Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2142

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-07-2015
Datum publicatie
08-07-2015
Zaaknummer
201405841/2/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 mei 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Sprokkelenburg" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Besluit ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/477
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201405841/2/R6.

Datum uitspraak: 8 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Stichting Ruimtelijke Kwaliteit Sprokkelenburg en anderen, alle gevestigd onderscheidenlijk wonend te Culemborg,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Culemborg,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 21 mei 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Sprokkelenburg" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben Stichting RKS en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Stichting RKS en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 november 2014, waar Stichting RKS en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en bijgestaan door mr. A.B. van Rijn, advocaat te Leiden, en de raad, vertegenwoordigd door A. Gijzel, ing. A. Vader en ing. W. Konings, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

Bij tussenuitspraak van 13 januari 2015 in zaak nr. 201405841/1/R6 heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen tien weken na verzending van de tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van 21 mei 2014 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

De raad heeft bij brief van 20 maart 2015 aan de Afdeling medegedeeld het gebrek in het besluit van 21 mei 2014 te hebben hersteld.

Stichting RKS en anderen zijn in de gelegenheid gesteld hun zienswijze over de wijze waarop het gebrek is hersteld naar voren te brengen. Van deze gelegenheid hebben zij gebruik gemaakt.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling onder 10.3 overwogen dat in de plantoelichting niet is ingegaan op artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro). Weliswaar wordt in paragraaf 2.2.2 verwezen naar het Woonbehoefteonderzoek 2009 en de gemeentelijke Woonvisie 2010-2014, maar daarmee heeft de raad niet inzichtelijk gemaakt dat regionale behoefte bestaat aan de in het plan voorziene woningen in het dure segment. Het bestreden besluit is gelet daarop in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bro.

2. Gelet op hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen is het beroep van Stichting RKS en anderen tegen het besluit van 21 mei 2014 gegrond. Dit besluit dient wegens strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bro te worden vernietigd.

3. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen tien weken na de verzending van de tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen in 10.3 is overwogen alsnog deugdelijk te motiveren dat het plan voorziet in een actuele regionale behoefte aan de in het plan voorziene woningen als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, onder a, van het Bro, dan wel het besluit te wijzigen.

4. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad de plantoelichting aangevuld met een nadere motivering over artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. De raad stelt in zijn nadere motivering dat het plan voorziet in een actuele regionale behoefte. De raad heeft dit inzichtelijk gemaakt door in de nadere motivering te verwijzen naar de afspraken die in 2010 op basis van de gemeentelijke woningbouwprogramma’s in de regio Rivierenland zijn gemaakt over welke woningen waar en wanneer worden gerealiseerd om aan de woningbehoefte in de regio te voldoen. In 2013 zijn volgens de nadere motivering de gemeentelijke woningbouwprogramma’s door gemeenten, regio en provincie tegen het licht gehouden en is gekeken wat bij de betrokken gemeenten de ruimte was tussen de plancapaciteit en de woningbehoefte. Daarbij is het woningbouwprogramma van Culemborg, gebaseerd op de gemeentelijke Woonvisie 2010-2014, actueel gebleken, aldus de nadere motivering. De gevolgen van de crisis en de onzekere woningmarkt zijn volgens de nadere motivering meegenomen in de Woonvisie 2010-2014.

In de Woonvisie 2010-2014 van de gemeente Culemborg en het Woonbehoefteonderzoek 2009 is geconstateerd dat het aandeel koopwoningen in het duurste segment in Culemborg ondervertegenwoordigd is. Actuele data op het gebied van woningbouw uit het zogenoemde SmartGIS 2014 ondersteunen volgens de nadere motivering de Woonvisie 2010-2014 en het Woonbehoefteonderzoek 2009. Uit deze gegevens uit SmartGIS blijkt dat de gemeente Culemborg ook ten opzichte van de overige gemeenten in de regio Rivierenland een ondervertegenwoordiging heeft in woningen in het dure segment, aldus de nadere motivering. Voorts stelt de raad in zijn nadere motivering dat een goede differentiatie van het woningbouwprogramma op de lange termijn belangrijk is voor een regio en stad. Het bevordert de doorstroming en zorgt ervoor dat een categorie inwoners wordt bediend die behouden moeten blijven of bediend moeten worden. Het is volgens de nadere motivering dan ook van belang dat in Culemborg woningen in het dure segment worden gerealiseerd. In het plan zijn juist deze woningen voorzien.

