daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, de besluiten van 17 januari 2012 herroepen en aan [appellant] en anderen afzonderlijke tegemoetkomingen in planschade, inclusief wettelijke rente, toegekend.

Bij uitspraak van 16 september 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] en anderen daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 20 november 2012 vernietigd, voor zover aan hen geen vergoeding op grond van artikel 6.5, eerste lid van de Wet ruimtelijke ordening en geen vergoeding voor de door hen gemaakte kosten van de deskundige in de bezwaarfase is toegekend en het college opgedragen om een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 26 november 2013 heeft het college opnieuw beslist op het door [appellant] en anderen gemaakte bezwaar tegen de besluiten van 17 januari 2012, voor zover dit de vergoeding op grond van artikel 6.5, eerste lid, van de Wro en de door hen gemaakte kosten van de deskundige in de bezwaarfase betreft.

[appellant] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak samen met zaak nr. 201309765/1/A1 gevoegd ter zitting behandeld op 11 juni 2014, waar [appellant sub 1A], [appellant sub 3A], [appellant sub 3B], [appellant sub 4A], [appellant sub 4B], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], en het college, vertegenwoordigd door P.M.J.J. Heldens, werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door mr. Y Schonfeld, zijn verschenen.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend. Zij heeft de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: de StAB) benoemd tot deskundige voor het instellen van een onderzoek.

De StAB heeft bij brief van 15 oktober 2014 een deskundigenbericht uitgebracht. [appellant] en anderen en het college hebben een zienswijze daarop naar voren gebracht.

De Afdeling heeft de zaak samen met zaak nr. 201309765/1/A1 gevoegd ter zitting nader behandeld op 23 maart 2015, waar [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], vertegenwoordigd door [appellant sub 4A], [appellant sub 2A], [appellant sub 3A], [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B], allen bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door P.M.J.J. Heldens, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Na de zitting is de behandeling van de zaken gesplitst.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) kent het college degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid vermelde oorzaak op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

Ingevolge artikel 6.5, eerste lid, aanhef en onder a, vergoeden burgemeester en wethouders, indien burgemeester en wethouders een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 6.1 toekennen, daarbij tevens de redelijkerwijs gemaakte kosten van rechtsbijstand en andere deskundige bijstand.

2. Voor de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade dient te worden onderzocht of de aanvrager als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient het planologisch regime na de wijziging, waarvan gesteld wordt dat deze planschade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het oude planologisch regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar wat maximaal op grond van het oude planologisch regime kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden. Slechts ingeval realisering van de maximale mogelijkheden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan aanleiding bestaan om van dit uitgangspunt af te wijken.

3. Bij brief van 2 mei 2011 hebben [appellant] en anderen het college verzocht om een tegemoetkoming in planschade ten gevolge van het bij besluit van de raad van 9 mei 2006 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied Heythuysen 1999-Wijzigingsplan varkens- en pluimveehouderij Hollander 1a" (hierna: het bestemmingsplan). Zij hebben bij dit verzoek taxatierapporten van Lenders Makelaardij & taxaties o.z. (hierna: Lenders) overgelegd. [appellant] en anderen stellen dat hun woningen als gevolg van dit bestemmingsplan in waarde zijn gedaald.

4. Niet in geschil is dat de wijziging van de bestemming op het perceel Hollander 1a van "Agrarisch gebied" naar "Agrarisch bouwblok" en de daarmee gepaard gaande vergroting van het bouwblok leidt tot intensivering van het gebruik en tot een wijziging van de bouwmassa waardoor [appellant] en anderen in een planologisch nadeliger situatie zijn komen te verkeren. Het geschil spitst zich toe op de hoogte van de tegemoetkoming in planschade.

5. Het college heeft aan zijn besluiten van 17 januari 2012 en 20 maart 2012 de adviezen van adviesbureau Tonnaer Adviseurs in Omgevingsrecht B.V. (hierna: Tonnaer) van 5 december 2011 en 5 september 2012 ten grondslag gelegd.

In de adviezen van 5 december 2011 en 5 september 2012 is, mede op basis van door Pickée Makelaardij (hierna: Pickée) opgestelde taxatierapporten, geadviseerd om aan [persoon] en anderen een tegemoetkoming in schade toe te kennen, waarbij rekening is gehouden met een percentage van 2% dat als normaal maatschappelijk risico is aangemerkt en met een gedeeltelijke voorzienbaarheid waardoor 40% van de schade voor rekening van [persoon] en anderen dient te blijven.

6. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte en ongemotiveerd hun verzoek om behandeling door een meervoudige kamer heeft afgewezen.

6.1. Ingevolge artikel 8:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht worden de zaken die bij de rechtbank aanhangig worden gemaakt in behandeling genomen door een enkelvoudige kamer.

Ingevolge het tweede lid, verwijst de enkelvoudige kamer, indien een zaak naar haar oordeel ongeschikt is voor behandeling door één rechter, deze naar een meervoudige kamer. De enkelvoudige kamer kan ook in andere gevallen een zaak naar een meervoudige kamer verwijzen.

6.2. De enkelvoudige afdoening door de rechtbank betreft een procesrechtelijke beslissing die in beginsel de verantwoordelijkheid van de eerste rechter is. Behoudens uitzonderingssituaties - welke zich hier niet voordoen - kunnen hiertegen gerichte gronden niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden.

Het betoog faalt.

7. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college de adviezen van Tonnaer en de daarvan deel uitmakende taxatierapporten van Pickée Makelaardij niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen. Zij voeren daartoe aan dat Pickée bekendheid ontbeert met de lokale situatie en markt en een zeer onvolledig onderzoek heeft verricht, hetgeen blijkt uit de bevindingen van door hen ingeschakelde deskundige Lenders die mondeling en schriftelijk zijn toegelicht. Niet valt in te zien waarom meer gewicht toekomt aan de adviezen van Tonnaer en de taxatierapporten van Pickée dan aan het rapport van Lenders, aldus [appellant] en anderen. [appellant] en anderen hebben voorts twijfel geuit over de onafhankelijkheid van Tonnaer en Pickée, nu Tonnaer betaalde werkzaamheden verricht voor het college en Pickée voor haar inkomsten afhankelijk is van Tonnaer. [appellant] en anderen hebben de Afdeling verzocht om ter zake de StAB in te schakelen.

7.1. De juistheid van de door Tonnaer gemaakte planologische vergelijking van de situatie vóór de vaststelling van het bestemmingsplan en daarna, alsmede de juistheid van de door Pickée gemaakte begintaxaties van de waarde van de woningen vóór de vaststelling van het bestemmingsplan zijn niet in geschil. [appellant] en anderen betwisten de door Pickée berekende waardeverminderingen van de percelen ten gevolge van het bestemmingsplan.

De waardeverminderingen van de woningen van [appellant] en anderen op de peildatum van 16 augustus 2006 ten gevolge van het bestemmingsplan zijn door Pickée berekend op € 14.850,00 voor [locatie 1], zijnde de woning van [appellant] en [appellant sub 1B], op € 12.000,00 voor [locatie 2], zijnde de woning van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], op € 16.800,00 voor [locatie 3] zijnde de woning van [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] en op € 37.500,00 voor [locatie 4], zijnde de woning van [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B].

De Afdeling heeft de StAB verzocht om de waardeverminderingen van de woningen van [appellant] en anderen ten gevolge van het bestemmingsplan nogmaals te taxeren en daarbij de door Tonnaer gemaakte planologische vergelijking, alsmede de begintaxaties door Pickée van de waarde van de percelen vóór de vaststelling van het bestemmingsplan als uitgangspunt te nemen. De StAB heeft de Afdeling bericht dat in het in opdracht van de StAB opgestelde taxatierapport is gesteld dat, uitgaand van de begintaxaties door Pickée, de waardevermindering op de peildatum van 16 augustus 2006 ten gevolge van het bestemmingsplan voor [locatie 1] € 0, voor [locatie 2] € 0, voor [locatie 3] € 16.800,00 en voor [locatie 4] € 37.500,00 bedraagt. De in het deskundigenbericht vastgestelde waardeverminderingen voor [locatie 3] en [locatie 4] komen overeen met de door Pickée berekende waardeverminderingen. De verschillen tussen de in het deskundigenbericht vastgestelde waardeverminderingen en de door Pickée berekende waardeverminderingen voor [locatie 1] en [locatie 2] vallen voorts binnen een aanvaardbare bandbreedte. Er bestaat, gelet hierop, dan ook geen grond voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat de adviezen van Tonnaer of de taxatierapporten van Pickée zodanige gebreken vertonen, dat het college deze niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen. De omstandigheid dat de door [appellant] en anderen in het kader van de verzoeken om planschadevergoeding overgelegde taxaties door Lenders niet door StAB zijn betrokken bij het opstellen van het deskundigenbericht biedt, anders dan zij betogen, geen grond voor een ander oordeel, nu de opdracht aan de StAB inhield om de waardeverminderingen opnieuw te taxeren en niet om eerdere taxaties te beoordelen. Uit de enkele omstandigheid dat Lenders de waardeverminderingen op hogere bedragen heeft getaxeerd dan de door de StAB ingeschakelde taxateur volgt niet dat aan de vaststellingen van deze taxateur geen waarde toekomt.

