Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2127

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-07-2015
Datum publicatie
08-07-2015
Zaaknummer
201405824/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 mei 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Transportcentrum" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/476

Uitspraak

201405824/1/R2.

Datum uitspraak: 8 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Mach 4 Metal B.V., gevestigd te Babberich, gemeente Zevenaar, en [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellante sub 2], gevestigd te Babberich, gemeente Zevenaar,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Zevenaar,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 mei 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Transportcentrum" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben Mach 4 Metal en [appellant sub 1] alsmede [appellante sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 mei 2015, waar Mach 4 Metal en [appellant sub 1], vertegenwoordigd door mr. A.P. Loo, advocaat te Nijmegen en, [directeur A], [appellante sub 2], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en [directeur B], en de raad, vertegenwoordigd door mr. J. Steenhuis en C. van Londen-Verheij, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Planbeschrijving

2. Het plan betreft het actualiseren van het voorheen geldende bestemmingsplan uit 1994. Het plan is consoliderend van aard, waarbij nieuwe ontwikkelingen niet zijn meegenomen. Alleen noodzakelijke en ondergeschikte wijzigingen zijn doorgevoerd. Het plangebied beslaat een bestaand bedrijventerrein langs de rijksweg A12.

Het beroep van Mach 4 Metal en [appellant sub 1]

3. Mach 4 Metal en [appellant sub 1] betogen dat in het plan ten onrechte niet langer is voorzien in de mogelijkheid om een dieselvulstation te realiseren op hun bedrijfsterrein. Anders dan de raad stelt, bood het voorheen geldende plan volgens hen daartoe wel de mogelijkheid. Daarbij wijzen zij erop dat in een brief uit 2006 afkomstig van het college van burgemeester en wethouders van Zevenaar wordt bevestigd dat ter plaatse van hun bedrijfsterrein een dieselvulstation was toegestaan op basis van het destijds vigerende bestemmingsplan. Zij hebben al jaren de wens een dieselvulstation te beginnen en daartoe ook pogingen ondernomen. De raad heeft onvoldoende gemotiveerd waarom deze bestaande planologische mogelijkheid niet langer ruimtelijk aanvaardbaar is, aldus Mach 4 Metal en [appellant sub 1].

3.1. Aan de gronden waarop het bedrijfsterrein van Mach 4 Metal en [appellant sub 1] is gevestigd was in het voorheen geldende bestemmingsplan "Transportcentrum Zevenaar" de bestemming "Transportcentrum" toegekend. In de doeleindenomschrijving van artikel 3 van de planvoorschriften was onder meer opgenomen dat gronden binnen deze bestemming zijn bedoeld voor de vestiging van dienstverlenende bedrijven ten behoeve van of in directe relatie met bovengenoemde bedrijven, zoals één horecabedrijf, kantoor- en vergaderruimte, reparatie-inrichting en/of servicestation voor motorvoertuigen en een verkooppunt voor motorbrandstoffen.

In het voorliggende plan is aan de gronden in het plangebied waarop de bedrijfsgebouwen staan - waaronder die van Mach 4 Metal - de bestemming "Bedrijventerrein - 1" toegekend. Daarbij geldt ingevolge artikel 3, lid 3.1, onder c, van de planregels dat deze gronden onder andere zijn bestemd voor dienstverlenende bedrijven ten behoeve van of in directe relatie met de onder a en b genoemde bedrijven, zoals één horecabedrijf, kantoor- en vergaderruimte, reparatie-inrichting en/of servicestation voor motorvoertuigen en één verkooppunt van motorbrandstoffen.

3.2. Desgevraagd is namens de raad ter zitting toegelicht dat het voorheen geldende plan de vestiging van meer dan één tankstation toestond en voorts is ter zitting bevestigd dat in eerdergenoemde brief uit 2006 van het college van burgemeester en wethouders aan [appellant sub 1] is meegedeeld dat het oprichten van een dieselvulstation op zijn bedrijfsterrein paste binnen het destijds geldende plan. Omdat van die planologische mogelijkheid gedurende 20 jaar geen gebruik is gemaakt, is deze mogelijkheid in het voorliggende plan niet meer opgenomen. Daarbij wijst de raad erop dat in de huidige situatie elders in het plangebied reeds een tankstation is gerealiseerd, hetgeen de raad - gezien de beperkte omvang van het plangebied van negen hectare - uit planologisch oogpunt genoeg vindt.

