Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2098

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-06-2015
Datum publicatie
01-07-2015
Zaaknummer
201404650/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 27 juni 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201404650/1/V1.

Datum uitspraak: 29 juni 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 29 april 2014 in zaak nr. 13/30655 in het geding tussen:

[de vreemdelingen]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 27 juni 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 12 november 2013 heeft de staatssecretaris de daartegen door de vreemdelingen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 29 april 2014 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de gemaakte bezwaren neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdelingen hebben een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 april 2015, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door drs. H. Heinink, mr. T. Boekholt en P. de Koster, allen werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, en de vreemdelingen, bijgestaan door mr. F. Fonville, advocaat te Haarlem, zijn verschenen.

Overwegingen

1. De vreemdelingen hebben op 15 maart 2013 een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in het kader van de Regeling langdurig verblijvende kinderen (hierna: de Regeling). Zij hebben, voor zover thans van belang, een beroep gedaan op de van de Regeling deel uitmakende definitieve regeling, ten tijde van de aanvraag neergelegd in paragraaf B22/2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000).

De vreemdelingen vormen een gezin bestaande uit moeder, vader, twee dochters en een zoon. Zij hebben de zoon, die ten tijde van de aanvraag minderjarig was, aangemerkt als hoofdpersoon.

2. Volgens paragraaf B22/2 van de Vc 2000, zoals luidend ten tijde van de aanvraag, verleent de staatssecretaris een verblijfsvergunning aan een vreemdeling die in het kader van de Regeling als hoofdpersoon kan worden beschouwd en die voldoet aan de in de Regeling weergegeven vereisten. De staatssecretaris verleent ook een verblijfsvergunning aan gezinsleden die deel uitmaken van het gezin van de vreemdeling (de hoofdpersoon) aan wie een verblijfsvergunning wordt verleend, tenzij de feitelijke gezinsband inmiddels is verbroken.

De staatssecretaris verleent vorenbedoelde verblijfsvergunning niet als bij de hoofdpersoon of een gezinslid sprake is van de onder a tot en met f weergegeven contra-indicaties, zoals die ten tijde van de beoordeling van de aanvraag worden geconstateerd. Een van die contra-indicaties (e) houdt in dat de desbetreffende vreemdeling niet heeft meegewerkt aan zijn vertrek (hierna: de contra-indicatie).

Voor de vaststelling of een vreemdeling al dan niet heeft meegewerkt aan zijn vertrek beoordeelt de staatssecretaris of die vreemdeling in redelijkheid de stappen heeft ondernomen om invulling te geven aan de wettelijke vertrekplicht. Hierbij wordt in elk geval van een vreemdeling verlangd dat hij aannemelijk maakt dat hij zich, met het oog op zijn vertrek, heeft gewend tot:

1. de vertegenwoordiging van de eigen autoriteiten of die van een ander land waartoe toegang kan worden verkregen;

2. de Internationale Organisatie voor Migratie (hierna: de IOM), en deze organisatie heeft aangegeven dat zij niet in staat is het vertrek te realiseren om redenen gelegen buiten de invloedssfeer van de desbetreffende vreemdeling; en

3. de Dienst Terugkeer en Vertrek (hierna: de DT&V), ten behoeve van facilitering bij het verkrijgen van de vereiste (reis)documenten, en deze dienst heeft aangegeven dat dit niet is geslaagd om redenen gelegen buiten de invloedssfeer van de desbetreffende vreemdeling.

3. De staatssecretaris heeft, voor zover thans van belang, de onderhavige aanvraag afgewezen, omdat zich bij de zoon de hiervoor met (e) aangeduide contra-indicatie voordoet.

De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris de aanvraag ten onrechte heeft afgewezen. Zij heeft daartoe redengevend geacht dat de contra-indicatie zich niet voordeed ten tijde van de besluiten van 27 juni 2013, nu uitzetting van de vreemdelingen ingevolge artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) op die datum achterwege diende te blijven wegens de gezondheidstoestand van de vader, waardoor de vreemdelingen toen rechtmatig verblijf hadden en op hen geen vertrekplicht rustte.

4. In de grieven klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank door aldus te overwegen de Regeling onjuist heeft uitgelegd, nu uit de Regeling niet volgt dat voor de vraag of de contra-indicatie zich voordoet slechts het moment van het besluit op de aanvraag bepalend is. Hij voert voorts aan dat in de periode tussen 29 mei 2007, in het geval van de vader, en 22 april 2009, in het geval van de overige gezinsleden, en 12 december 2011 op de vreemdelingen de rechtsplicht rustte om Nederland uit eigen beweging te verlaten. Nu de zoon in die periode geen inspanningen heeft verricht om aan die verplichting gevolg te geven en niet is gebleken dat zijn ouders dit gedurende zijn minderjarigheid namens hem hebben gedaan, doet zich volgens de staatssecretaris de contra-indicatie voor.

