Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2101

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-07-2015
Datum publicatie
08-07-2015
Zaaknummer
201304572/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2013:3298, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 juli 2012 heeft de korpsbeheerder (thans: de korpschef) beslist op een door [appellant] ingediend verzoek om verstrekking van stukken betreffende een aan hem opgelegde strafbeschikking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201304572/1/A3.

Datum uitspraak: 8 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 29 april 2013 in zaak nr. 12/6647 in het geding tussen:

[appellant]

en

de korpschef van politie.

Procesverloop

Bij besluit van 20 juli 2012 heeft de korpsbeheerder (thans: de korpschef) beslist op een door [appellant] ingediend verzoek om verstrekking van stukken betreffende een aan hem opgelegde strafbeschikking.

Bij besluit van 13 november 2012 heeft de korpschef het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 29 april 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het bezwaar alsnog ongegrond wordt verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Met toestemming van partijen is afgezien van een behandeling van de zaak ter zitting.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge het tweede lid vermeldt de verzoeker bij zijn verzoek de bestuurlijke aangelegenheid of het daarop betrekking hebbend document, waarover hij informatie wenst te ontvangen.

Ingevolge artikel 1 van de Wet politiegegevens (hierna: de Wpg), zoals dat luidde ten tijde hier van belang, wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder:

a. politiegegeven: elk gegeven betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon dat in het kader van de uitoefening van de politietaak wordt verwerkt;

[…];

c. verwerken van politiegegevens: elke handeling of elk geheel van handelingen met betrekking tot politiegegevens, waaronder in ieder geval het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, vergelijken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiding of enige andere vorm van terbeschikkingstelling, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van politiegegevens;

d. verstrekken van politiegegevens: het bekend maken of ter beschikking stellen van politiegegevens;

[…];

g. betrokkene: degene op wie een politiegegeven betrekking heeft;

[…].

Ingevolge artikel 2, tweede lid, aanhef en onder b, is deze wet niet van toepassing op de verwerking van politiegegevens ten behoeve van de interne bedrijfsvoering.

2. In zijn verzoek van 12 juni 2012 heeft [appellant] op grond van de Wob en het Wetboek van Strafvordering (hierna: het WvSv) verzocht om toezending van documenten betreffende een aan hem opgelegde strafbeschikking, waaronder: "akte van aanstelling van verbalisant(en), inclusief wijzingsbesluiten en akte van beëdiging".

Bij het besluit van 20 juli 2012 heeft de korpschef een aantal documenten verstrekt, waaronder de aktes van aanstelling van de dienstdoende verbalisanten die zien op de periode waarin de strafbeschikking is opgemaakt. In het tegen dat besluit gemaakte bezwaar heeft [appellant] aangevoerd dat de initiële aktes van aanstelling en de aktes van eed of belofte ten onrechte niet zijn verstrekt.

In het besluit op bezwaar van 13 november 2012 heeft de korpschef zich op het standpunt gesteld dat hij, gelet op het bepaalde in het WvSv, niet bevoegd is om de gevraagde informatie te verstrekken nu [appellant] verzet heeft aangetekend tegen de strafbeschikking. De brief van 20 juli 2012 kan derhalve niet als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) worden aangemerkt aldus de korpschef, zodat hij het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard.

3. De rechtbank heeft overwogen dat de brief van 20 juli 2012 als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb moet worden aangemerkt en het beroep gegrond verklaard. In het kader van de finale geschilbeslechting heeft de rechtbank voorts overwogen dat de korpschef op grond van de Wpg niet was gehouden de initiële aktes van aanstelling en de aktes van eed of belofte te verstrekken omdat deze documenten uitsluitend politiegegevens bevatten en niet onder het toepassingsbereik van de Wob vallen. Nu in de Wpg een uitputtende regeling voor de verstrekking van politiegegevens is vervat, is er geen grond voor het oordeel dat ruimte bestond voor toepassing van de Wob. Gelet hierop heeft de rechtbank het bezwaar alsnog ongegrond verklaard.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de initiële aktes van aanstelling en de aktes van eed of belofte uitsluitend politiegegevens in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, van de Wpg bevatten. Daartoe voert hij aan dat de Wpg alleen van toepassing is op persoonsgegevens als bedoeld in artikel 1 van de Wet bescherming persoonsgegevens en slechts kan zien op informatie als zodanig en niet op de documenten waarin deze persoonsgegevens zijn vervat. De rechtbank heeft derhalve miskend dat zijn verzoek ook ziet op documenten betreffende een bestuurlijke aangelegenheid waarop de Wob van toepassing is en dat de korpschef ten onrechte de initiële aktes van aanstelling en de aktes van eed of belofte niet heeft verstrekt, aldus [appellant].

4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 december 2012 in zaak nr. 201107020/1/A3), bevat de Wpg een uitputtende regeling voor de verstrekking van politiegegevens als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van die wet. Voor zover gegevens als politiegegevens in de zin van die bepaling moeten worden aangemerkt, is er geen plaats voor toepassing van de Wob op een verzoek om verstrekking van die gegevens.

Anders dan de rechtbank is de Afdeling, gelet op het bepaalde in artikel 2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wpg, van oordeel dat de initiële aktes van aanstelling en de aktes van eed of belofte geen politiegegevens bevatten of zijn die binnen de reikwijdte van de Wpg vallen. De rechtbank heeft derhalve niet onderkend dat het verzoek van [appellant] aan de Wob diende te worden getoetst.

4.2. De rechtbank heeft, zij het op andere gronden, terecht overwogen dat de korpschef niet gehouden was om de initiële aktes van aanstelling te verstrekken. Onder verwijzing naar de uitspraak van 27 mei 2015 in zaak nr. 201406398/1/A3 overweegt de Afdeling dat bij de aanstelling in vaste dienst na een proeftijd een nieuwe aanstellingsakte wordt afgegeven. Dit betreft een nieuwe akte en dus geen wijzigingsbesluit. Gelet hierop en gegeven het feit dat uit het verzoek niet uitdrukkelijk volgt dat [appellant] naast de geldende ook de initiële akte van beëdiging wenste te ontvangen, bestaat, anders dan in het geval dat in de door [appellant] genoemde uitspraak van 11 juli 2012, zaak nr. 201200024/1/A3, aan de orde was, geen grond voor het oordeel dat de korpschef bij het besluit van 20 juli 2012 niet heeft mogen volstaan met het verstrekken van de geldende aktes van aanstelling.

De rechtbank heeft evenwel niet onderkend dat de korpschef in het besluit van 20 juli 2012 niet op grond van de Wob heeft gemotiveerd waarom de aktes van eed of belofte van de dienstdoende verbalisanten niet openbaar zijn gemaakt. Gelet hierop heeft de rechtbank ten onrechte het bezwaar alsnog ongegrond verklaard. In zoverre slaagt het betoog.

4.3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient in zoverre te worden vernietigd. De korpschef dient in zoverre opnieuw op het door [appellant] gemaakte bezwaar te beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het te nemen nieuwe besluit op bezwaar slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

5. De korpschef dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 29 april 2013 in zaak nr. 12/6647, voor zover daarbij is bepaald dat het bezwaar alsnog ongegrond wordt verklaard en dat de uitspraak in de plaats treedt van het besluit van de korpschef van politie van 13 november 2013, kenmerk JZ12.186;

III. bepaalt dat tegen het nieuw te nemen besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

IV. veroordeelt de korpschef van politie tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 490,00 (zegge: vierhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat de korpschef van politie aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 239,00 (zegge: tweehonderdnegenendertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld-Mak, griffier.

w.g. Verheij w.g. Langeveld-Mak

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2015

317-798.