3.3. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Anders dan Mach 4 Metal en [appellant sub 1] stellen is met betrekking tot het dieselvulstation geen sprake van bestaand gebruik, dat in beginsel in het plan als zodanig had moeten worden bestemd. Gezien de ruimtelijke onderbouwing van de raad alsmede het feit dat van de planologische mogelijkheid onder het voorheen geldende plan geen gebruik is gemaakt en Mach 4 Metal en [appellant sub 1] niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij een concreet initiatief hebben met betrekking tot een dieselvulstation, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid ervoor heeft kunnen kiezen om slechts één tankstation toe te staan in het plangebied. Dit betoog faalt.

4. Mach 4 Metal en [appellant sub 1] voeren aan dat het plan ten onrechte niet voorziet in de mogelijkheid om op hun bedrijfsterrein een bedrijfswoning op te richten, hetgeen onder het vorige plan wel het geval was. De door de raad gegeven motivering voor deze planologische wijziging, waaronder de geluidhinder van de rijksweg A12, achten zij niet overtuigend.

4.1. De raad stelt dat alleen bestaande bedrijfswoningen in het plan zijn opgenomen. In gevallen waarin geen bedrijfswoning is gerealiseerd is in het plan ervan afgezien om opnieuw in die mogelijkheid te voorzien. Daarbij wijst de raad erop dat tot op heden niet is gebleken van behoefte aan bedrijfswoningen, want in het plangebied is geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid. Ook is het bedrijventerrein grotendeels bebouwd, waardoor de verwezenlijking van bedrijfswoningen niet mogelijk is zonder dat bestaande bedrijfsbebouwing moet worden gesloopt. Verder heeft de raad meegewogen dat een nieuwe bedrijfswoning mogelijk belemmeringen oplevert voor omliggende bedrijven en dat tegenwoordig het wonen op een bedrijventerrein niet meer noodzakelijk is voor het houden van toezicht en daarmee een bedrijfswoning zijn oorspronkelijke functie heeft verloren.

4.2. Niet in geschil is dat het voorheen geldende plan "Transportcentrum Zevenaar" de mogelijkheid bood om - onder een aantal voorwaarden - één bedrijfswoning binnen elk bouwvlak te realiseren. Evenmin is in geschil dat van die planologische mogelijkheid tot op heden door geen enkel bedrijf in het plangebied gebruik is gemaakt.

In dit geval ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan ten onrechte niet voorziet in de mogelijkheid om een bedrijfswoning op te richten. Zoals hiervoor is overwogen kunnen in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. In hetgeen Mach 4 Metal en [appellant sub 1] op dit punt naar voren hebben gebracht, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de door de raad gegeven ruimtelijke argumenten voor het niet langer mogelijk maken van bedrijfswoningen in het plangebied het bestreden besluit niet kunnen dragen. Gelet op de zone als bedoeld in artikel 74 van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) die zich langs de rijksweg A12 uitstrekt over grote delen van het bedrijventerrein - waaronder het merendeel van de gronden van Mach 4 Metal en [appellant sub 1] - waarbij ingevolge artikel 82 van de Wgh een voorkeursgrenswaarde van 48 dB geldt voor nieuwe woningen, valt niet in te zien waarom de raad de mogelijke geluidhinder van de A12 ten onrechte heeft meegewogen bij de vaststelling van het plan zoals Mach 4 Metal en [appellant sub 1] stellen. Voorts is niet gebleken dat zij een concreet initiatief hebben voor het realiseren van een bedrijfswoning, waarmee de raad bij de vaststelling van het plan rekening had moeten houden. Dit betoog faalt.

