Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2130

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-07-2015
Datum publicatie
08-07-2015
Zaaknummer
201501199/1/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 september 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Spijk en omgeving" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2015/279 met annotatie van D. van der Meijden
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/7011

Uitspraak

201501199/1/R6.

Datum uitspraak: 8 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], wonend te Wijk en Aalburg, gemeente Aalburg,

2. [appellant sub 2], wonend te Wijk en Aalburg, gemeente Aalburg,

3. [appellante sub 3], wonend te Wijk en Aalburg, gemeente Aalburg,

4. [appellant sub 4], wonend te Wijk en Aalburg, gemeente Aalburg,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Aalburg,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 september 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Spijk en omgeving" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1], [appellant sub 2], [appellante sub 3] en [appellant sub 4] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante sub 3] en [appellant sub 2] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 mei 2015, waar [appellante sub 1], vertegenwoordigd door mr. H.H. Harberink, [appellant sub 2], vertegenwoordigd door mr. I.J.J.M. Roorda, advocaat te Rosmalen, [appellante sub 3], bijgestaan door mr. I.J.J.M. Roorda, voornoemd, en [appellant sub 4], vertegenwoordigd door mr. I.J.J.M. Roorda, voornoemd, alsook de raad, vertegenwoordigd door mr. G. Verweij, mr. E.K.J. Eilander en ing. M. Huijbregts, allen werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door mr. A. de Snoo, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen. Voorts zijn daar als belanghebbenden gehoord [belanghebbende A] en [belanghebbende B], bijgestaan door [gemachtigde].

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet in een actueel juridisch-planologisch kader voor het gebied tussen de kernen van Wijk en Aalburg enerzijds en Veen anderzijds.

Het beroep van [appellante sub 1]

3. [appellante sub 1] woont op het perceel [locatie 1]. Tegenover haar woning ligt het perceel [locatie 3], welk perceel een agrarische bestemming heeft. Daarnaast ligt het perceel [locatie 2], aan welk perceel een bedrijfsbestemming is toegekend. In het verleden werden beide percelen in strijd met het destijds geldende bestemmingsplan gebruikt voor loonwerkzaamheden. [appellante sub 1] heeft gedurende die periode overlast ervaren van de loonwerkzaamheden. Na handhavend optreden van het college van burgemeester en wethouders is dat gebruik gestaakt. Het onderhavige plan maakt - in tegenstelling tot het voorheen geldende bestemmingsplan - op het perceel [locatie 2] de vestiging van een loonbedrijf mogelijk. Daar richt het beroep van [appellante sub 1] zich tegen. Ter zitting is komen vast te staan dat het beroep niet is gericht tegen de bedrijfsbestemming als zodanig.

3.1. [appellante sub 1] betoogt dat de raad ten onrechte de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG-brochure) heeft toegepast, voor zover daarin loonbedrijven met een oppervlakte van 500 m² in milieucategorie 2 van de staat van bedrijfsactiviteiten worden geplaatst. Volgens [appellante sub 1] dient de raad een eigen afweging te maken, waarbij haar belangen als omwonende hadden moeten worden betrokken. Dit heeft de raad volgens haar ten onrechte nagelaten.

Verder voert [appellante sub 1] aan dat op grond van de VNG-brochure een afstand van 30 meter geldt. De afstand van het perceel [locatie 2] tot de gevel van de woning van [appellante sub 1] bedraagt slechts 9 meter, zodat aan deze afstand niet wordt voldaan. Nu niet aan deze afstand is voldaan, heeft de raad ten onrechte geen onderzoek gedaan naar de gevolgen van het toestaan van een loonbedrijf ter plaatse voor het verkeer en de daarmee gepaard gaande geluidbelasting op de gevel van haar woning, zo voert [appellante sub 1] aan. Zij wijst erop dat de uitoefening van dergelijke bedrijven meebrengt dat landbouwmachines het terrein op- en afrijden. Vanwege grote draaicirkels zullen die machines de woning van [appellante sub 1] op zeer korte afstand passeren, hetgeen leidt tot aantasting van haar woon- en leefklimaat. Verder wijst [appellante sub 1] erop dat het college van burgemeester en wethouders in verband met een handhavingsprocedure te kennen heeft gegeven dat een loonwerk- en grondverzetbedrijf ter plaatse niet wenselijk is, vanwege de geringe afstand tot de aangrenzende woningen en de mogelijk grote verkeersaantrekkende werking van een dergelijk bedrijf.

