Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2124

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-07-2015
Datum publicatie
08-07-2015
Zaaknummer
201410255/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2014:6993, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 april 2013 heeft het college geweigerd de naam van [appellant] in de gemeentelijke basisadministratie te wijzigen van [naam 1] in [naam 2].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201410255/1/A3.

Datum uitspraak: 8 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Doetinchem,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 11 november 2014 in zaak nr. 13/5287 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Doetinchem (hierna: het college).

Procesverloop

Bij besluit van 19 april 2013 heeft het college geweigerd de naam van [appellant] in de gemeentelijke basisadministratie te wijzigen van [naam 1] in [naam 2].

Bij besluit van 15 juli 2013 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 18 juni 2014 heeft het college het besluit van 15 juli 2013 ingetrokken.

Bij besluit van 14 juli 2014 heeft het college de naam van [appellant] in de basisregistratie personen gewijzigd van [naam 2] naar [naam 1].

Bij uitspraak van 11 november 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen het besluit van 15 juli 2013 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard en het beroep van [appellant] tegen het besluit van 14 juli 2014 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 mei 2015, waar [appellant], bijgestaan door mr. T.D. Rijs, advocaat te Zutphen, en het college, vertegenwoordigd door H.C. Veenstra en H.J.M. Hendrixen, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1.4, eerste lid, van de Wet basisregistratie personen (hierna: Wet brp) is het college van burgemeester en wethouders verantwoordelijk voor het bijhouden van persoonsgegevens in de basisregistratie overeenkomstig afdeling 1 van hoofdstuk 2.

Ingevolge artikel 2.8, tweede lid, dat onderdeel uitmaakt van afdeling 1 van hoofdstuk 2, worden de gegevens over de burgerlijke staat, indien zij feiten betreffen die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, ontleend aan een geschrift als bedoeld onder a, bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder b of c, bij gebreke ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder d en bij gebreke ten slotte ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder e:

a. een akte over het desbetreffende feit, die is opgenomen in de registers van de Nederlandse burgerlijke stand;

b. een in Nederland gedane rechterlijke uitspraak over het desbetreffende feit die in kracht van gewijsde is gegaan;

c. een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte die ten doel heeft tot bewijs te dienen van het desbetreffende feit, of een over dat feit gedane rechterlijke uitspraak, of bij gebreke daarvan een akte van bekendheid of beëdigde verklaring, bedoeld in artikel 45 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;

d. een geschrift dat overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is opgemaakt door een bevoegde instantie, waarin het desbetreffende feit is vermeld;

e. een verklaring over het desbetreffende feit die betrokkene ten overstaan van een door het college aangewezen ambtenaar onder eed of belofte heeft afgelegd, die op schrift is gesteld en door betrokkene is ondertekend.

2. [appellant] is in 1971 geboren in Liberia en in 2003 voor het eerst ingeschreven in Nederland.

Het college heeft aan het besluit van 14 juli 2014 ten grondslag gelegd dat de rechtbank eerder een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Oude IJsselstreek heeft vernietigd en het daarom de gegevens in de basisregistratie personen in de oude staat heeft hersteld. Dat wil zeggen dat de voornamen van [appellant], te weten [voornaam 1 en voornaam 2], in de basisregistratie personen, bij die gelegenheid zijn geregistreerd overeenkomstig de verklaring onder ede die [appellant] op 21 november 2003 heeft afgelegd bij zijn eerste inschrijving in de gemeente Zwolle. [appellant] heeft evenwel een gelegaliseerde geboorteakte van 13 april 2011 uit Liberia overgelegd, waarop slechts de voornaam [voornaam 1] staat. Het college heeft daarom alsnog de naam [voornaam 2] uit de basisregistratie personen verwijderd.

