Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2133

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-07-2015
Datum publicatie
08-07-2015
Zaaknummer
201404132/2/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2014:1543, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 juni 2011 heeft het college [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een dakopbouw op het perceel [locatie] te Almere (hierna: het bouwplan).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/473

Uitspraak

201404132/2/A1.

Datum uitspraak: 8 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Almere,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 7 april 2014 in zaak nr. 13/344 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Almere.

Procesverloop

Bij besluit van 16 juni 2011 heeft het college [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een dakopbouw op het perceel [locatie] te Almere (hierna: het bouwplan).

Bij besluit van 9 januari 2012 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 april 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 december 2014, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde] en mr. R. Zwiers, advocaat te Almere, en het college, vertegenwoordigd door C.L. Aben, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak van 11 februari 2015 (hierna: de tussenuitspraak) heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen dertien weken na verzending van deze tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van 9 januari 2012 te herstellen door een nieuw besluit te nemen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 15 april 2015 heeft het college het besluit van 9 januari 2012 herroepen (lees: ingetrokken) en het door [appellant] tegen het besluit van 16 juni 2011 gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

[appellant] heeft een zienswijze naar voren gebracht.

De Afdeling heeft bepaald dat een tweede onderzoek ter zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Het bouwplan voorziet in de bouw van een dakopbouw aan de achtergevel van een twee-onder-een-kapwoning (hierna: de woning). De woning maakt deel uit van een rij van zestien vrijstaande en twee-onder-een-kapwoningen.

2. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat in het ongedateerde nadere advies, dat is vervat in de mail van 10 februari 2014, niet wordt ingegaan op het door [appellant] ingebrachte advies van architect ir. J.L. Walvisch van 14 september 2011 (hierna: het tegenadvies) en dat het ongedateerde nadere advies niet is opgesteld door of namens de Welstandscommissie Almere (hierna: de welstandscommissie), maar door de secretaris van de welstandscommissie, die geen deel uitmaakt van deze commissie.

3. Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft de welstandscommissie op verzoek van het college het bouwplan opnieuw beoordeeld. Volgens het naar aanleiding daarvan uitgebrachte welstandsadvies van 10 april 2015 (hierna: het welstandsadvies), waarin is ingegaan op het tegenadvies, is het bouwplan, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria uit de Welstandsnota Almere 2007 (hierna: de welstandsnota). Het college heeft het welstandsadvies aan het besluit van 15 april 2015 ten grondslag gelegd.

Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), gelezen in verbinding met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, geacht eveneens onderwerp te zijn van dit geding.

4. In zijn zienswijze betoogt [appellant] dat het college aan het besluit van 15 april 2015 ten onrechte het welstandsadvies ten grondslag heeft gelegd. Daartoe voert hij aan dat de welstandscommissie het bouwplan ten onrechte heeft getoetst aan de welstandscriteria die gelden voor het genre "rijwoning herhaling". Volgens [appellant] had het bouwplan getoetst moeten worden aan de criteria voor het genre "rijwoning individueel", nu in de Hans Lodeizenstraat verschillende typen twee-onder-een-kapwoningen staan. Voorts voert [appellant] aan dat in het welstandsadvies ten onrechte wordt gesteld dat met de in het bouwplan voorziene dakopbouw een nieuwe evenwichtige hoofdvorm ontstaat, nu uit het tegenadvies volgt dat met die dakopbouw het karakteristieke ruimtelijke spel van de bouwmassa en de villa-achtige uitstraling van de woning worden geschaad en onherstelbare schade wordt toegebracht aan het architectonische beeld van de woningen in de straat. Voorts wordt volgens [appellant] in het welstandsadvies ten onrechte verwezen naar een reeds eerder verleende vergunning voor een dakopbouw aan de achtergevel van de woning aan de Hans Andreusstraat 50, nu de woningen in die straat niet vergelijkbaar zijn met de woningen in de Hans Lodeizenstraat.