3.2. De raad heeft ter zitting toegelicht dat het plan door een wijziging van de VNG-brochure op elk perceel met een bedrijfsbestemming loonbedrijven met een maximale oppervlakte van 500 m² mogelijk maakt. De raad heeft het niet nodig geacht om die mogelijkheid voor het perceel [locatie 2] uit te sluiten. Hieraan heeft de raad ten grondslag gelegd dat de ruimtelijke uitstraling van een loonbedrijf vergelijkbaar is met de uitstraling van andere bedrijven die vallen in milieucategorie 2 van de staat van bedrijfsactiviteiten.

3.3. Volgens de verbeelding is aan het perceel [locatie 2] de bestemming "Bedrijf" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor bedrijven in de categorieën 1 en 2 van de bij deze regels opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten.

Volgens de Staat van Bedrijfsactiviteiten vallen loonbedrijven met een oppervlakte van maximaal 500 m² in categorie 2.

3.4. Ter zitting is komen vast te staan dat niet wordt voldaan aan de in de VNG-brochure aanbevolen aan te houden afstand tussen bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 2 en woningen. De raad heeft zich evenwel in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de effecten van een loonbedrijf op het perceel [locatie 2] niet zodanig zijn dat ter plaatse van het perceel van [appellante sub 1] geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. Hiertoe overweegt de Afdeling dat door [appellante sub 1] niet is bestreden dat de ruimtelijke uitstraling van een loonbedrijf beperkt is in verhouding tot hetgeen overigens op het perceel mogelijk wordt gemaakt. Voorts is door de raad ter zitting onweersproken toegelicht dat loonwerkzaamheden niet zullen plaatsvinden op het deel van het perceel [locatie 2] dat direct tegenover het perceel van [appellante sub 1] ligt. Dat deel van het perceel ligt namelijk op een dijk en is daardoor ongeschikt voor het uitoefenen van die werkzaamheden. Voorts heeft de raad ter zitting onbetwist gesteld dat een loonbedrijf zoals hier toegestaan 14 verkeersbewegingen per etmaal genereert. Dit aantal is volgens de raad verwaarloosbaar, gelet op het aantal verkeersbewegingen op de Maasdijk van 6000 per etmaal. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad daar niet in redelijkheid van mocht uitgaan. Verder heeft de raad ter zitting toegelicht dat het af- en aanrijdend verkeer als gevolg van een loonbedrijf ter plaatse geen relevante toename van het geluid tot gevolg heeft, omdat dat geluid opgaat in het geluid dat wordt veroorzaakt door verkeer dat van en naar het perceel [locatie 3] rijdt. In hetgeen door [appellante sub 1] is aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op dat standpunt mocht stellen.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid ter plaatse van het perceel [locatie 2] loonbedrijven met een maximale oppervlakte van 500 m² mogelijk heeft kunnen maken.

4. Het beroep van [appellante sub 1] is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Het beroep van [appellant sub 2]

6. Voor zover de raad stelt dat het beroep van [appellant sub 2] een herhaling van de over het ontwerpplan naar voren gebrachte zienswijze is, overweegt de Afdeling dat [appellant sub 2] ter zitting nader heeft gemotiveerd waarom de weerlegging van de zienswijze in het bestreden besluit onjuist is. Gelet hierop is het beroep niet reeds vanwege het louter herhalen van zienswijzen ongegrond.

7. [appellant sub 2] is eigenaar van het perceel [locatie 4], waarop een woning staat. In het plan is aan het perceel een bedrijfsbestemming toegekend; de woning is als bedrijfswoning toegestaan. Volgens [appellant sub 2] wordt de woning echter gebruikt als burgerwoning. Zijn beroep is er daarom op gericht dat aan het perceel een woonbestemming wordt toegekend.

