Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2108

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-07-2015
Datum publicatie
08-07-2015
Zaaknummer
201407848/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2014:8481, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 januari 2013 heeft het college een verzoek van [appellant] om nadeelcompensatie afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/482

Uitspraak

201407848/1/A2.

Datum uitspraak: 8 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 8 augustus 2014 in zaken nrs. 13/275 en 13/332 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier.

Procesverloop

Bij besluit van 8 januari 2013 heeft het college een verzoek van [appellant] om nadeelcompensatie afgewezen.

Bij brief van 15 februari 2013 heeft [appellant] daartegen bezwaar gemaakt en het college verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep op de bestuursrechter als bedoeld in artikel 7:1a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

Het college heeft met dat verzoek ingestemd en het bezwaarschrift met toepassing van artikel 7:1a, vijfde lid, van de Awb doorgezonden naar de rechtbank.

Bij uitspraak van 8 augustus 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 juni 2015, waar [appellant], bijgestaan door mr. F.A. Bijlenga, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, en het college, vertegenwoordigd door H.J. Bakker, werkzaam bij het Hoogheemraadschap, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellant] is sinds 1988 eigenaar van een woning aan de [locatie] te Venhuizen. In 1998 heeft [appellant] een aanbouw gerealiseerd met een loggia en dakterras met uitzicht op het Markermeer. Hij heeft in 2010 verzocht om vergoeding van schade in de vorm van waardevermindering van zijn woning als gevolg van de versterking van de Zuiderdijk van Drechterland. Bij de plaatsing van de aanbouw heeft hij er rekening mee gehouden dat de verhoging 33 cm zou bedragen met een totale dijkhoogte van 4.20 meter. Door de verhoging bedraagt de totale dijkhoogte echter 4.65 meter, waardoor het uitzicht vanuit de aanbouw op het Markermeer volledig verloren is gegaan. Volgens een bij de aanvraag gevoegd taxatierapport van Vidra Vastgoed Makelaars/Taxateurs bedraagt de waardevermindering van de woning € 105.000,00.

2. Bij besluit van 8 januari 2013 heeft het college het verzoek, in afwijking van het advies van de Adviescommissie nadeelcompensatie van 8 november 2012, afgewezen. Volgens het college valt de waardevermindering van de woning binnen het normale maatschappelijke risico als bedoeld in artikel 7 van de Verordening nadeelcompensatie Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier 2010. Daaraan is ten grondslag gelegd dat een dijkverhoging als een normale maatschappelijke ontwikkeling in het algemeen belang moet worden beschouwd, ook al bestond geen concreet zicht op de omvang waarin, de plaats waar en het moment waarop de ontwikkeling zich zou voordoen en dat [appellant] reeds daarom rekening diende te houden met een dijkverhoging.

In het in opdracht van het college opgestelde taxatierapport van Van Overbeek Makelaars & Taxateurs o/g is de waardevermindering ten gevolge van het verlies van uitzicht getaxeerd op € 13.500,00. Volgens de in opdracht van de adviescommissie verrichtte taxatie van R.A. Toornend bedraagt de waardevermindering € 15.000,00.

3. De rechtbank heeft onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2013 in zaak nr. 201211639/1/T1/A2 overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de dijkverhoging als een normale maatschappelijke ontwikkeling moet worden beschouwd, ook al kon [appellant] ten tijde van de realisatie van de aanbouw in 1998 niet de ophoging van de dijk voorzien. Nu de relatieve omvang van de waardevermindering van de woning volgens de taxatierapporten van Van Overbeek en Toornend respectievelijk 2,44% dan wel 2,5% bedraagt, is er geen grond voor het oordeel dat de gestelde schade niet voor rekening van [appellant] zou mogen blijven.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de waardevermindering in het door hem overgelegde taxatierapport van Vidra makelaars is getaxeerd op € 105.000,00 en dat die schade niet tot het normaal maatschappelijk risico hoort. Met dat taxatierapport is de waardevermindering, zoals vastgesteld in de rapporten van Van Overbeek en Toornend afdoende bestreden. De rechtbank heeft ten onrechte niet gemotiveerd waarom die rapporten prevaleren boven het rapport van Vidra makelaars.

