Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2100

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-07-2015
Datum publicatie
03-07-2015
Zaaknummer
201409956/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:13727, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 november 2013 heeft de staatssecretaris het door de vreemdeling gemaakte bezwaar tegen iedere handeling die er niet op is gericht hem op te nemen in de asielprocedure niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2015/260 met annotatie van prof. mr. H. Battjes
NJB 2015/1430

Uitspraak

201409956/1/V1.

Datum uitspraak: 2 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

2. C.G. Taylor,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 12 november 2014 in zaken nrs. 13/30849 en 13/31008 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 8 november 2013 heeft de staatssecretaris het door de vreemdeling gemaakte bezwaar tegen iedere handeling die er niet op is gericht hem op te nemen in de asielprocedure niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij brief van 8 november 2013 heeft de staatssecretaris gereageerd op een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. Deze brief is aangehecht.

Bij uitspraak van 12 november 2014 heeft de rechtbank het door de vreemdeling tegen het besluit van 8 november 2013 ingestelde beroep, geregistreerd onder zaak nr. 13/30849, gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het gemaakte bezwaar gegrond verklaard, de aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van dat besluit.

Bij deze uitspraak heeft de rechtbank voorts de brief van 8 november 2013 als besluit aangemerkt, het door de vreemdeling daartegen ingestelde beroep, geregistreerd onder zaak nr. 13/31008, gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de staatssecretaris en de vreemdeling hoger beroep ingesteld. De hogerberoepschriften zijn aangehecht.

De staatssecretaris en de vreemdeling hebben onderscheiden verweerschriften ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 maart 2015, waar de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. N.C. Blomjous, advocaat te Amsterdam, en de minister van Veiligheid en Justitie, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

Overwegingen

1. De vreemdeling is bij uitspraak van 26 september 2013 door het Speciaal Hof voor Sierra Leone (hierna: het Hof) in hoger beroep veroordeeld tot een gevangenisstraf van 50 jaren. Bij beslissing van 4 oktober 2013 heeft de president van het Hof bepaald dat de vreemdeling deze straf zal uitzitten in het Verenigd Koninkrijk. Op 15 oktober 2013 is de vreemdeling vanaf de detentiefaciliteit van het Internationaal Strafhof vervoerd naar Rotterdam The Hague Airport. De vreemdeling heeft aan de daar aanwezige personen gevraagd wie de Nederlandse overheid vertegenwoordigt, althans wie "in charge" is. Daarop is het Hoofd Beveiligd Vervoer Internationale Strafhoven van de Dienst Vervoer en Ondersteuning van de Dienst Justitiële Inrichtingen, die verantwoordelijk was voor het transport, naar voren gekomen. Vervolgens heeft de vreemdeling een mondeling verzoek om bescherming geuit en tevergeefs geprobeerd een asielaanvraagformulier en de gegevens van zijn Nederlandse advocaat aan die ambtenaar te overhandigen. Daarna is de vreemdeling met het vliegtuig naar het Verenigd Koninkrijk overgebracht.

Na zijn overdracht aan het Verenigd Koninkrijk heeft de advocaat van de vreemdeling bij brief van 15 oktober 2013 bezwaar gemaakt "tegen iedere handeling die er niet op is gericht [de vreemdeling] op te nemen in een asielprocedure" en bij brief van diezelfde datum het ingevulde en ondertekende formulier 'Aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd' naar de staatssecretaris gestuurd. De vreemdeling heeft aan zijn asielverzoek ten grondslag gelegd dat hij tijdens zijn detentie in het Verenigd Koninkrijk een reëel risico loopt op een onmenselijke behandeling in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), nu een veroordeelde door een internationaal tribunaal eerder in een gevangenis in het Verenigd Koninkrijk is aangevallen en gewond geraakt.

Wettelijk kader

2. Ingevolge artikel 103 van het Handvest van de Verenigde Naties (hierna: het VN-Handvest) hebben de verplichtingen van de Leden van de Verenigde Naties krachtens het VN-Handvest voorrang in geval van strijdigheid tussen deze verplichtingen en hun verplichtingen krachtens andere internationale overeenkomsten.