4.1. In het aangevoerde wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat het welstandsadvies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college het niet aan het besluit van 15 april 2015 ten grondslag mocht leggen. Het standpunt van [appellant] dat de welstandscommissie het bouwplan had moeten toetsen aan de welstandscriteria die gelden voor het genre "rijwoning individueel", wordt niet gevolgd. In het welstandsadvies is toegelicht dat de woning valt onder het genre "rijwoning herhaling", nu deze deel uitmaakt van seriematig gebouwde twee-onder-een-kapwoningen en de twee-onder-een-kapwoning de kortst mogelijke rijwoning is. Dat de twee-onder-een-kapwoningen aan de Hans Lodeizenstraat niet identiek zijn maar, als door [appellant] gesteld, alle in vormgeving verschillen om een asymmetrisch beeld te creëren, maakt niet dat de welstandscommissie, gelet op voormelde seriematige bouw, de woning ten onrechte heeft geschaard onder het genre "rijwoning herhaling".

Volgens het welstandsadvies voldoet het bouwplan aan het voor dit genre geldende criterium dat woninguitbreiding leidt tot een nieuwe evenwichtige hoofdvorm. In hetgeen in het tegenadvies wordt opgemerkt over de negatieve uitstraling die de dakopbouw op de woning en de omgeving zal hebben, wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat het welstandsadvies niet deugdelijk is. Daarbij is van belang dat de welstandscommissie in dit verband terecht heeft opgemerkt dat de welstandstoets zich in beginsel heeft te richten naar de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt en dat het bouwplan past in het bestemmingsplan. Voorts wordt in aanmerking genomen dat de in de welstandsnota neergelegde criteria naar hun aard niet in de weg staan aan uiteenlopende waarderingen van het bouwplan.

Volgens het welstandsadvies is bij de beoordeling van de in het bouwplan voorziene dakopbouw van belang geweest dat een soortgelijke dakopbouw aan de achtergevel van de woning aan de Hans Andreusstraat 50 reeds met vergunning is gerealiseerd. [appellant] heeft, door te stellen dat beide opbouwen in vormgeving afwijken en de woning aan de Hans Andreusstraat 50, anders dan de woning, schuin inspringend is gelegen ten opzichte van de naastgelegen woningen en aan de achterzijde wordt begrensd door een geluidswal, niet aannemelijk gemaakt dat de reeds gerealiseerde dakopbouw in essentie dusdanig verschilt van de in het bouwplan voorziene dakopbouw dat daaraan in het welstandsadvies ten onrechte betekenis is gehecht.

Het betoog faalt.

5. Het standpunt van [appellant], dat het college bij het nemen van het besluit van 15 april 2015 in strijd met artikel 2:4, eerste lid, van de Awb vooringenomen was, wordt niet gevolgd. De door [appellant] in dit verband aangevoerde omstandigheden, dat de secretaris van welstandscommissie hem aanvankelijk heeft meegedeeld dat hij niet aanwezig mocht zijn bij de behandeling van het bouwplan door de welstandscommissie en dat de vertegenwoordiger van het college hem tijdens die behandeling heeft genegeerd, maar daarentegen [vergunninghouder] amicaal heeft begroet, vormen geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het college zich bij zijn besluitvorming niet ervan heeft vergewist of het aan het welstandsadvies doorslaggevende betekenis mocht toekennen. Dat de aan de Afdeling gerichte brief van het college, waarmee het besluit van 15 april 2015 is verzonden, dateert van 13 april 2015, vormt evenmin een aanknopingspunt voor dat oordeel. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat die brief over de inhoud van dat besluit geen informatie bevat en is verzonden op 16 april 2015.

6. Gelet op hetgeen in de tussenuitspraak onder 5 is overwogen, is het hoger beroep van [appellant] tegen de aangevallen uitspraak gegrond. Die uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, gelet op hetgeen onder 5 van de tussenuitspraak is overwogen, het beroep tegen het besluit van het college van 9 januari 2012 alsnog gegrond verklaren.

Het beroep tegen het besluit van 15 april 2015 is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ongegrond.

7. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 7 april 2014 in zaak nr. 13/344;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. verklaart het beroep van [appellant] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Almere van 15 april 2015, kenmerk 111340, ongegrond;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Almere tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.960,00 (zegge: negentienhonderdzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Almere aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 402,00 (zegge: vierhonderdtwee euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, voorzitter, en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, griffier.

w.g. Wortmann w.g. Soede

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2015

531-757.