Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2111

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-07-2015
Datum publicatie
08-07-2015
Zaaknummer
201403529/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 januari 2014, kenmerk 2013-013124, heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Goorseweg e.o." vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/472

Uitspraak

201403529/2/R2.

Datum uitspraak: 8 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Lochem,

en

de raad van de gemeente Lochem,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 januari 2014, kenmerk 2013-013124, heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Goorseweg e.o." vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 november 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. H.P.J.G. Berkers, en de raad, vertegenwoordigd door ing. J.A.J. Hoefnagels, werkzaam bij de gemeente, en mr. H. van Veldhuisen, zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak van 21 januari 2015, in zaak nr. 201403529/1/R2, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen zestien weken na de verzending van de tussenuitspraak het daarin geconstateerde gebrek in het besluit van 20 januari 2014 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij brief van 16 april 2015 heeft de raad aangegeven het gebrek in het besluit van 20 januari 2014 te hebben hersteld door het verrichten van aanvullend onderzoek.

[appellant] is in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze over de wijze waarop het gebrek is hersteld naar voren te brengen. Van deze gelegenheid heeft hij geen gebruik gemaakt.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak overwogen dat de raad ter zitting heeft erkend dat na de totstandkoming van het onderzoek "Natuurtoets Stijgoord" van Zoon - bureau voor ecologie - van 11 maart 2010 de ter plaatse van de plandelen met de bestemming "Gemengd" toegestane categorie bedrijvigheid is verzwaard. Voorts heeft de raad overwogen dat de raad zijn standpunt, dat dit geen invloed heeft op de conclusies en de gevolgtrekkingen van het ecologisch onderzoek zoals neergelegd in de natuurtoets, niet heeft onderbouwd. Gelet hierop, aldus de Afdeling in de tussenuitspraak, bestaat aanleiding voor het oordeel dat de raad onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de effecten van het plan voor de in het plangebied voorkomende flora- en faunasoorten, en dat de raad zich derhalve niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. De Afdeling heeft geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van het besluit te betrachten zorgvuldigheid.

2. Gelet op de tussenuitspraak is het beroep van [appellant] tegen het besluit van 20 januari 2014 gegrond. Dit besluit dient voor zover dat ziet op de vaststelling van de plandelen met de bestemming "Gemengd" wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

3. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen zestien weken na de verzending van de tussenuitspraak met inachtneming van overweging 5.1 alsnog aanvullend onderzoek te doen of de Ffw in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van het plan en te bezien of het bestreden besluit in het licht van de uitkomsten van dat onderzoek in stand kan blijven.

4. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad bij brief van 16 april 2015 de notitie "Nadere motivering bestemmingsplan Bedrijventerrein Goorseweg e.o." van mRO b.v. van 25 februari 2015 (hierna: de notitie) overgelegd, waarin de resultaten zijn neergelegd van een aanvullend ecologisch onderzoek naar de effecten van het plan voor de in het plangebied voorkomende flora- en faunasoorten. Uit de notitie volgt volgens de raad dat uit het aanvullend ecologisch onderzoek is gebleken dat de veranderde categorie bedrijvigheid geen aantoonbare negatieve gevolgen heeft voor de aanwezige beschermde soorten en de Ffw niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Gelet hierop kan het besluit van 20 januari 2014 in stand blijven, aldus de raad.

5. [appellant] heeft naar aanleiding van het aanvullend ecologisch onderzoek en de nadere motivering van de raad geen zienswijze ingediend. De Afdeling ziet, gelet op de inhoud van de notitie en in aanmerking genomen dat geen zienswijze naar voren is gebracht, geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid van de notitie heeft kunnen uitgaan en in het licht van de uitkomsten van het aanvullend onderzoek heeft kunnen concluderen dat de Ffw niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Gelet hierop heeft de raad met het verrichte aanvullend ecologisch onderzoek het gebrek in het besluit hersteld en dit besluit voldoende onderbouwd. De Afdeling ziet daarom aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit van 20 januari 2014 geheel in stand te laten.

6. De raad dient op na te melden wijze in de proceskosten van [appellant] te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Lochem van 20 januari 2014 gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Lochem van 20 januari 2014, kenmerk 2013-013124, voor zover het betreft de plandelen met de bestemming "Gemengd";

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Lochem tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

V. gelast dat de raad van de gemeente Lochem aan [appellant A] en [appellant B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. M.A.A. Mondt-Schouten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Y.M. van Soest-Ahlers, griffier.

w.g. Mondt-Schouten w.g. Van Soest-Ahlers

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2015

343-820.