Het betoog faalt.

8. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat onder redelijkerwijs gemaakte kosten, als bedoeld in artikel 6.5, eerste lid, van de Wro, niet dient te worden verstaan de kosten die de aanvrager met betrekking tot de indiening van de aanvraag heeft gemaakt. Voorts betogen zij dat de rechtbank ten onrechte met betrekking tot de kosten voor hun gemachtigde heeft overwogen dat hij er voor heeft gekozen in bezwaar en in beroep in hoedanigheid van rechtsbijstandsverlener te fungeren als gemachtigde en het fungeren als deskundige en gemachtigde in dezelfde zaak onverenigbaar is met elkaar, nu een deskundige in tegenstelling tot een gemachtigde geacht wordt onpartijdig te adviseren.

8.1. De rechtbank heeft terecht onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 11 juli 2012 in zaak nr. 201109124/1/A2 overwogen dat onder de redelijkerwijs gemaakte kosten niet dient te worden verstaan de kosten die de aanvrager met betrekking tot de indiening van de aanvraag heeft gemaakt, zodat de kosten die [appellant] en anderen hebben gemaakt met betrekking tot de door hen aan hun verzoek ten grondslag gelegde taxatierapporten van Lenders niet voor vergoeding op grond van artikel 6.5 van de Wro in aanmerking komen. De rechtbank heeft voorts terecht onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 30 november 2005 in zaak nr. 200501512/1 overwogen dat het fungeren als deskundige en gemachtigde in dezelfde zaak onverenigbaar is met elkaar, nu een deskundige, in tegenstelling tot een gemachtigde, geacht wordt onpartijdig te adviseren. De kosten voor de gemachtigde van [appellant] en anderen, voor zover deze het optreden als deskundige anders dan rechtsbijstandverlener betreffen, komen dan ook niet voor vergoeding in aanmerking.

Het betoog faalt.

9. [appellant] en anderen hebben voor het overige volstaan met een verwijzing naar de door hen in beroep aangevoerde gronden. De rechtbank heeft deze gronden gemotiveerd verworpen. [appellant] en anderen hebben in het hoger beroepschrift niet uiteengezet, dat en waarom de desbetreffende overwegingen onjuist, dan wel onvolledig zijn. Het geeft daarom geen aanleiding om de aangevallen uitspraak te vernietigen.

10. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

11. Bij besluit van 26 november 2013 heeft het college, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, opnieuw beslist op het door [appellant] en anderen gemaakte bezwaar tegen de besluiten van 17 januari 2012, voor zover dit de vergoeding op grond van artikel 6.5, eerste lid, van de Wro en de door hen gemaakte kosten van de deskundige in de bezwaarfase betreft, en een vergoeding van € 3.232,15 voor de kosten van rechtsbijstand toegekend. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.

12. [appellant] en anderen betogen dat het college ten onrechte de kosten van de deskundige Lenders in de bezwaarfase niet heeft vergoed en verwijzen in dit kader naar de urenspecificatie van 2 december 2013.

12.1. [appellant] en anderen zijn voorafgaand aan het besluit van 26 november 2013 in de gelegenheid gesteld de kosten voor de deskundige Lenders in de bezwaarfase te onderbouwen. Het college heeft zich in het besluit van 26 november 2013 terecht op het standpunt gesteld dat de door [appellant] en anderen overgelegde urenspecificatie geen betrekking heeft op de bezwaarfase en de kosten die zij hebben gemaakt met betrekking tot de door Lenders opgestelde taxatierapporten, zoals de rechtbank ook heeft overwogen, niet voor vergoeding op grond van artikel 6.5, eerste lid, van de Wro in aanmerking komen. Dat nadien door [appellant] en anderen een urenspecificatie van 2 december 2013 is overgelegd, die ten dele wel betrekking heeft op de kosten van de deskundige Lenders in de bezwaarfase maar niet nader is gespecificeerd, leidt niet tot een ander oordeel. Daarmee hebben zij, gelet op het voorgaande, niet aannemelijk gemaakt dat door hen in de bezwaarfase kosten voor de deskundige Lenders zijn gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

Het betoog faalt.

13. Het beroep tegen het besluit van 26 november 2013 is ongegrond.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van 26 november 2013 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Kos

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2015

580.