4.1. In de nadere motivering wordt voorts ingegaan op de onderdelen b en c van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. De door Stichting RKS en anderen naar voren gebrachte zienswijze over het herstel ziet niet op deze delen van de nadere motivering. De Afdeling leidt hieruit af dat Stichting RKS en anderen geen bezwaren hebben tegen deze delen van de nadere motivering.

5. Stichting RKS en anderen betogen dat de raad in zijn nadere motivering niet inzichtelijk heeft gemaakt dat een actuele regionale behoefte bestaat aan de in het plan voorziene woningen. Daartoe voeren zij - kort samengevat - diverse argumenten aan over de crisis in de woningmarkt, de actualiteit van de gemeentelijke Woonvisie 2010-2014, de strijdigheid van het plan met het derde Kwalitatief Woonprogramma 2010-2019 van de provincie Gelderland en de overprogrammering van nieuwbouw in de regio Rivierenland. Ter onderbouwing hebben zij onder andere gegevens overgelegd over de bevolkingsprognose in Culemborg, de beschikbare woningen en kavels in Culemborg en in de regio die vergelijkbaar zijn met de in het plan voorziene woningen, de scepsis van een lokale makelaar over het plan, het Coalitieakkoord 2011-2015 van het college van gedeputeerde staten en de provinciale rapporten "Wonen in Gelderland" van 2012 en 2013. Volgens hen is door het vaststellen van onderhavig plan zonder dat er behoefte is aan de voorziene woningen sprake van détournement de pouvoir. Verder voeren zij aan dat het plan, mede vanwege de te verwachten doorlooptijden, niet uitvoerbaar is binnen de planperiode. Omwonenden en toekomstige kopers zullen daardoor gedurende lange tijd hinder ondervinden van de bouwwerkzaamheden in het plangebied. Voorts voeren zij aan dat de financiële haalbaarheid van het plan door de gebrekkige financiële onderbouwing niet aannemelijk is gemaakt. Volgens Stichting RKS en anderen heeft de gemeente weinig reserves per inwoner en heeft het een groot aantal reserveringen op de begroting staan. Ter onderbouwing verwijzen zij naar gegevens uit het financieel toezicht op gemeenten van de provincie Gelderland.

5.1. Zoals onder 4 is overwogen heeft de raad het plan getoetst aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. Aan de hand van de gemeentelijke Woonvisie 2010-2014, de in 2010 gemaakte regionale afspraken, de actualisatie van de woningbouwprogramma’s van de gemeenten in de regio Rivierenland in 2013, waarbij volgens de raad onderhavig plan ongewijzigd is gebleven en actuele gegevens uit het zogenoemde SmartGIS 2014, die de Woonvisie 2010-2014 ondersteunen, heeft de raad beschreven dat met de binnen het plangebied voorziene woningbouw wordt voorzien in een actuele regionale behoefte.

5.2. Voor zover Stichting RKS en anderen betogen dat de Woonvisie 2010-2014 is verouderd en dat uit de provinciale bevolkingsprognose volgt dat een krimp in de bevolkingsgroei zich voordoet die zich vanaf 2020 sterker manifesteert, overweegt de Afdeling dat uit de door Stichting RKS en anderen overgelegde gegevens over de bevolkingsprognose in Gelderland weliswaar volgt dat de bevolkingsgroei in de regio Rivierenland na 2020 zal afnemen, maar daaruit volgt ook dat het aantal huishoudens dan nog zal groeien. In de Woonvisie 2010-2014 en de nadere motivering is niet de bevolkingsgroei tot uitgangspunt genomen, maar de groei van het aantal huishoudens. Nu uit de nadere motivering volgt dat in 2013 regionaal is bezien of de woningbouwprogramma’s van de betrokken gemeenten aanpassing behoeven en daarbij het woningbouwprogramma van Culemborg, gebaseerd op de Woonvisie 2010-2014, nog actueel is gebleken, ziet de Afdeling in hetgeen Stichting RKS en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet op de Woonvisie 2010-2014 mocht baseren.