In paragrafen 7 en 8, onder a en b, van Resolutie 1688 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties van 16 juni 2006 (hierna: Resolutie 1688) is vermeld:

"7. [The Security Council] decides that the Special Court shall retain exclusive jurisdiction over former President Taylor during his transfer to and presence in the Netherlands in respect of matters within the Statute of the Special Court, and that the Netherlands shall not exercise its jurisdiction over former President Taylor except by express agreement with the Special Court;

8. [The Security Council] decides further that the Government of the Netherlands shall facilitate the implementation of the decision of the Special Court to conduct the trial of former President Taylor in the Netherlands, in particular by:

(a) Allowing the detention and the trial in the Netherlands of former President Taylor by the Special Court;

(b) Facilitating the transport upon the request of the Special Court of former President Taylor within the Netherlands outside the areas under the authority of the Special Court;"

In artikel 7 van de Notawisseling houdende een Zetelverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Speciaal Hof voor Sierra Leone van 19 juni 2006 is vermeld:

"1. The Special Court shall not release the accused on the territory of the Kingdom of the Netherlands except with the latter’s consent.

2. Where the accused will be released from the custody of the Special Court for any reason, the Special Court shall, as soon as possible, make such arrangements as it considers appropriate for his transfer, taking into account his views, to a State which is obliged to receive him, to another State which agrees to receive him, or to a State which has requested his extradition with the consent of the original surrendering State. In this case, the Kingdom of the Netherlands shall facilitate the transfer in accordance with this Agreement and the related arrangements."

Ingevolge artikel 2, tweede lid, van de Wet Speciaal Hof voor Sierra Leone geschiedt de doorvoer van de verdachte en van andere personen die door het Hof naar Sierra Leone worden overgebracht of door het Hof vanuit Nederland aan de autoriteiten van een vreemde staat worden overgedragen, in opdracht van het Hof door en onder de bewaking van door de minister van Veiligheid en Justitie aangewezen Nederlandse ambtenaren.

Ingevolge het derde lid geschiedt het transport in Nederland buiten de onder het gezag van het Hof staande ruimten van de verdachte of van andere personen aan wie op last van het Hof hun vrijheid is ontnomen, in opdracht van het Hof door en onder de bewaking van door de minister aangewezen Nederlandse ambtenaren.

In artikel 22, tweede lid, van het Statuut van het Speciaal Hof voor Sierra Leone (hierna: het Statuut) is vermeld:

"Conditions of imprisonment, whether in Sierra Leone or in a third State, shall be governed by the law of the State of enforcement subject to the supervision of the Special Court. The State of enforcement shall be bound by the duration of the sentence, subject to article 23 of the present Statute."

Hoger beroep staatssecretaris

Asielverzoek

3. De staatssecretaris klaagt in de grieven dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het op Rotterdam The Hague Airport ten overstaan van bij de overdracht aanwezige Nederlandse ambtenaren gedane mondelinge verzoek van de vreemdeling om hem bescherming te verlenen een asielverzoek is. Volgens de staatssecretaris heeft de rechtbank miskend dat op die luchthaven geen vertegenwoordigers van de Nederlandse overheid aanwezig waren. Anders dan in de zaak waar de uitspraak van de Afdeling van 4 oktober 2011 in zaak nr. 201102753/1/V3 op ziet, is het volgens de staatssecretaris in het geval van de vreemdeling niet verschoonbaar dat hij zich niet tot de bevoegde autoriteiten heeft gewend. Sinds de president van het Hof op 4 oktober 2013 heeft bepaald dat de vreemdeling zijn gevangenisstraf zal uitzitten in het Verenigd Koninkrijk, heeft de vreemdeling immers voldoende gelegenheid gehad om inlichtingen in te winnen over de wijze waarop en de instantie waarbij hij een asielvraag kan indienen, aldus de staatssecretaris. Voorts voert de staatssecretaris aan dat de rechtbank heeft miskend dat, omdat de vreemdeling pas op het allerlaatste moment een poging heeft gedaan om een asielverzoek in te dienen, het voor zijn risico komt dat hij niet meer tijdig een asielverzoek bij de bevoegde autoriteiten heeft kunnen indienen.