5. Mach 4 Metal en [appellant sub 1] betogen dat het bouwvlak dat in de verbeelding is toegekend aan hun perceel ten onrechte niet richting de weg is vergroot. De reden voor de gewenste verschuiving van de bouwgrens is gelegen in het voornemen om een nieuwe bedrijfshal te bouwen en daarin over de breedte een bovenloopkraan te installeren. Volgens hen levert verschuiving van de bouwgrens uit ruimtelijk oogpunt geen bezwaren op, want daardoor zal geen verkeersonveilige situatie of een parkeerprobleem ontstaan.

5.1. De raad stelt dat in het plan voor bebouwing overal een zone van tien meter gemeten uit de as van de weg wordt aangehouden. Deze regeling is overgenomen uit het voorheen geldende plan en de raad acht bouwen tot op de perceelsgrens uit ruimtelijk oogpunt onwenselijk. De zone van tien meter is bovendien bedoeld om ruimte te houden voor parkeren langs de openbare weg en de verkeersveiligheid te bevorderen.

5.2. Het door de raad gekozen uitgangspunt om voor bebouwing een minimale afstand van 10 meter tot de as van de weg te hanteren acht de Afdeling op zichzelf niet onredelijk. Ten aanzien van de specifieke situatie van Mach 4 Metal en [appellant sub 1] overweegt de Afdeling dat zij geen concreet bouwplan hebben overgelegd op basis waarvan aannemelijk is geworden dat voor het realiseren van de gewenste bedrijfsvoering - waarbij Mach 4 Metal gebruik wil gaan maken van een bovenloopkraan over de gehele breedte van haar percelen - het bouwen tot op de perceelsgrens noodzakelijk is. Gelet hierop heeft de raad in redelijkheid een groter belang kunnen hechten aan ruimtelijke aspecten en heeft de raad in het plan voor het bedrijfsterrein van Mach 4 Metal en [appellant sub 1] niet in een afwijkende regeling ten aanzien van het bouwvlak hoeven te voorzien. Dit betoog treft dan ook geen doel.

6. Mach 4 Metal en [appellant sub 1] betogen dat de bestemming "Groen" ten onrechte kleiner is gemaakt ten behoeve van de nieuwe bestemming "Bedrijventerrein - 2", waardoor in het plan bedrijfsactiviteiten in het zicht van de rijksweg A12 worden toegestaan die afbreuk doen aan de uitstraling van het bedrijventerrein. Volgens hen maakt het plan ongebreidelde stalling van voertuigen mogelijk op de gronden met de bestemming "Bedrijventerrein - 2" en zorgt het plan mogelijk voor een verplaatsing van een deel van de bedrijfsactiviteiten van [appellante sub 2] naar het achterterrein, dat in het zicht van de snelweg ligt.

6.1. De raad stelt dat in 2006 toestemming is verleend aan [appellante sub 2] om een deel van de bestaande groenstrook bij zijn autodemontagebedrijf langs de A12 te verharden. Daarbij wijst de raad erop dat buitenopslag van goederen ter plaatse uitdrukkelijk is uitgesloten in de planregels. Met het toekennen van de bestemming "Bedrijventerrein - 2" aan de bewuste gronden wordt volgens de raad de bestaande situatie vastgelegd.

6.2. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, onder a en b, van de planregels zijn gronden met de bestemming "Bedrijventerrein - 2" bestemd voor het parkeren en stallen van voertuigen ten behoeve van de uitoefening van een bijbehorend bedrijf en bij de bestemming passende voorzieningen, te weten een terreinverharding, groenvoorzieningen en overige voorzieningen, zoals nutsvoorzieningen.

Ingevolge artikel 4, lid 4.3.1, van de planregels zijn onder andere het stallen van voertuigwrakken, hoogwerkers, shovels en andersoortige bedrijfsmatige machines, buitenopslag van goederen en het uitstallen van voertuigen ten behoeve van verkoop aangemerkt als gebruik dat in strijd is met de bestemming.