5. Een taxatie kan door de rechter, die zelf niet over de daarvoor vereiste deskundigheid beschikt, slechts terughoudend worden getoetst. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de hoger beroepsgronden of het college in redelijkheid de taxaties van Van Overbeek en Toornend aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft kunnen leggen.

5.1. De adviescommissie heeft wegens het grote verschil tussen de getaxeerde omvang van de waardevermindering door Van Overbeek (€ 13.500,00) en Vidra (€ 105.000,00) taxateur Toornend ingeschakeld. Toornend heeft vervolgens de waardevermindering getaxeerd op € 15.000,00. Dit verschil ten opzichte van de taxatie van Van Overbeek blijft binnen aanvaardbare marges. De door Toornend vastgestelde waardevermindering is gebaseerd op de geschatte investering van [appellant] in 1998/1999 in het aanbrengen van een dakterras/loggia, grenzend aan een slaapkamer, ter verkrijging van uitzicht over het water. Daarbij is vermeld dat de toegevoegde waarde van het uitzicht qua plaats in het huis en dagen van gebruik beperkter is dan in het geval van uitzicht vanuit woonkamer en tuin.

Uit het rapport van Vidra blijkt daarentegen niet hoe de gestelde waardevermindering is bepaald. Voorts heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat de door Toornend vastgestelde waardedaling van de woning onzorgvuldig is bepaald of dat daaraan anderszins een ernstig gebrek kleeft. Voor zover [appellant] betoogt dat, gezien de hogere taxatie van de waardevermindering in het taxatierapport van Vidra, een concreet aanknopingspunt voor twijfel aan de juistheid van de taxaties van Van Overbeek en Toornend bestaat, miskent hij dat verschil van inzicht over de waardering van het uit de dijkverhoging voortvloeiende nadeel, niet betekent dat [appellant] aannemelijk heeft gemaakt dat de taxaties van Van Overbeek en Toornend onzorgvuldig of onvolledig zijn geweest. Anders dan [appellant] betoogt, mocht het college in navolging van de taxatierapporten van Van Overbeek en Toornend uitgaan van een waardevermindering van 2,44% dan wel 2,5% en heeft de rechtbank derhalve geen aanleiding hoeven te zien om een vierde taxateur opdracht te geven de waardedaling te bepalen.

5.2. Voor de beoordeling of de schade binnen het normaal maatschappelijk risico valt, is van belang dat de ligging van een woning vlak bij een dijk leidt tot een verhoogde kans op het ontstaan van uitzichtschade als gevolg van de ophoging van een dijk. Gelet op de uitspraken van de Afdeling van 9 april 2014 in zaak 201211639/1/A2 en van 2 juli 2014 in zaak 201307733/1/A2, waarin is overwogen dat het in dergelijke gevallen in de rede ligt een drempel van 5% te hanteren, heeft het college zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat de door [appellant] gestelde schade binnen het normaal maatschappelijk risico valt.

Het betoog faalt.

5.3. Voor zover [appellant] nog betoogt dat hij onevenredig is getroffen, omdat de dijk precies voor zijn woning 45 cm hoger is, hij daardoor geen uitzicht meer heeft over het Markermeer en de dijk op andere plekken minder hoog is, leidt dit niet tot een ander oordeel. Zoals blijkt uit het rapport van Toornend en ook ter zitting door het college is gesteld doen zich plaatselijk zettingen voor, variërend van 0,1 tot 1,0 meter. Een belangrijk deel daarvan kan in de eerste vijf jaren na de dijkversterking optreden. Door het verschil in zettingen, kan de extra verhoging per locatie verschillen en dient rekening gehouden te worden met een bepaalde overhoogte. Nu een dijkhoogte van 4,64 meter niet als uitzonderlijk kan worden aangemerkt, is er geen grond voor het oordeel dat hij in het bijzonder wordt getroffen door de dijkversterking.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, griffier.

w.g. Hagen w.g. Planken

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2015

299.