3.1. De rechtbank heeft aan de bestreden overweging ten grondslag gelegd dat uit voormelde uitspraak van 4 oktober 2011 volgt dat een door een vreemdeling in persoon ten overstaan van de autoriteiten kenbaar gemaakte wens om hem internationale bescherming te verlenen een asielverzoek is, omdat een beroep op het beginsel van non-refoulement vormvrij is. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat uit die uitspraak volgt dat voor het antwoord op de vraag of het mondelinge verzoek van de vreemdeling een asielverzoek is, doorslaggevend is of het voor de vreemdeling op het eerste gezicht aannemelijk was te achten dat de desbetreffende ambtenaar bevoegd was, althans nader advies had kunnen geven over de wijze waarop hij een asielverzoek moet indienen. Gedoeld wordt op autoriteiten waarvan wordt aangenomen dat zij door asielzoekers als bevoegde autoriteiten worden gezien en die kennis hebben van de nationale regelgeving over immigratie en asiel, zodat zij in staat zijn bedoeld advies te verlenen, aldus de rechtbank. De rechtbank heeft overwogen dat de Nederlandse ambtenaar die naar aanleiding van de vraag van de vreemdeling wie de Nederlandse overheid vertegenwoordigt naar voren kwam, door de vreemdeling kon worden gezien als de op dat moment bevoegde Nederlandse autoriteit en dat het mondelinge verzoek van de vreemdeling daarom een asielverzoek is.

3.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het voor de vreemdeling, mede gelet op het feit dat het Hoofd Beveiligd Vervoer Internationale Strafhoven naar voren kwam in reactie op de vraag van de vreemdeling wie de Nederlandse overheid vertegenwoordigt, althans wie "in charge" is, op het eerste gezicht aannemelijk was te achten dat deze ambtenaar ter zake bevoegd was, althans nader advies had kunnen geven over de wijze waarop hij een asielverzoek moet indienen, en dat derhalve, gezien voormelde uitspraak van 4 oktober 2011, het verzoek om bescherming een asielverzoek is. Dat de vreemdeling gedurende een korte periode van 4 tot 15 oktober 2013 gelegenheid zou hebben gehad om inlichtingen in te winnen over het indienen van een asielverzoek kan daaraan niet afdoen. Uit voormelde uitspraak van 4 oktober 2011 volgt immers niet dat is vereist dat een vreemdeling zich verschoonbaar niet tot de bevoegde autoriteiten heeft gewend voor het indienen van een asielverzoek. Daar komt bij dat geen wettelijk voorschrift bepaalt dat een asielverzoek binnen een bepaalde termijn moet worden ingediend.

De grieven falen in zoverre.

Rechtsmacht

4. De staatssecretaris klaagt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld door de vreemdeling ten onrechte niet - alvorens medewerking te verlenen aan de overdracht van de vreemdeling aan het Verenigd Koninkrijk - in de gelegenheid te stellen om het asielverzoek toe te lichten en dat hij op dat verzoek vervolgens ten onrechte geen beslissing heeft genomen. Volgens de staatssecretaris heeft de rechtbank miskend dat de vreemdeling geen belang had bij een beslissing op zijn asielverzoek, omdat de Nederlandse staat geen rechtsmacht over hem had. Het Hof heeft, gelet op paragrafen 7 en 8 van Resolutie 1688, exclusieve rechtsmacht over de vreemdeling gedurende zijn overbrenging naar en verblijf in Nederland en de verantwoordelijkheid van de Nederlandse staat strekt niet verder dan het zorgen voor veilig en ordelijk vervoer van en naar verschillende locaties in Nederland, aldus de staatssecretaris. Volgens de staatssecretaris heeft de rechtbank verder miskend dat ingevolge artikel 22, tweede lid, van het Statuut detentieomstandigheden worden beheerst door het recht van de staat van tenuitvoerlegging onder toezicht van het Hof. Klachten over de tenuitvoerlegging van een door het Hof opgelegde gevangenisstraf kunnen derhalve niet aan de orde worden gesteld in de Nederlandse asielprocedure, aldus de staatssecretaris. Voorts betoogt de staatssecretaris dat Nederland erop kan vertrouwen dat het Hof zijn taak naar behoren uitvoert en daarbij de fundamentele mensenrechten respecteert, nu het Hof tot stand is gekomen door toedoen van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties - een internationale organisatie die is gebaseerd op het beginsel van respect voor fundamentele mensenrechten. Ter zitting van de Afdeling heeft de staatssecretaris toegelicht dat krachtens artikel 103 van het VN-Handvest de verplichtingen voor Nederland uit het VN-Handvest voorrang hebben op verplichtingen krachtens andere verdragen. Volgens de staatssecretaris had de Nederlandse staat derhalve geen rechtsmacht om bij de overdracht van de vreemdeling te beoordelen of hij in de gevangenis in het Verenigd Koninkrijk een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM.