6.3. Gelet op hetgeen in de planregels is bepaald omtrent het toegestane gebruik van de gronden, volgt de Afdeling Mach 4 Metal en [appellant sub 1] niet in hun betoog dat toekenning van de bestemming "Bedrijventerrein - 2" zal leiden tot verplaatsing van een deel van de bedrijfsactiviteiten. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het stallen en parkeren van voertuigen een overtreding van de planregels zou betekenen, waartegen in beginsel handhavend dient te worden opgetreden. Kwesties met betrekking tot handhaving kunnen echter niet aan de orde worden gesteld in de onderhavige procedure.

Wat betreft de staling van voertuigen en de ruimtelijke uitstraling daarvan, constateert de Afdeling dat onder andere het stallen van voertuigwrakken expliciet in artikel 4, lid 4.3.1, van de planregels als strijdig gebruik van de gronden is aangemerkt. Gelet hierop alsmede gezien de omstandigheid dat Mach 4 Metal en [appellant sub 1] hun betoog op dit punt niet nader hebben onderbouwd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het stallen en parkeren van voertuigen op het achterterrein zodanige afbreuk doet aan de ruimtelijke uitstraling van het bedrijventerrein, dat de raad dit gebruik van de gronden niet in redelijkheid heeft kunnen toestaan in het plan. Dit betoog faalt.

7. Voorts betogen Mach 4 Metal en [appellant sub 1] dat aan een deel van de gronden langs de A12 de bestemming "Bedrijventerrein - 1" is toegekend, waarbij in de planregels geen beperking is gesteld aan de toegestane bedrijfsactiviteiten. Volgens hen is het plan op dit punt niet in overeenstemming met een eerder verleende vrijstelling voor het oprichten van een autodemontagebedrijf, waarin was opgenomen dat buitenopslag in het geheel niet was toegestaan. Voor alle gronden aan de achterzijde van de bedrijfsgebouwen die grenzen aan de A12 had moeten worden voorzien in een ruimere groenbestemming en in één duidelijke bestemming, waarmee de kwalitatief hoogwaardige uitstraling van het bedrijventerrein wordt gewaarborgd, aldus Mach 4 Metal en [appellant sub 1].

7.1. De Afdeling volgt Mach 4 Metal en [appellant sub 1] niet in hun betoog dat het plan niet in overeenstemming is met een eerder verleende vrijstelling ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening voor zover dat de buitenopslag van goederen betreft, aangezien in artikel 3, lid, 3.3.1, onder f, van de planregels het gebruik van de gronden met de bestemming "Bedrijventerrein - 1" voor buitenopslag van goederen die verband houden met de aanduiding 'autodemontagebedrijf' niet is toegestaan. Het betoog mist in zoverre feitelijke grondslag. Voorts valt zonder nadere onderbouwing op dit punt niet in te zien waarom de toegekende bestemming "Bedrijventerrein - 1", die geldt voor alle gronden langs de A12, niet duidelijk genoeg is of waarom de op die bestemming betrekking hebbende planregels niet handhaafbaar zouden zijn. Dit betoog faalt.

8. Tot slot voeren Mach 4 Metal en [appellant sub 1] aan dat voor de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de toekende bestemmingen aan de gronden langs de A12 de raad de aanleg en instandhouding van een haag nodig acht, en dat hiertoe ten onrechte geen voorwaardelijke verplichting in de planregels is opgenomen.

8.1. De raad stelt dat in het plan rekening is gehouden met de ruimtelijke uitstraling van het bedrijventerrein. In dit kader wijst de raad erop dat aan de gronden langs de randen van het plangebied de bestemming "Groen" is toegekend. Voorts stelt de raad zich op het standpunt dat met de bepalingen in de planregels omtrent gebruik dat in strijd is met de bestemming "Bedrijventerrein - 2" - waaronder het stallen van voertuigwrakken en buitenopslag - reeds voldoende is verzekerd dat de ruimtelijke kwaliteit van het bedrijventerrein is gewaarborgd. In hetgeen Mach 4 Metal en [appellant sub 1] naar voren hebben gebracht, ziet de Afdeling geen aanleiding om de raad niet te volgen in zijn standpunt dat een voorwaardelijke verplichting in dit geval niet noodzakelijk is. Daarbij heeft de raad belang mogen hechten aan de opgenomen beperkingen in de planregels omtrent het gebruik van de gronden en aan het gegeven dat het voorliggende plan geen wezenlijk andere bouw- en gebruiksmogelijkheden dan het voorheen geldende plan toestaat op de gronden waarop zicht bestaat vanaf de rijksweg A12. Dit betoog faalt.