3. De Afdeling overweegt ambtshalve als volgt. In het besluit van 14 juli 2014 heeft het college nader gemotiveerd waarom het vasthoudt aan zijn besluit van 19 april 2013, waarbij het verzoek van [appellant] om de naam [voornaam 2] in de basisregistratie personen op te nemen, heeft afgewezen. Daarmee is het in zoverre een besluit op het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 19 april 2013. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] tegen het besluit van 14 juli 2014 daarom terecht ontvankelijk geacht en dat besluit terecht inhoudelijk beoordeeld.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het slechts gegevens behoefde te ontlenen aan de geboorteakte die hij heeft overgelegd en dat het geen gegevens behoefde te ontlenen aan het door hem overgelegde Liberiaanse paspoort van 11 juli 2012 dat door ECOWAS is verstrekt, omdat dat paspoort een zwakker brondocument is dan de geboorteakte. In dat paspoort is vermeld dat hij [naam 2] heet. Volgens [appellant] moet men in Liberia de achternaam van de ouders dragen. Die is [voornaam 2]. Omdat [appellant] als kind is geadopteerd, is de achternaam van zijn adoptieouders toegevoegd aan die naam, zodat zijn naam [naam 2] werd. Die naam heeft hij zijn hele leven gebruikt en is ook op alle schooldocumenten, identificatiestukken en overeenkomsten vermeld. [appellant] heeft een verzoek tot naturalisatie ingediend en diende daarbij een geboorteakte over te leggen. De originele geboorteakte, waarop wel de naam [voornaam 2] is vermeld, is door de burgeroorlog in Liberia zoek geraakt. [appellant] moest daarom een nieuwe geboorteakte verkrijgen en heeft daarom de hulp van zijn familie in Liberia ingeroepen. Die heeft volgens hem bij de aanvraag niet goed opgelet en daarom is de naam [voornaam 2] niet vermeld op de door hem overgelegde, gelegaliseerde geboorteakte. Bij aankomst in Nederland in 1999 heeft hij zijn Liberiaanse paspoort en andere identiteitsdocumenten aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND) afgegeven. Op dat paspoort stond de naam [naam 2]. Op andere ingeleverde documenten stond de naam [voornaam 2]. De verklaring onder ede die hij in Zwolle heeft afgelegd, is gebaseerd op dat paspoort en die documenten. Het is daarom onduidelijk waarop de gegevens die zijn vermeld op het Liberiaanse paspoort van 11 juli 2012 als afwijkende persoonsinformatie wordt aangemerkt, aldus [appellant], nu hij de naam [voornaam 2] al zijn hele leven draagt. Daarnaast volgt volgens [appellant] uit de Handleiding uitvoeringsprocedures dat een zwakker brondocument, zoals een paspoort, gebruikt kan worden als aanvulling op het sterkere brondocument, wanneer niet alle gegevens op het sterkere brondocument zijn vermeld, maar wel op het zwakkere brondocument.

4.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college met juistheid de naam [voornaam 2] in de basisregistratie personen heeft verwijderd en de naam van [appellant] aldus heeft gewijzigd van [naam 2] in [naam 1]. Gelet op artikel 2.8, tweede lid, van de Wet brp is een paspoort een zwakker brondocument dan een geboorteakte. Het college was daarom gehouden de gegevens over de naam uit de geboorteakte over te nemen. Het paspoort mocht daarbij niet als aanvullend brondocument worden gebruikt, omdat in de geboorteakte de naam van de persoon waarop de akte betrekking heeft, reeds is vermeld. Uit artikel 2.8, tweede lid, volgt dat uit een zwakker brondocument slechts een gegeven mag worden ontleend, indien dat gegeven niet is vermeld in een sterker brondocument en dat gegeven actueler is dan het sterkere brondocument. [appellant] heeft zijn naam evenwel direct na zijn geboorte gekregen dan wel korte tijd erna en niet tijdens de verlening van het Liberiaanse paspoort op 11 juli 2012.

[appellant] heeft zijn stelling, dat hij voor het verkrijgen van zijn geboorteakte hulp van zijn familie in Liberia heeft gezocht en dat die niet goed heeft opgelet bij de aanvraag van de akte, niet met enig bewijsstuk toegelicht. Hier komt bij dat hij die akte zelf bij zijn verzoek tot naturalisatie heeft overgelegd en hij aldus daaraan voorafgaand die akte had kunnen controleren op eventuele fouten.

Wat het paspoort en de overige identiteitsdocumenten die [appellant] aan de IND heeft afgegeven betreft, geldt dat ook dat paspoort een lager brondocument is dan de geboorteakte die hij heeft overgelegd, dan wel dat het mogelijk geen brondocumenten zijn, nu niet duidelijk is welk soort identiteitsdocumenten het zijn. Daargelaten dat [appellant] daarvan geen kopieën heeft overgelegd om zijn stelling, dat daarin ook de naam [voornaam 2] is vermeld, te ondersteunen. Voorts is ook de verklaring onder ede die [appellant] op 21 november 2003 heeft afgelegd een lager brondocument dan de geboorteakte die hij heeft overgelegd,

zodat het college ook daaraan geen gegevens mocht ontlenen.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Reuveny, griffier.

w.g. Bijloos w.g. Reuveny

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2015

622.