4.1. In de uitspraak van 27 juni 2014 in zaak nr. 201310225/1/V1 heeft de Afdeling overwogen dat, voor zover het Internationaal Strafhof en de Nederlandse staat zijn overeengekomen dat de desbetreffende vreemdeling onder verantwoordelijkheid van het Strafhof zal worden teruggeleid naar de Democratische Republiek Congo (hierna: de DRC) en dat hij derhalve niet door Nederland zal worden uitgezet, dit niet met zich brengt dat Nederland niet gehouden is te beoordelen of de vreemdeling na terugkeer in de DRC een reëel risico loopt te worden onderworpen aan een behandeling die strijdig is met artikel 3 van het EVRM en indien dat het geval is, niet mee te werken aan teruggeleiding. Daarvoor is volgens de Afdeling van belang dat uit het wettelijk kader voor het Internationaal Strafhof volgt dat de teruggeleiding zal plaatsvinden in samenwerking met Nederland en dat de doorvoer en het transport van personen die door het Strafhof naar Nederland zijn overgebracht of gekomen, in opdracht van het Strafhof geschiedt door en onder de bewaking van door de minister aangewezen Nederlandse ambtenaren.

In deze uitspraak heeft de Afdeling voorts overwogen dat volgens de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) (onder meer het arrest van 30 juni 2005, Bosphorus tegen Ierland, nr. 45036/98, paragrafen 152 en 153; www.echr.coe.int) de in artikel 1 van het EVRM bedoelde rechtsmacht zich in beginsel uitstrekt tot al het handelen van een lidstaat. Dat kan uitzondering lijden waar het handelingen betreft ter uitvoering van verplichtingen jegens een internationale organisatie - die aan het EVRM gelijkwaardige waarborgen biedt - waaraan de desbetreffende lidstaat een deel van zijn rechtsmacht heeft overgedragen, maar die situatie deed zich volgens de Afdeling in de desbetreffende zaak niet voor, nu geen overdracht door de Nederlandse staat van de rechtsmacht tot beoordeling van het risico op refoulement bij teruggeleiding van de desbetreffende vreemdeling heeft plaatsgevonden.

4.2. Uit het onder 2 vermelde wettelijk kader volgt eveneens dat de overdracht van de vreemdeling aan het Verenigd Koninkrijk zal plaatsvinden in samenwerking met Nederland en dat het transport van de vreemdeling geschiedt in opdracht van het Hof en onder de bewaking van door de minister aangewezen Nederlandse ambtenaren. Weliswaar heeft het Hof gelet op paragraaf 7 van Resolutie 1688 exclusieve rechtsmacht over de vreemdeling tijdens zijn verblijf in Nederland voor zover het aangelegenheden betreft binnen de reikwijdte van het Statuut en kan Nederland geen rechtsmacht over hem uitoefenen behalve als het Hof daar expliciet toestemming voor heeft gegeven, maar het onder 2 vermelde wettelijk kader bevat, evenals in de zaak waarop voormelde uitspraak van 27 juni 2014 ziet, geen bepalingen inzake overdracht door de Nederlandse staat van de rechtsmacht tot beoordeling van het risico op refoulement bij overdracht van de vreemdeling aan een andere staat. In voormelde beslissing van 4 oktober 2013 - waarin de president van het Hof heeft bepaald dat de vreemdeling zijn straf zal uitzitten in het Verenigd Koninkrijk - is voorts het risico op refoulement bij overdracht aan het Verenigd Koninkrijk niet beoordeeld.

Voor de beantwoording van de vraag of de uit het VN-handvest voortvloeiende verplichtingen krachtens artikel 103 van het VN-Handvest voorrang hebben op het refoulementverbod van artikel 3 van het EVRM, moet allereerst worden nagegaan of deze verplichtingen met elkaar in strijd zijn. Uit onder meer het arrest van het EHRM van 7 juli 2011, Al-Jedda tegen het Verenigd Koninkrijk, nr. 27021/08 (paragraaf 102; www.echr.coe.int) volgt dat bij het interpreteren van resoluties van de Veiligheidsraad moet worden uitgegaan van het vermoeden dat de Veiligheidsraad niet de bedoeling heeft een verplichting aan lidstaten op te leggen om fundamentele mensenrechten te schenden. Uit dat arrest volgt voorts dat die interpretatie moet worden gekozen die het meest in overeenstemming is met de vereisten van het EVRM en die strijdigheid met zodanige verplichtingen vermijdt.