Het beroep van [appellante sub 2]

9. Ter zitting heeft [appellante sub 2] het betoog dat betrekking had op de in het plan toegestane milieucategorie van 4.2 en de daarvoor geldende richtafstanden ingetrokken.

10. [appellante sub 2] voert aan dat het plan ten onrechte de vestiging van recyclingbedrijven toestaat elders in het plangebied. Hierbij wijst [appellante sub 2] erop dat zij bij de verplaatsing van haar bedrijf naar het bedrijventerrein een overeenkomst heeft gesloten met de provincie en de gemeente waarin is opgenomen dat dergelijke bedrijfsactiviteiten uitsluitend op haar gronden zouden worden toegelaten. Als gevolg van het plan stelt [appellante sub 2] schade te leiden.

10.1. Op 13 juli 2005 heeft [appellante sub 2] met de provincie en de gemeente een overeenkomst gesloten over de verplaatsing van zijn bedrijf naar het plangebied, welke door [appellante sub 2] is overgelegd. Anders dan [appellante sub 2] stelt, leest de Afdeling in deze overeenkomst niet dat in het plangebied een recyclingbedrijf uitsluitend op de gronden van [appellante sub 2] planologisch zou worden toegelaten. Het betoog mist in zoverre dan ook feitelijke grondslag.

Voor zover het betoog van [appellante sub 2] berust op het gegeven dat de raad - in afwijking van het voorheen geldende plan - in het voorliggende plan nieuwvestiging van andere recyclingbedrijven toestaat, overweegt de Afdeling dat de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) niet ertoe strekt bedrijven tegen de vestiging van concurrerende bedrijven in hun verzorgingsgebied te beschermen. Het voorkomen of beperken van concurrentie vormt bij een planologische belangenafweging in beginsel geen in aanmerking te nemen belang, behoudens het geval dat zich een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau zal voordoen. Duurzame ontwrichting is in dit geval echter niet aan de orde. Reeds hierom faalt dit betoog.

11. Voorts betoogt [appellante sub 2] dat in de planregels ten onrechte is opgenomen dat minimaal drie meter afstand tot de zijdelingse perceelsgrens moet worden aangehouden. Hierbij wijst [appellante sub 2] erop dat deze afstand niet in acht is genomen bij het bedrijfsgebouw dat staat op het perceel [locatie]. [appellante sub 2] wenst ook de mogelijkheid te hebben om tot aan de zijdelingse perceelsgrenzen te mogen bouwen.

11.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de eis in de planregels met betrekking tot het aanhouden van een afstand van drie meter tot de zijdelingse perceelsgrens is opgenomen, omdat bouwen tot aan de perceelsgrens uit stedenbouwkundig oogpunt en vanwege de brandveiligheid niet wenselijk is. De Afdeling acht deze voorwaarde op zich niet onredelijk.

11.2. Dat op het perceel [locatie] tot aan de zijdelingse perceelgrens is gebouwd, is niet in geschil. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de afwijkende situatie op perceel [locatie] alleen heeft kunnen ontstaan doordat de initiatiefnemers destijds op het laatste moment hebben afgezien van samenvoeging van dit en het naastliggende perceel, terwijl de gemeentelijke toestemming om onderhavige afstand van drie meter niet in acht te nemen daarop was gebaseerd.

[appellante sub 2] heeft niet gesteld en evenmin is gebleken dat de omstandigheden die rechtvaardigen dat de raad voor perceel [locatie] een uitzondering heeft gemaakt zich ook met betrekking tot haar perceel voordoen, zodat de raad in zoverre in redelijkheid niet dezelfde bouwmogelijkheden voor het perceel van [appellante sub 2] in het plan heeft hoeven opnemen.