4.1. Ter zitting heeft de staatssecretaris desgevraagd een toelichting gegeven op het meewerkcriterium in het aan de orde zijnde beleid en uitgelegd op welke wijze hij in de praktijk aan de contra-indicatie toepassing geeft. Volgens de staatssecretaris vindt tussen de Immigratie- en Naturalisatiedienst en de DT&V afstemming plaats over het in te nemen standpunt met betrekking tot de toepassing van de contra-indicatie in een concreet geval. Dit gebeurt in de vorm van een advies van de DT&V, dat gebaseerd is op een weging van alle omstandigheden van het geval. Bij die weging wordt tevens betrokken de mate waarin een vreemdeling een coöperatieve en actieve houding heeft. Het advies van de DT&V vormt het uitgangspunt voor de besluitvorming, waarbij de staatssecretaris ook eventueel nadien bekend geworden informatie betrekt.

De staatssecretaris verwacht van een vreemdeling dat hij vanaf de afwijzing van zijn eerste asielaanvraag dan wel de intrekking van de verleende verblijfsvergunning asiel actief meewerkt aan zijn vertrek wanneer dat van hem kan worden verlangd, bezien in het licht van de hierboven onder 2. genoemde cumulatieve voorwaarden (hierna ook: de voorwaarden). Hierbij moet onder meewerken aan vertrek volgens de staatssecretaris niet alleen worden begrepen desgevorderd medewerking verlenen, maar ook het zich gedurende het verblijf zonder verblijfsvergunning zelfstandig en uit eigen initiatief wenden tot de in de voorwaarden genoemde instanties. De vreemdeling heeft daarbij volgens de staatssecretaris een eigen verantwoordelijkheid.

Periodes waarin geen, dan wel minder, medewerking van een vreemdeling aan vertrek kan worden verlangd zijn de periodes waarin die vreemdeling in afwachting is van een besluit op de eerste asielaanvraag of een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening of waarin hem met toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 uitstel van vertrek is verleend of waarin hij rechtmatig verblijf heeft op grond van een verblijfsvergunning, totdat kenbaar wordt gemaakt dat deze wordt ingetrokken.

Hangende het beroep tegen het afwijzende besluit op zijn eerste asielaanvraag en het beroep tegen het besluit tot intrekking van een verleende vergunning mogen volgens de staatssecretaris van een vreemdeling echter wel inspanningen gericht op terugkeer worden verwacht. De staatssecretaris heeft in dit verband gewezen op artikel 61, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 63, derde lid, van de Vw 2000, waaruit volgt dat ook wanneer de vertrekplicht is opgeschort medewerking aan de voorbereiding van het vertrek uit Nederland onderscheidenlijk de uitzetting kan worden gevorderd. In dat kader kan een vreemdeling hangende het beroep worden uitgenodigd voor een vertrekgesprek bij de DT&V. Echter, hangende beroepen tegen de afwijzing van de eerste asielaanvraag en tegen de intrekking van een vergunning werpt de staatssecretaris niet tegen dat een vreemdeling zich niet tot de ambassade van zijn land van herkomst heeft gewend. Verder is het hangende beroep niet voldoen aan de voorwaarden niet bepalend, wanneer daaraan nadien alsnog wordt voldaan.

Hangende het hoger beroep verwacht de staatssecretaris van een vreemdeling dat hij zich tot de IOM en de DT&V wendt, waarbij een presentatie van de vreemdeling bij de ambassade van het land van herkomst tot de mogelijkheden behoort. Of de mogelijkheid om zich tot de IOM te wenden tijdens een vertrekgesprek met de DT&V aan de orde is geweest, is, gelet op de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling om aan zijn vertrek te werken, niet bepalend voor de vraag of aan hem kan worden tegengeworpen dat hij zich niet tot de IOM heeft gewend. Wel zal het volgens de staatssecretaris niet zonder meer redelijk zijn om een vreemdeling tegen te werpen dat hij zich niet tot de IOM heeft gewend, wanneer hij zich in plaats daarvan in het kader van terugkeer tot een non-gouvernementele organisatie heeft gewend.

In geval van uitstel van vertrek met toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 verwacht de staatssecretaris dat een vreemdeling niettemin desgevorderd op vertrekgesprekken verschijnt.

Voorts verwacht hij van een vreemdeling dat hij aan alle voorwaarden heeft voldaan, alvorens hij een aanvraag in het kader van de Regeling indient.

