Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2135

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-07-2015
Datum publicatie
08-07-2015
Zaaknummer
201409442/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2014:4953, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 juni 2013 heeft de minister een verzoek van [appellant] van 23 en 28 maart 2013 om verwijdering van alle over hem krachtens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna: Wjsg) verwerkte justitiële documentatie afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201409442/1/A3.

Datum uitspraak: 8 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 13 oktober 2014 in zaak nr. 14/1320 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 4 juni 2013 heeft de minister een verzoek van [appellant] van 23 en 28 maart 2013 om verwijdering van alle over hem krachtens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna: Wjsg) verwerkte justitiële documentatie afgewezen.

Bij besluit van 26 juli 2013 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 januari 2014 in zaak nr. 13/853 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 maart 2014 in zaak nrs. 201400407/1/A3 en 201400407/4/A3 heeft de voorzitter van de Afdeling de uitspraak van 2 januari 2014 vernietigd en de zaak teruggewezen naar de rechtbank.

Bij uitspraak van 13 oktober 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep tegen het besluit van 26 juli 2013 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 juni 2015, waar [appellant], bijgestaan door mr. M.G.J. Smit, advocaat te Rotterdam, en de minister, vertegenwoordigd door B. Kesseler, werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de uitspraak van 13 maart 2014 in zaak nrs. 201400407/1/A3 en 201400407/4/A3 heeft de voorzitter van de Afdeling de uitspraak van de rechtbank van 2 januari 2014 vernietigd en de zaak teruggewezen naar de rechtbank omdat de rechtbank bij brief van 12 december 2013 ten onrechte aan [appellant] heeft meegedeeld dat zijn wrakingsverzoek van 9 december 2013 niet in behandeling zal worden genomen.

Bij brief van 25 maart 2014 heeft [appellant] een aanvullende brief aan de rechtbank gezonden waarin hij verzoekt een wrakingskamer te formeren met rechters van een andere rechtbank.

Bij beslissing van 22 mei 2014 heeft de wrakingskamer het verzoek om wraking afgewezen.

2. [appellant] betoogt dat zijn wrakingsverzoek bij de rechtbank onjuist is behandeld. Hiertoe voert hij aan dat hij zich in zijn brief van 25 maart 2014 heeft beroepen op paragraaf 5.5 van het Wrakingsprotocol Rechtbank Noord-Nederland (hierna: wrakingsprotocol) op grond waarvan een wrakingskamer met rechters van een andere rechtbank kan worden geformeerd. De wrakingskamer, die voormelde brief niet had ontvangen, heeft ten onrechte tijdens een schorsing van de zitting overleg gevoerd met de president van de rechtbank. De president van de rechtbank had de brief wel ontvangen maar zag hierin geen aanleiding om rechters van een andere rechtbank te benaderen voor de behandeling van het wrakingsverzoek. De wrakingskamer had volgens [appellant] zelf over de wraking moeten beslissen zonder de president hierbij te betrekken. Derhalve is de afwijzing van het wrakingsverzoek bij beslissing van 22 mei 2014 onjuist, aldus [appellant].

2.1. Volgens paragraaf 5.5 van het wrakingsprotocol kan in zeer bijzondere gevallen, ter beoordeling van de coördinerend voorzitter van de vaste wrakingskamer van de rechtbank - bijvoorbeeld bij kwesties betreffende de onpartijdigheid van de president of van andere gerechtsbestuurders, optredend in een rechterlijke functie -, worden overwogen om voor het formeren van een wrakingskamer een beroep te doen op rechters van een andere rechtbank.

In het proces-verbaal van de zitting van de meervoudige wrakingskamer van 16 mei 2014 is vermeld dat [appellant] ter zitting op zijn brief van 25 maart 2014 heeft gewezen. Vervolgens heeft de voorzitter de zitting geschorst. Na heropening heeft de voorzitter [appellant] meegedeeld dat tijdens de schorsing overleg heeft plaatsgevonden tussen de wrakingskamer en de coördinerend voorzitter van de wrakingskamer. Laatstgenoemde heeft laten weten in het verzoek geen aanleiding te hebben gezien voor het formeren van een wrakingskamer met rechters uit een andere rechtbank en in de brief van 25 maart 2014 geen aanleiding te zien van deze beslissing terug te komen. Uit deze gang van zaken, die door [appellant] niet is betwist, volgt dat de coördinerend voorzitter van de wrakingskamer, in overeenstemming met het bepaalde in paragraaf 5.5 van het wrakingsprotocol op het verzoek van [appellant] in zijn brief van 25 maart 2014 heeft beslist. Niet is gebleken dat de coördinerend voorzitter van de wrakingskamer behoudens voormelde kwestie ook inhoudelijke bemoeienis heeft gehad met het voorliggende wrakingsverzoek ten tijde van de schorsing van de zitting. Er is geen grond voor het oordeel dat het wrakingsverzoek onjuist is behandeld.

Het betoog faalt.

3. De rechtbank heeft vastgesteld dat [appellant] onder meer op 16 augustus 2004 heeft verzocht om verwijdering van zijn gegevens uit het Justitieel Documentatie Systeem (hierna: JDS) en dat de rechtbank ’s-Gravenhage bij uitspraak van 27 december 2005 het beroep van [appellant] tegen de in bezwaar gehandhaafde afwijzing door de minister van dit verzoek ongegrond heeft verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het verzoek van 23 en 28 maart 2013 een herhaalde aanvraag is in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht. De door [appellant] overgelegde stukken zijn geen bewijsstukken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Daartoe acht de rechtbank van belang dat het overgelegde rapport van de Nationale Ombudsman en het overgelegde afschrift van gestelde vragen in de Tweede Kamer van voor het verzoek van 16 augustus 2004 dateren en bij dat verzoek hadden behoren te worden overgelegd. Verder heeft de rechtbank overwogen niet in te zien in hoeverre de uitgewerkte telefoongesprekken die [appellant] heeft overgelegd als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn aan te merken nu daaruit op geen enkele wijze blijkt dat de in het JDS geregistreerde gegevens onjuist zouden zijn.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte het onderzoeksrapport van de Nationale Ombudsman, het afschrift van gestelde vragen in de Tweede Kamer en de uitgewerkte telefoongesprekken, niet als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft aangemerkt.

4.1. De rechtbank heeft in de overwegingen van de aangevallen uitspraak gemotiveerd geoordeeld dat de door [appellant] overgelegde voormelde stukken geen bewijsstukken zijn van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. In hoger beroep heeft [appellant] geen gronden aangevoerd die tot het oordeel nopen dat die overwegingen onjuist zijn. Er bestaat derhalve geen aanleiding voor vernietiging van de aangevallen uitspraak.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Neuwahl

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2015

280-805.