12. [appellante sub 2] betoogt dat het plan ten onrechte geen buitenopslag toestaat op haar gronden en niet voorziet in de mogelijkheid om een afscheiding van vier meter hoog op te richten langs de noordelijke grens van haar perceel. Hiertoe voert hij aan dat in 2000 afspraken zijn gemaakt met de gemeente inhoudend dat buitenopslag mogelijk is, mits de buitenopslag - langs de rijksweg A12 - wordt afgeschermd door een schutting van vier meter hoog.

12.1. De raad stelt dat in het kader van de bedrijfsverplaatsing van [appellante sub 2] naar het onderhavige bedrijventerrein altijd duidelijk is gemaakt dat geen buitenopslag zou mogen plaatsvinden. Alle bedrijfsactiviteiten, waaronder opslag, moeten in de bedrijfshal plaatsvinden zoals in de verplaatsingsovereenkomst is afgesproken. De reden hiervoor is dat volgens de raad de buitenopslag van autowrakken onaanvaardbare afbreuk doet aan de ruimtelijke kwaliteit.

12.2. Zoals hiervoor onder 6.2 is overwogen, is de buitenopslag van goederen uitdrukkelijk niet toegestaan ingevolge de planregels. Wat betreft de verwijzing van [appellante sub 2] naar de brief van 7 november 2000 van het college van burgemeester en wethouders van Zevenaar, overweegt de Afdeling dat die brief, daargelaten welke betekenis aan de inhoud daarvan moet worden toegekend, is achterhaald door eerdergenoemde verplaatsingsovereenkomst uit 2005, waarin expliciet is opgenomen in artikel 2.5 dat alle werkzaamheden en opslag in de bedrijfshal zullen plaatsvinden. Gezien de door de raad gegeven redenen om geen buitenopslag toe te staan, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad buitenopslag in combinatie met het oprichten van een erfafscheiding van vier meter in het voorliggende plan ten onrechte niet mogelijk heeft gemaakt. Dit betoog faalt.

13. Ten aanzien van de verwijzing van [appellante sub 2] naar de verbeelding van het ontwerpplan, waarin het bouwvlak groter was - te weten aan de voorzijde tot op de perceelsgrens en aan de achterzijde tot aan de bestemming "Bedrijventerrein - 2" - en de stelling van [appellante sub 2] dat zij daar rechten aan kan ontlenen, overweegt de Afdeling als volgt.

De raad stelt dat sprake was van een vergissing in de verbeelding van het ontwerpplan. Gezien het feit dat de verbeelding van het ontwerpplan wat betreft de omvang van het bouwvlak niet in overeenstemming was met de bestaande legale bebouwing en bovendien bouwmogelijkheden zou bieden die in strijd zouden zijn met de planregels, acht de Afdeling die stelling van de raad aannemelijk. Voorts staat het de raad vrij om bij de vaststelling van het plan naar aanleiding van een zienswijze of ambtshalve gemotiveerd wijzigingen aan te brengen in het ontwerpplan. Gelet op de motivering van de raad dat op dit punt sprake was van een omissie in het ontwerpplan en de Afdeling geen reden ziet om daaraan te twijfelen, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan op dit punt niet in redelijkheid gewijzigd heeft kunnen vaststellen. Dit betoog treft geen doel.

14. Wat betreft het betoog van [appellante sub 2] dat in het plan de voorheen geldende bestemming "Transportcentrum" is verruimd naar de bestemming "Bedrijventerrein - 2" en dat daarmee ten onrechte bedrijven buiten de transportbranche worden toegestaan op het bedrijventerrein, overweegt de Afdeling dat de raad in de plantoelichting uiteen heeft gezet waarom is gekozen voor de nu toegestane bedrijfsactiviteiten, waarbij is aangesloten bij de Handreiking "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten van 2009. [appellante sub 2] heeft niet nader onderbouwd in welk opzicht de raad de hem toekomende beleidsvrijheid met betrekking tot de keuze voor de toe te laten bedrijfsactiviteiten - zoals opgenomen in de Staat van Bedrijfsactiviteiten in bijlage 1 bij de planregels - zou hebben overschreden en dat de toegestane bedrijfsactiviteiten uit ruimtelijk oogpunt niet aanvaardbaar zouden zijn op dit bedrijventerrein. Dit betoog faalt.