7.1. [appellant sub 2] betoogt dat de raad heeft miskend dat de woning op zijn perceel reeds in gebruik is als burgerwoning. Verder betoogt hij dat de raad bij het besluit om in afwijking van het voorontwerp ter plaatse van zijn perceel geen woonbestemming toe te kennen een ontoelaatbare vorm van zogeheten betaalplanologie heeft toegepast. In dit kader voert hij in het bijzonder aan dat de raad aan zijn besluit niet ten grondslag mocht leggen dat [appellant sub 2] de betalingsverplichting uit de met de gemeente gesloten anterieure exploitatieovereenkomst niet is nagekomen. Die overeenkomst is namelijk nietig, zo betoogt hij. Ten slotte wijst [appellant sub 2] erop dat zich ter plaatse van de percelen Maasdijk 61, Den Oudert 29 en Den Oudert 35 soortgelijke situaties voordoen. Aan de eigenaren van die percelen worden volgens [appellant sub 2] door de raad geen bezwaren in de sfeer van grondexploitatie tegengeworpen, terwijl ter plaatse wel woonbestemmingen zijn toegekend.

7.2. De raad heeft toegelicht dat hij de huidige bedrijfsbestemming voor het perceel van [appellant sub 2] ruimtelijk aanvaardbaar acht. De raad heeft evenwel op verzoek van [appellant sub 2] beoordeeld of een burgerwoning ter plaatse mogelijk zou zijn. Bij de beoordeling van een dergelijk verzoek hanteert de raad de volgende gedragslijn, die drie verschillende situaties onderscheidt:

a. woningen die vóór 28 november 1994 al niet meer in gebruik waren als bedrijfswoning en uit dien hoofde onder het overgangsrecht vallen. Deze woningen kunnen zonder meer als burgerwoning worden bestemd;

b. woningen die vóór 28 juli 2010, dat is de datum van publicatie van de door de raad vastgestelde 'Ruimtelijke visie Spijk en Wielstraat', al niet meer in gebruik waren als bedrijfswoning. Deze woningen kunnen tot burgerwoning worden bestemd waarbij wel de leges en de kosten van eventuele onderzoeken in rekening worden gebracht;

c. woningen waarvan het gebruik als bedrijfswoning na 28 juli 2010 is geëindigd of waar een voornemen tot beëindiging daarvan bestaat. Alvorens tot wijziging van de bestemming over te gaan tracht de gemeente de kosten door middel van een anterieure overeenkomst op basis van artikel 6.24 van de Wet ruimtelijke verordening (hierna: Wro) te verhalen. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat in deze gevallen ook de kosten van eventuele onderzoeken voor rekening van de eigenaar van het perceel komen.

Volgens de raad is het perceel van [appellant sub 2] thans in gebruik als bedrijfswoning. Hiertoe wijst de raad erop dat uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel volgt dat het bedrijf van de zoon van [appellant sub 2] ter plaatse is gevestigd. De bedrijfsvoering vindt plaats in één van de loodsen aan [locatie 5]. Verder heeft [appellant sub 2] verklaard nog werkzaam te zijn in het bedrijf van zijn zoon, aldus de raad. Gelet hierop valt [appellant sub 2] volgens de raad in categorie c. Omdat [appellant sub 2] niet aan de hand van onderzoeken naar onder meer de vervuiling van de grond heeft aangetoond dat op zijn perceel een goed woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd, heeft de raad besloten dat ter plaatse geen burgerwoning mogelijk kon worden gemaakt. Hierbij heeft de raad betrokken dat uit historisch bodemonderzoek blijkt dat het perceel mogelijk is vervuild met bestrijdingsmiddelen, minerale oliën en vluchtige aromaten, zodat onderzoek wel nodig was.

De raad heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de situatie van [appellant sub 2] verschilt van de situaties ter plaatse van de percelen Maasdijk 61, Den Oudert 29 en Den Oudert 35.

De raad heeft er ten slotte op gewezen dat aan het perceel een wijzigingsbevoegdheid is toegekend, ingevolge waarvan een bestemming voor een burgerwoning aan het perceel kan worden toegekend, indien alsnog aan de hand van de benodigde onderzoeken wordt aangetoond dat ter plaatse een goed woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd.

7.3. Volgens de verbeelding zijn aan het perceel de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "bedrijfswoning" toegekend. Voorts is aan een deel van het perceel de aanduiding "wetgevingszone - wijzigingsgebied 3" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder a en f, van de planregels zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor bedrijven in de categorieën 1 en 2 van de bij deze regels opgenomen bijlage Staat van Bedrijfsactiviteiten. Ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning" is een bedrijfswoning toegestaan.