De Nederlandse staat moet ingevolge het onder 2 vermelde wettelijk kader meewerken aan het transport van de vreemdeling binnen Nederland en de overdracht van de vreemdeling aan een andere staat. Resolutie 1688 noch andere regelgeving met betrekking tot het Hof verplicht de Nederlandse staat echter uitdrukkelijk om af te zien van een beoordeling van het risico op refoulement. Verder valt uit dit wettelijk kader evenmin af te leiden dat de Veiligheidsraad de bedoeling heeft gehad deze mogelijkheid uit te sluiten. Een beoordeling door de Nederlandse staat van het risico op refoulement staat op zichzelf immers niet in de weg aan het nakomen van de in Resolutie 1688 neergelegde verplichtingen. Aanvankelijk brengt een dergelijke beoordeling alleen met zich dat de overdracht van de vreemdeling wordt opgeschort totdat de staatssecretaris de uitkomst daarvan in een besluit heeft neergelegd. Zelfs indien de uitkomst van de beoordeling vervolgens zou zijn dat de vreemdeling in de gevangenis in het Verenigd Koninkrijk een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM, heeft dit niet tot gevolg dat de Nederlandse staat niet aan de - onder meer - in Resolutie 1688 neergelegde verplichtingen kan voldoen. In overleg met het Hof kunnen immers maatregelen worden getroffen om de strijd met artikel 3 van het EVRM weg te nemen, zodat overdracht van de vreemdeling, al dan niet aan het Verenigd Koninkrijk, ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf alsnog kan plaatsvinden.

Gelet op het voorgaande zijn de met betrekking tot de vreemdeling uit het VN-Handvest voortvloeiende verplichtingen voor de Nederlandse staat niet strijdig met een beoordeling van het risico op refoulement. De staatssecretaris kan daarom niet worden gevolgd in zijn betoog dat de Nederlandse staat geen rechtsmacht had om bij de overdracht van de vreemdeling te beoordelen of hij in de gevangenis in het Verenigd Koninkrijk een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM. Reeds hieruit volgt dat hij het asielverzoek van de vreemdeling ten onrechte niet in behandeling heeft genomen. Gelet hierop kan de vraag of uit artikel 103 van het VN-Handvest volgt dat, zoals de staatssecretaris betoogt, de uit het recht van de Europese Unie voortvloeiende verplichting om een asielverzoek in behandeling te nemen niet van toepassing is, in het midden worden gelaten.

De grieven falen in zoverre.

Artikel 13 van het EVRM

5. Voorts klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij in strijd met artikel 13 van het EVRM heeft gehandeld door te volstaan met het standpunt dat de vreemdeling wat betreft de detentieomstandigheden in het Verenigd Koninkrijk bij het Hof een effectief rechtsmiddel had.

5.1. Uit het onder 4.2 overwogene volgt dat de Nederlandse staat de rechtsmacht met betrekking tot de beoordeling van een mogelijke schending van artikel 3 van het EVRM niet heeft overgedragen aan het Hof en dat het Hof het risico op refoulement bij overdracht aan het Verenigd Koninkrijk niet heeft beoordeeld. De vreemdeling had derhalve geen effectief rechtsmiddel bij het Hof over een gestelde schending van die bepaling. Daargelaten dat het Hof geen partij is bij het EVRM, moet ingevolge artikel 13 van het EVRM bovendien een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie worden geboden.

De grieven falen in zoverre.

Brief van 8 november 2013

6. Voor zover de staatssecretaris klaagt dat de rechtbank de brief van 8 november 2013 ten onrechte als besluit heeft aangemerkt, kan hij daarin niet worden gevolgd. In deze brief heeft de staatssecretaris de vreemdeling medegedeeld dat het niet mogelijk is een asielaanvraag in te dienen, omdat het verblijf en vervoer van de vreemdeling in Nederland wordt beheerst door het recht dat van toepassing is op het Hof, en dat een verdere inhoudelijke behandeling daarom achterwege blijft. Nu deze brief een weigering om inhoudelijk te beslissen op het asielverzoek behelst, is deze brief ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), voor zover het de toepassing van de wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep betreft, gelijk te stellen met een besluit (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 6 september 2005 in zaak nr. 200503486/1).