4.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 22 oktober 2014 in zaak nr. 201404129/1/V1) behelst de Regeling begunstigend beleid tot het voeren waarvan de staatssecretaris niet op grond van enige internationale of wettelijke verplichting was gehouden. Bij het vaststellen van dat beleid heeft de staatssecretaris dan ook veel beleidsvrijheid. In het licht hiervan zijn de cumulatieve voorwaarden die door hem zijn vastgesteld ter beoordeling van de vraag of vreemdelingen, die een beroep doen op de Regeling, in redelijkheid de stappen hebben ondernomen om invulling te geven aan hun vertrekplicht in de periodes dat dat van hen kon worden verlangd, niet kennelijk onredelijk. Voorts heeft hij het beleid in redelijkheid, onder verwijzing naar artikel 61, tweede lid, van de Vw 2000, zo kunnen uitleggen dat van vreemdelingen in periodes waarin zij rechtmatig in Nederland verblijven hangende het beroep tegen de afwijzing van hun eerste asielaanvraag of tegen de intrekking van hun verblijfsvergunning of omdat aan hen met toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 uitstel van vertrek is verleend weliswaar niet zelfstandig en uit eigen initiatief, maar wel desgevorderd medewerking mag worden verwacht ter voorbereiding van het vertrek. Bij het voorgaande wordt in aanmerking genomen dat met het vereiste van meewerken aan vertrek tevens is beoogd langdurig verblijf zonder daartoe verleende titel zoveel mogelijk te voorkomen.

4.3. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is, anders dan de rechtbank heeft overwogen, voor de vaststelling van de contra-indicatie niet bepalend of op een vreemdeling ten tijde van de beoordeling van zijn aanvraag een vertrekplicht rust. Gelet hierop is de klacht, dat de rechtbank de Regeling onjuist heeft uitgelegd, terecht voorgedragen.

De grieven kunnen, gelet op hetgeen hierna wordt overwogen, echter niet leiden tot het ermee beoogde doel.

4.4. Ter zitting is komen vast te staan dat de vreemdelingen hangende het hoger beroep in de asielprocedure hun medewerking hebben verleend aan een presentatie bij de ambassade van Armenië. Niet in geschil is dat de vreemdelingen zich niet tot de IOM en de DT&V hebben gewend.

De vreemdelingen hebben zich op het standpunt gesteld dat dit, na de presentatie bij de Armeense autoriteiten en gelet op de gezondheidstoestand van de vader en diens daarmee samenhangende verblijfsprocedure, in redelijkheid niet van hen kon worden verlangd.

4.5. Bij besluit van 22 april 2009 heeft de staatssecretaris de aanvraag van de zoon om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen en hem opgedragen Nederland uit eigen beweging binnen 28 dagen te verlaten. Het daartegen ingestelde beroep heeft de rechtbank bij uitspraak van 24 augustus 2010 ongegrond verklaard.

Niet in geschil is dat de vader vanaf juli 2009 onder specialistische behandeling staat in verband met een recidief hartinfarct. Op 24 november 2009 heeft hij in verband hiermee een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel 'medische behandeling' ingediend. In afwachting van een beslissing op die aanvraag had de vader rechtmatig verblijf ingevolge artikel 8, aanhef en onder f, van de Vw 2000 en rustte op hem geen vertrekplicht. Na afwijzing van die aanvraag op 13 januari 2011 was de vader hangende bezwaar in afwachting van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening. Bij het besluit op bezwaar van 12 december 2011 tegen de afwijzing van deze aanvraag is aan de vader wegens diens gezondheidstoestand met toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 uitstel van vertrek verleend, welk uitstel is verlengd tot 29 maart 2014. Ook de rest van het gezin had als gevolg hiervan vanaf 12 december 2011 tot 29 maart 2014 rechtmatig verblijf ingevolge artikel 8, aanhef en onder j, van de Vw 2000.

4.6. Hoewel de staatssecretaris ter zitting te kennen heeft gegeven dat medische omstandigheden door de DT&V worden betrokken bij de weging of in het verleden voldoende is gewerkt aan terugkeer, blijkt uit de besluiten van 27 juni 2013 en 12 november 2013 niet of de gezondheidstoestand van de vader en diens daarmee samenhangende verblijfsprocedure zijn betrokken bij de vraag of de zoon, die in de periode waarin op hem een vertrekplicht rustte tussen 13 en 16 jaar oud was, in redelijkheid de stappen heeft ondernomen om invulling te geven aan zijn wettelijke vertrekplicht en de vraag of hem onder die omstandigheden kan worden tegengeworpen dat niet is voldaan aan de overige onder 2. vermelde voorwaarden. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de staatssecretaris als uitgangspunt heeft dat het gezin gezamenlijk vertrekt. In dit geval is geen advies van de DT&V in de procedure ingebracht, waaruit vorenvermelde weging blijkt.

Voor zover de staatssecretaris ter zitting heeft gesteld dat de vader zich reeds voordat sprake was van medische klachten niet coöperatief heeft opgesteld, nu hij tijdens een vertrekgesprek in 2007 te kennen heeft gegeven niet te willen vertrekken, blijkt uit de besluitvorming niet dat dit aan de vader en daarmee aan de zoon is tegengeworpen.

Gelet op het vorenstaande is het besluit van 12 november 2013, in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht, niet deugdelijk gemotiveerd.

De grieven falen.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust.

6. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. bepaalt dat van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie een griffierecht van € 493,00 (zegge: vierhonderddrieënnegentig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Hanrath

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2015

392.