Ingevolge artikel 20, lid 20.2, onder c, kan het college van burgemeester en wethouders ter plaatse van de aanduiding "wetgevingzone - wijzigingsgebied 3" de bestemming "Bedrijf" wijzigen in de bestemmingen "Wonen" met bouwvlak […] onder de volgende voorwaarden:

1. het bestaande bouwvlak wordt verwijderd;

2. het bestaande aanduidingsvlak 'bedrijfswoning' wordt het nieuwe bouwvlak ten behoeve van de woning;

[…]

5. de woonbestemming mag geen onevenredige beperking opleveren voor de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven;

6. er mogen geen milieuhygiënische belemmeringen uit oogpunt van bodemkwaliteit en externe veiligheid bestaan tegen de wijziging van de bestemming naar een bestemming "Wonen".

7.4. Gelet op de uitkomsten van het onderzoek van de raad naar het gebruik van het perceel heeft de raad er naar het oordeel van de Afdeling van uit kunnen gaan dat de woning op het perceel ten tijde van belang werd gebruikt als bedrijfswoning.

7.5. Bij de beoordeling van de vraag of het door [appellant sub 2] gewenste gebruik van de woning op het perceel als een burgerwoning mogelijk kon worden gemaakt, is het volgende van belang. In het stelsel van de Wro is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld.

Niet in geschil is dat het initiatief van [appellant sub 2] voldoende concreet is en tijdig kenbaar is gemaakt. Nu geen onderzoek is gedaan naar de bodemgesteldheid ter plaatse, beschikte de raad echter niet over voldoende gegevens om de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het initiatief te beoordelen, terwijl de verantwoordelijkheid voor de vergaring van deze gegevens in dit geval bij [appellant sub 2] lag. Hiertoe overweegt de Afdeling dat het concrete initiatief louter op zijn verzoek in de planprocedure zou worden meegenomen en dat de raad de geldende bestemming nog steeds in overeenstemming acht met een goede ruimtelijke ordening. Voorts is van belang dat de raad op voorhand geen overwegende bezwaren had, in die zin dat het initiatief reeds zou afstuiten op wettelijke of beleidsmatige belemmeringen. Verder is van belang dat de raad duidelijk heeft aangegeven welke gegevens nodig waren voor de beoordeling van het initiatief, terwijl dit geen gegevens zijn waarover de raad zelf beschikt of redelijkerwijs kon beschikken.

Voor zover [appellant sub 2] betoogt dat de gevraagde gegevens niet nodig of passend waren, wordt overwogen dat hij dit niet aannemelijk heeft gemaakt. Hiertoe overweegt de Afdeling dat de raad op basis van historisch bodemonderzoek aannemelijk heeft gemaakt dat de kans bestaat dat de bodem ter plaatse aanzienlijk is vervuild.

Nu de verantwoordelijkheid voor de vergaring van de voor de beoordeling van het initiatief noodzakelijke gegevens ligt bij [appellant sub 2], heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid van [appellant sub 2] kunnen verlangen dat hij de kosten draagt die samenhangen met het vergaren van die gegevens, zoals een onderzoek naar de bodemgesteldheid.

7.6. Voor zover [appellant sub 2] betoogt dat de door hem met de gemeente gesloten anterieure overeenkomst nietig is, overweegt de Afdeling dat niet de Afdeling, maar de burgerlijke rechter bevoegd is om daarover te oordelen.

7.7. [appellant sub 2] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat de situaties ter plaatse van de percelen Den Oudert 29 en Den Oudert 35 gelijk zijn aan zijn situatie. Hiertoe overweegt de Afdeling dat de raad heeft toegelicht dat de woning op het perceel Den Oudert 29 vanaf 2006 in gebruik is als burgerwoning. Verder heeft de raad toegelicht dat aan de hand van stukken is aangetoond dat de woning op het perceel Den Oudert 35 al vóór 28 november 1994 in gebruik is als burgerwoning. [appellant sub 2] heeft voorts evenmin aannemelijk gemaakt dat ten aanzien van het perceel Maasdijk 61 sprake is van een gelijke situatie.

7.8. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de woning op het perceel van [appellant sub 2] als bedrijfswoning heeft kunnen bestemmen.

8. Wat betreft het verzoek van [appellant sub 2] om inschakeling van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: StAB), overweegt de Afdeling dat daarvoor gelet op de aard van deze zaak geen aanleiding bestaat.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Het beroep van [appellante sub 3]

11. Voor zover de raad stelt dat het beroep van [appellante sub 3] een herhaling van de over het ontwerpplan naar voren gebrachte zienswijze is, overweegt de Afdeling dat [appellante sub 3] ter zitting nader heeft gemotiveerd waarom de weerlegging van de zienswijze in het bestreden besluit onjuist is. Gelet hierop is het beroep niet reeds vanwege het louter herhalen van zienswijzen ongegrond.