15. Met betrekking tot het betoog van [appellante sub 2] dat het plan ten onrechte niet voorziet in een parkeerverbod op de openbare weg - vanwege de gestelde overlast van geparkeerde voertuigen - overweegt de Afdeling dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat dergelijke verkeersmaatregelen niet in de regels van het bestemmingsplan kunnen worden opgenomen. Het op grond van de Wegenverkeerswet 1994 bevoegde gezag heeft immers de bevoegdheid om maatregelen te treffen die betrekking hebben op het verkeer op openbare wegen, zoals het eventueel instellen van een parkeerverbod indien dat uit een oogpunt van het algemeen verkeersbelang geboden is. Dit betoog slaagt dan ook niet.

16. [appellante sub 2] voert aan dat de bebouwingsvrije ruimte tussen de A12 en het bedrijventerrein dient te worden aangepast van 75 meter naar 30 meter. Daarbij wijst zij erop dat de legaal opgerichte reclamemast op haar bedrijfsterrein niet voldoet aan de voorgeschreven afstand, omdat de reclamemast op ongeveer 50 meter van het midden van de A12 staat.

16.1. Dit betoog berust deels op een onjuiste lezing van de planregels en miskent daarnaast dat de bebouwingsvrije ruimte die in het plan is voorzien, uitsluitend geldt voor gebouwen en niet voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals een reclamemast. In artikel 3, lid 3.2.1, onder b, van de planregels is immers bepaald dat gebouwen slechts mogen worden gebouwd op een afstand van ten minste 10 meter gemeten vanuit de as van de weg waaraan het bouwperceel is gelegen, alsmede op een afstand van ten minste 60 meter gemeten vanuit de middenberm van de rijksweg A12. Dit betoog kan reeds hierom geen doel treffen.

17. Voor zover [appellante sub 2] erop wijst dat een van de bedrijven op het bedrijventerrein activiteiten verricht die niet vallen onder de toegekende aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - recyclingbedrijf', overweegt de Afdeling - daargelaten of deze bewering juist is - dat dit een overtreding van de planregels zou betekenen, waartegen in beginsel handhavend dient te worden opgetreden. Kwesties met betrekking tot handhaving kunnen niet aan de orde worden gesteld in de onderhavige procedure. Dit betoog faalt.

18. Voor zover [appellante sub 2] verzoekt om - naar de Afdeling begrijpt door middel van zelf voorzien als bedoeld in artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) - in het plan de mogelijkheid op te nemen om drie windturbines op te richten op haar gronden, overweegt de Afdeling als volgt.

18.1. De Afdeling komt alleen aan de mogelijkheid om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de gevraagde windturbines in het plan op te nemen toe, indien de weigering van de raad in die mogelijkheid te voorzien in strijd met een goede ruimtelijke ordening zou zijn. [appellante sub 2] heeft niet nader onderbouwd waarom de raad niet in redelijkheid heeft kunnen vasthouden aan zijn beleid waarin andere keuzes zijn gemaakt met betrekking tot de opwekking van duurzame energie binnen de gemeentegrenzen. De Afdeling ziet derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet heeft kunnen afzien van het planologisch mogelijk maken van drie windturbines in het plangebied. Dit betoog faalt derhalve.

Conclusie

19. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen van Mach 4 Metal en [appellant sub 1] alsmede van [appellante sub 2] ongegrond.

Proceskosten

20. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. G.T.J.M. Jurgens en mr. F.D. van Heijningen, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.V. Vreugdenhil, griffier.

w.g. Van Buuren w.g. Vreugdenhil

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2015

571.