Evenmin ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan strijdig is met het derde Kwalitatief Woonprogramma 2010-2019 van de provincie Gelderland. Door de overprogrammering van nieuwbouwplannen in de regio Rivierenland hebben de gemeenten in de regio Rivierenland in het derde Kwalitatief Woonprogramma 2010-2019 van de provincie Gelderland de opdracht gekregen om gezamenlijk tot een oplossing te komen om het woningbouwprogramma aan te passen aan de behoefte. Hieruit volgt derhalve niet dat er geen nieuwbouw van woningen in het dure segment meer mogelijk is, maar dat de gemeenten in de regio in onderling overleg afspraken moeten maken om aan de woningbehoefte in de regio te kunnen voldoen.

Met betrekking tot de door Stichting RKS en anderen overgelegde gegevens over de woningvoorraad in de regio Rivierenland overweegt de Afdeling dat hieruit volgt dat in deze regio diverse woningen in het dure segment te koop staan, maar daaruit volgt echter ook dat de gemeente Culemborg geen ruim aanbod heeft van dergelijke woningen. Dat woningen in dit segment langer te koop staan, betekent op zichzelf niet dat er geen behoefte is aan dergelijke woningen.

5.3. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen Stichting RKS en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in het plan voorziene woningen voorzien in een actuele regionale behoefte, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. Gelet hierop ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat de raad in strijd met het verbod van détournement de pouvoir heeft gehandeld.

Het betoog faalt in zoverre.

5.4. Zoals reeds in de tussenuitspraak onder 10.4 is overwogen, heeft de vrees van Stichting RKS en anderen gedurende lange tijd met een bouwput te worden geconfronteerd geen betrekking op het plan, maar op de uitvoering daarvan. Mogelijke uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen.

Het betoog faalt in zoverre.

5.5. Over de financiële haalbaarheid van het plan staat in de plantoelichting dat de raad een exploitatieberekening heeft gemaakt waaruit blijkt dat het plan financieel haalbaar is. In de nadere motivering stelt de raad dat door de opzet van de wijk met grote kavels en veel groen en een beperkte hoeveelheid verharding de kosten voor het bouw- en woonrijp maken beperkt zijn. De gronden zijn in eigendom van de gemeente waardoor de financiële risico’s van het project beheersbaar zijn, aldus de nadere motivering. Stichting RKS en anderen hebben met de door hen overgelegde algemene financiële overzichten van de provincie Gelderland niet aannemelijk gemaakt dat de gemeente, mede gelet op de nadere motivering, onvoldoende financiële middelen heeft om dit plan te realiseren. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op voorhand uitvoerbaar lijkt te zijn.

Het betoog faalt.

6. Gelet op het voorgaande heeft de raad in zijn nadere motivering van 20 maart 2015 alsnog deugdelijk gemotiveerd dat het plan voorziet in een actuele regionale behoefte, zoals bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, onder a, van het Bro. De Afdeling zal daarom met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.

7. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van Culemborg van 21 mei 2014 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Sprokkelenburg";

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Culemborg tot vergoeding van bij de stichting Stichting Ruimtelijke Kwaliteit Sprokkelenburg en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 767,24 (zegge: zevenhonderdzevenenzestig euro en vierentwintig cent), waarvan € 735,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

V. gelast dat de raad van de gemeente Culemborg aan de stichting Stichting Ruimtelijke Kwaliteit Sprokkelenburg en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. F.D. van Heijningen en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.G. Alderlieste, griffier.

w.g. Van Buuren w.g. Alderlieste

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2015

590.