12. [appellante sub 3] is eigenaar van het perceel [locatie 6], waarop een woning staat. In het plan is aan het perceel een agrarische bestemming toegekend; de woning is als bedrijfswoning toegestaan. Volgens [appellante sub 3] wordt de woning op het perceel echter gebruikt als burgerwoning. Haar beroep is er eveneens op gericht dat aan het perceel een woonbestemming wordt toegekend.

12.1. [appellante sub 3] betoogt dat de raad heeft miskend dat de agrarische activiteiten die op haar perceel werden uitgevoerd al in 1993 zijn beëindigd. Vanaf dat moment is de woning op het perceel gebruikt als burgerwoning, aldus [appellante sub 3]. In dit kader wijst [appellante sub 3] erop dat ook in de nota van het college van burgemeester en wethouders ‘Tweede wijziging informatienota College B&W’ staat dat haar perceel een overwegend woonkarakter heeft.

[appellante sub 3] betoogt voorts dat de raad bij zijn besluit om in afwijking van het voorontwerpbestemmingsplan geen woonbestemming aan het perceel toe te kennen een ontoelaatbare vorm van betaalplanologie heeft toegepast. In dit kader voert zij in het bijzonder aan dat de door haar met de gemeente gesloten anterieure exploitatieovereenkomst nietig is.

Voor zover de raad zich op het standpunt stelt dat [appellante sub 3] geen medewerking verleent aan het laten uitvoeren van bodemonderzoek of archeologisch onderzoek, wijst zij erop dat niet gebouwd zal worden, zodat dergelijke onderzoeken niet nodig zijn.

Voorts betoogt [appellante sub 3] dat de raad heeft miskend dat een omgevingsvergunning is verleend waarmee het gebruik van de schuur op haar perceel voor bewoning is toegestaan.

Ten slotte wijst [appellante sub 3] erop dat zich ter plaatse van de percelen Den Oudert 29, Den Oudert 35 en Maasdijk 181 identieke situaties voordoen, terwijl ter plaatse van die percelen wel een woonbestemming is toegekend.

12.2. De raad heeft toegelicht dat hij de huidige agrarische bestemming voor het perceel van [appellante sub 3] ruimtelijk aanvaardbaar acht. De raad heeft evenwel op verzoek van [appellante sub 3] beoordeeld of een burgerwoning ter plaatse mogelijk zou zijn. Bij de beoordeling van dit verzoek heeft de raad de onder 7.2 weergegeven vaste gedragslijn gehanteerd. De raad is er daarbij van uitgegaan dat de woning op het perceel niet langdurig in gebruik is geweest als een burgerwoning, omdat de vorige eigenaren van het perceel ter plaatse een agrarisch bedrijf exploiteerden en de woning op het perceel gebruikten als bedrijfswoning. De milieuvergunning voor het bedrijf is eerst op 18 januari 2012 ingetrokken, en de vorige bewoners waren volgens de gemeentelijke basisadministratie tot 27 april 2012 woonachtig op dit adres. De raad heeft aan zijn besluit daarom ten grondslag gelegd dat de situatie van [appellante sub 3] valt in categorie c.

Voorts heeft de raad besloten dat ter plaatse geen burgerwoning mogelijk kon worden gemaakt, omdat [appellante sub 3] niet aan de hand van een verkennend bodemonderzoek heeft aangetoond dat op haar perceel een goed woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. Dat onderzoek was wel nodig, gelet op het voormalige agrarische gebruik van de gronden. Voorts is een onderzoek naar de verwachtingswaarde inzake conventionele explosieven nodig, vanwege de ligging van het gebied in de frontlinie in de periode 1944-1945, aldus de raad. Dat onderzoek ontbreekt eveneens. [appellante sub 3] heeft volgens de raad voorts geen toestemming gegeven om de benodigde onderzoeken op haar perceel te laten uitvoeren.

Wat betreft de door [appellante sub 3] bedoelde nota van het college van burgemeester en wethouders, merkt de raad op dat daarin staat dat woningbouw ter plaatse voorstelbaar is, gelet op het overwegende woonkarakter van de straat. Hieruit volgt echter niet dat aan het perceel zonder meer een woonbestemming zou worden toegekend, aldus de raad.