De grieven falen in zoverre.

Hoger beroep vreemdeling

Artikel 3 van het EVRM

7. De vreemdeling klaagt in grieven 1 en 2 dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat artikel 3 van het EVRM aan zijn overdracht aan het Verenigd Koninkrijk in de weg stond. Hiertoe betoogt de vreemdeling dat de rechtbank heeft miskend dat het refoulementverbod illusoir en niet absoluut is indien, zonder daar nadelige gevolgen voor de overdragende staat aan te verbinden, wordt toegestaan dat de beoordeling van artikel 3 van het EVRM eerst achteraf, ná de overdracht, plaatsvindt. Hierdoor is hem bovendien de mogelijkheid ontnomen om zijn zaak volledig en adequaat naar voren te brengen, aldus de vreemdeling. Voorts voert de vreemdeling aan dat de rechtbank heeft miskend dat het feit dat hij in het Verenigd Koninkrijk kan klagen over de detentieomstandigheden, de Nederlandse staat niet ontslaat van de plicht te voorkomen dat hij zal worden blootgesteld aan een behandeling in de zin van artikel 3 van het EVRM. Ten slotte betoogt de vreemdeling dat in deze procedure niet is voldaan aan verscheidene procedurele rechten, waaronder het recht om te worden gehoord en het recht om gedurende de behandeling van het asielverzoek in Nederland te blijven, en dat de rechtbank onder deze omstandigheden ten onrechte zelf in de zaak heeft voorzien.

7.1. De vreemdeling betoogt terecht dat de staatssecretaris ten onrechte niet vóór zijn overdracht aan het Verenigd Koninkrijk heeft beoordeeld of hij daar een risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. De rechtbank heeft dit, gezien haar overweging dat de staatssecretaris ten onrechte niet voorafgaand aan de overdracht van de vreemdeling een beslissing heeft genomen op het asielverzoek en daarmee artikel 13 van het EVRM heeft geschonden, onderkend.

De rechtbank heeft evenwel in het kader van de finale geschillenbeslechting terecht geoordeeld dat, achteraf bezien, de overdracht van de vreemdeling niet in strijd was met artikel 3 van het EVRM, nu de vreemdeling, nadat hij in de beroepsfase het asielverzoek heeft toegelicht en zijn advocaat daartoe blijkens het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank van 9 mei 2014 tevens ter zitting uitdrukkelijk in de gelegenheid is gesteld, geenszins aannemelijk heeft gemaakt dat hij in het Verenigd Koninkrijk een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. De rechtbank heeft daarvoor terecht van belang geacht dat het Verenigd Koninkrijk partij is bij het EVRM en dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat het Verenigd Koninkrijk in zijn geval geen bescherming zal bieden tegen een behandeling in de zin van artikel 3 van het EVRM. Uit de jurisprudentie van het EHRM (onder meer de beslissing van 1 september 2009, Harutioenyan tegen Nederland, nr. 43700/07, paragrafen 26 en 29; www.echr.coe.int) volgt immers dat, bij gebrek aan bewijs van het tegendeel, het vermoeden bestaat dat een partij bij het EVRM - in dit geval het Verenigd Koninkrijk - de daarin neergelegde verplichtingen naleeft jegens alle personen binnen haar rechtsmacht.

Hoewel de omstandigheid dat de staatssecretaris niet voorafgaand aan de overdracht van de vreemdeling een beslissing heeft genomen op zijn asielverzoek tot gevolg heeft gehad dat verscheidene procedurele rechten niet in acht zijn genomen, is de vreemdeling hierdoor, mede gezien het feit dat hij in beroep alsnog in de gelegenheid is gesteld zijn asielverzoek toe te lichten, niet in zijn belangen geschaad en heeft de rechtbank door te oordelen dat de staatssecretaris artikel 3 van het EVRM niet en artikel 13 van het EVRM wel heeft geschonden, het asielverzoek terecht afgewezen. Onder deze omstandigheden bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte zelf in de zaak heeft voorzien.

De grieven falen.

Verzoek om teruggeleiding naar Nederland

8. Het verzoek van de vreemdeling om krachtens artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat de staatssecretaris hem moet teruggeleiden naar Nederland, wordt gelet op het voorgaande afgewezen.

9. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

10. De staatssecretaris moet op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af;

III. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. G.E. Russcher, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Russcher

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2015

760.