De raad heeft verder toegelicht dat een omgevingsvergunning is verleend voor de bouw van een bijgebouw op het perceel met een agrarische bestemming. Uit de aanvraag blijkt dat het bijgebouw voor schuur/opslag/stal zou worden gebruikt. Er is dus geen vergunning verleend voor het gebruik van de schuur als of ten behoeve van een woning. Aan de verleende vergunning kan dan ook geen aanspraak op een woning worden ontleend, aldus de raad.

De raad heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de situatie van [appellante sub 3] verschilt van de situaties ter plaatse van de percelen Den Oudert 29, Den Oudert 35 en Maasdijk 181.

De raad heeft er ten slotte op gewezen dat aan het perceel een wijzigingsbevoegdheid is toegekend, ingevolge waarvan een bestemming voor een burgerwoning aan het perceel kan worden toegekend, indien alsnog aan de hand van de benodigde onderzoeken wordt aangetoond dat ter plaatse een goed woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd.

12.3. Volgens de verbeelding zijn aan het perceel de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "bedrijfswoning" toegekend. Aan het perceel is voorts de aanduiding "wetgevingszone - wijzigingsgebied 2" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a en f, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor agrarische bedrijvigheid, niet zijnde veehouderij en glastuinbouw. Ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning" is een bedrijfswoning toegestaan.

Ingevolge artikel 20, lid 20.2, onder b, kan het college van burgemeester en wethouders ter plaatse van de aanduiding "wetgevingzone - wijzigingsgebied 2" de bestemming "Agrarisch" wijzigen in de bestemmingen "Wonen" met bouwvlak […] onder de volgende voorwaarden:

1. het bestaande bouwvlak wordt verwijderd;

2. het bestaande aanduidingsvlak 'bedrijfswoning' wordt het nieuwe bouwvlak ten behoeve van de woning;

3. de achterste begrenzing van de bestemming "Wonen" komt te liggen in het verlengde van de achterste begrenzing van het bouwperceel Den Oudert 52;

[…]

6. de woonbestemming mag geen onevenredige beperking opleveren voor de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven;

7. er mogen geen milieuhygiënische belemmeringen uit oogpunt van bodemkwaliteit en externe veiligheid bestaan tegen de wijziging van de bestemming naar een bestemming "Wonen".

12.4. Wat betreft het gebruik overweegt de Afdeling dat de raad er op basis van de informatie uit de gemeentelijke basisadministratie en de milieuvergunning die geldig was tot 18 januari 2012 van mocht uitgaan dat de woning op het perceel voor die datum niet werd gebruikt als burgerwoning. Hierbij betrekt de Afdeling dat ter zitting is komen vast te staan dat de raad ten tijde van de vaststelling van het plan desgevraagd geen stukken heeft ontvangen waaruit blijkt dat de woning op het perceel als burgerwoning werd gebruikt.

12.5. Bij de beoordeling van de vraag of het door [appellante sub 3] gewenste gebruik van de woning op het perceel als burgerwoning mogelijk kon worden gemaakt, is het volgende van belang. In het stelsel van de Wro is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld.

Niet in geschil is dat het initiatief van [appellante sub 3] voldoende concreet is en tijdig kenbaar is gemaakt. Nu geen onderzoek is gedaan naar de bodemgesteldheid van het perceel, beschikte de raad echter niet over voldoende gegevens om de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het initiatief te beoordelen, terwijl de verantwoordelijkheid voor de vergaring van deze gegevens in dit geval bij [appellante sub 3] lag. Hiertoe overweegt de Afdeling dat het concrete initiatief louter op haar verzoek in de planprocedure zou worden meegenomen en dat de raad de geldende bestemming nog steeds in overeenstemming acht met een goede ruimtelijke ordening. Voorts is van belang dat de raad op voorhand geen overwegende bezwaren had, in die zin dat het initiatief reeds zou afstuiten op wettelijke of beleidsmatige belemmeringen. Verder is van belang dat de raad duidelijk heeft aangegeven welke gegevens nodig waren voor de beoordeling van het initiatief, terwijl dit geen gegevens zijn waarover de raad zelf beschikt of redelijkerwijs kon beschikken.

Voor zover [appellante sub 3] betoogt dat de gevraagde gegevens niet nodig of passend waren, wordt overwogen dat zij dit niet aannemelijk heeft gemaakt. Hiertoe overweegt de Afdeling dat de raad op basis van historisch onderzoek aannemelijk heeft gemaakt dat de kans bestaat dat de bodem ter plaatse aanzienlijk is vervuild en dat explosieven kunnen voorkomen. Hierbij betrekt de Afdeling dat het plan sloop en nieuwbouw van de woning niet uitsluit.

Nu de verantwoordelijkheid voor de vergaring van de voor de beoordeling van het initiatief noodzakelijke gegevens ligt bij [appellante sub 3], heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid van [appellante sub 3] kunnen verlangen dat zij de kosten draagt die samenhangen met het vergaren van die gegevens, zoals een onderzoek naar de bodemgesteldheid en de aanwezigheid van explosieven.

12.6. Voor zover [appellante sub 3] betoogt dat de door haar met de gemeente gesloten anterieure overeenkomst nietig is, overweegt de Afdeling dat niet de Afdeling, maar de burgerlijke rechter bevoegd is om daarover te oordelen.

12.7. [appellante sub 3] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat de situaties ter plaatse van de percelen Den Oudert 29 en Den Oudert 35 gelijk zijn aan haar situatie. Hiertoe overweegt de Afdeling dat de raad heeft toegelicht dat de woning op het perceel Den Oudert 29 vanaf 2006 in gebruik is als burgerwoning. Verder heeft de raad toegelicht dat aan de hand van stukken is aangetoond dat de woning op het perceel Den Oudert 35 al vóór 28 november 1994 in gebruik is als burgerwoning. Ter zitting heeft de raad verder toegelicht dat de benodigde onderzoeken voor het perceel Maasdijk 181 wel zijn uitgevoerd.

Voorts heeft [appellante sub 3] niet aannemelijk gemaakt dat de verlening van de omgevingsvergunning voor de bouw van de schuur op haar perceel vooruit liep op een bestemming van de woning op haar perceel als burgerwoning. Hiertoe overweegt de Afdeling dat ter zitting is gebleken dat de schuur is gelegaliseerd ten behoeve van de destijds geldende agrarische bestemming.

Ten slotte is de verwijzing van [appellante sub 3] naar de nota van het college niet met stukken onderbouwd, zodat deze verwijzing reeds hierom niet tot vernietiging van het plan kan leiden.

12.8. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de woning op het perceel van [appellante sub 3] als bedrijfswoning heeft kunnen bestemmen.

12.9. Ten overvloede overweegt de Afdeling nog dat de raad ter zitting heeft toegezegd aan de hand van de in deze procedure ingediende stukken - waaruit volgens [appellante sub 3] blijkt dat de woning op haar perceel al sinds 1993 in gebruik is als een burgerwoning - alsnog te zullen onderzoeken of het mogelijk is ter plaatse bij recht een burgerwoning mogelijk te maken. Naast de uitkomst van het onderzoek naar het gebruik zijn daarbij ook de uitkomsten van het onderzoek naar de bodemgesteldheid en de aanwezigheid van explosieven van belang, aldus de raad.

13. Wat betreft het verzoek van [appellante sub 3] om inschakeling van de StAB, overweegt de Afdeling dat daarvoor gelet op de aard van deze zaak geen aanleiding bestaat.

14. Het beroep is ongegrond.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Het beroep van [appellant sub 4]

16. [appellant sub 4] is eigenaar van het perceel [locatie 7]. Zijn vader is woonachtig op dat perceel. Ter zitting heeft [appellant sub 4] te kennen gegeven dat hij zich alsnog kan vinden in de aan het perceel toegekende bedrijfsbestemming. Gelet hierop kan [appellant sub 4] met zijn beroep niet meer bereiken dan hij reeds heeft bereikt, zodat procesbelang bij de beoordeling van zijn beroep ontbreekt. Daarom komt de Afdeling niet toe aan de door [appellant sub 4] gewenste uiteenzetting van hetgeen door de raad naar voren is gebracht over de gevolgen van het niet ondertekenen van een anterieure overeenkomst.

17. Het beroep van [appellant sub 4] is niet-ontvankelijk.

18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 4] niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellante sub 1], [appellant sub 2] en [appellante sub 3] ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van drs. M.H. Kuggeleijn-Jansen, griffier.

w.g. Van Ettekoven w.g. Kuggeleijn-Jansen

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2015

545-786.