Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:209

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-01-2015
Datum publicatie
28-01-2015
Zaaknummer
201405463/1/V6
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2014:4605, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 november 2013 heeft de minister [appellante] een boete opgelegd van € 64.000,00 wegens acht overtredingen van artikel 2,  eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201405463/1/V6.

Datum uitspraak: 28 januari 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 27 mei 2014 in zaak

nr. 14/22 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Procesverloop

Bij besluit van 26 november 2013 heeft de minister [appellante] een boete opgelegd van € 64.000,00 wegens acht overtredingen van artikel 2,  eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Bij besluit van 8 januari 2014 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 mei 2014 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 november 2014, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. K. Vierhout, advocaat te Haarlem, en de minister, vertegenwoordigd door mr. P. Farahani, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Gelet op artikel XXV van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving (Stb. 2012, 462) is op dit geding de Wav van toepassing zoals deze wet luidde tot 1 januari 2013.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wav is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

Volgens de "Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wav" (hierna: de Tarieflijst), die als bijlage bij de Beleidsregels boeteoplegging Wav 2012 (hierna: de beleidsregels) is gevoegd, is het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 2, eerste lid, gesteld op € 8.000,00 per persoon per overtreding.

2. Het door een inspecteur van de Inspectie SZW (hierna: de inspecteur) op ambtsbelofte opgemaakte boeterapport van 27 juni 2013 (hierna: het boeterapport) houdt in dat uit controles bij het [tankstation] aan de [locatie] te [plaats] op 12 april 2012 en 4 mei 2012 en diverse controles bij [appellante] in de periode van 12 april 2012 tot en met 2 september 2012 is gebleken dat acht vreemdelingen van Bulgaarse nationaliteit (hierna: de vreemdelingen) voor [appellante] arbeid hebben verricht als vrachtwagenchauffeur, terwijl daarvoor geen tewerkstellingsvergunningen waren afgegeven. Het boeterapport houdt voorts in dat [appellante] de vervoersopdrachten binnenhaalde en vervolgens uitbesteedde aan haar zusteronderneming, de vennootschap naar buitenlands recht [naam zusteronderneming], gevestigd te [plaats], Bulgarije.

3. [appellante] betoogt dat de minister niet heeft bewezen dat de vreemdelingen in Nederland in haar vrachtwagens hebben gereden. Volgens haar bieden het boeterapport en de daarbij gevoegde bijlagen daartoe geen grondslag.

3.1. Bij beantwoording van de vraag of zich in een concreet geval een overtreding heeft voorgedaan, geldt, gelet op de waarborgen die voortvloeien uit artikel 6, tweede lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, als uitgangspunt dat op het bestuursorgaan de bewijslast rust van een overtreding. In geval van twijfel dient aan de betrokkene het voordeel van de twijfel te worden gegund (vergelijk overweging 4.8.3 van het arrest van de Hoge Raad van 15 april 2011 in zaak nr. 09/03075, ECLI:NL:HR:2011:BN6324).

3.2. [appellante] heeft een chauffeurslijst overgelegd, die als bijlage 3 bij het boeterapport is gevoegd. Op deze lijst staat welke chauffeurs op welke vrachtwagens van [appellante] hebben gereden. Daarbij zijn de kentekens van de vrachtwagens vermeld. De namen van chauffeurs op de chauffeurslijst zijn te herleiden tot de namen van de vreemdelingen. De minister heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat de rittenstaten, die zijn opgenomen in bijlagen 9 tot en met 15 van het boeterapport, betrekking hebben op de vreemdelingen vermeld onder de nummers 1 tot en met 7 van het boeterapport. De namen en kentekens die op deze rittenstaten staan, zijn te herleiden tot de namen van deze vreemdelingen op de chauffeurslijst. Op de rittenstaten staan ritten van en naar Nederland. Voor de vreemdeling vermeld onder nummer 8 van het boeterapport volgt uit de rittenstaten in combinatie met het schadeformulier en het weekoverzicht, opgenomen in bijlage 16 van het boeterapport, dat deze in ieder geval in week 10 van 2012 in een vrachtwagen van [appellante] in Nederland heeft gereden. De inspecteur heeft de vreemdelingen vermeld onder de nummers 1 tot en met 3 van het boeterapport als getuigen gehoord. Zij hebben allen verklaard, zo volgt uit bijlagen 2, 7 en 8 van het boeterapport, dat zij voor [appellante] vrachtwagens rijden. Gelet op het voorgaande, heeft de minister bewezen dat de vreemdelingen in Nederland in vrachtwagens van [appellante] hebben gereden.

Het betoog faalt.

4. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen grond bestaat voor matiging van de boete. Zij stelt dat zij niet bewust de Wav heeft overtreden. Verder voert zij aan dat de overtredingen niet ernstig zijn, nu vanaf 1 januari 2014 geen tewerkstellingsvergunning meer is vereist voor de tewerkstelling van Bulgaarse vreemdelingen en de vreemdelingen een beperkt aantal kilometers in Nederland hebben gereden. Voorts voert zij aan dat haar financiële draagkracht noopt tot matiging van de boete, waarvoor zij verwijst naar haar jaarrekeningen over 2011 tot en met 2013 en de jaarrekeningen van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [Holding], gevestigd te [plaats], over 2011 tot en met 2013.

4.1. Het gaat bij het opleggen van een boete wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav om de aanwending van een discretionaire bevoegdheid van de minister. De minister moet bij de aanwending van deze bevoegdheid, zoals thans neergelegd in artikel 5:46, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, de hoogte van de boete afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij moet rekening worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.

Ingevolge de verplichting hem opgelegd in artikel 19d, derde lid, van de Wav, heeft de minister beleidsregels vastgesteld waarin de boetebedragen voor de overtredingen zijn vastgesteld. Deze beleidsregels zijn als zodanig niet onredelijk. Ook bij de toepassing van deze beleidsregels en de daarin vastgestelde boetebedragen dient de minister in elk voorkomend geval te beoordelen of die toepassing strookt met de hiervoor bedoelde eisen die aan de aanwending van de bevoegdheid tot het opleggen van een boete moeten worden gesteld. Indien dat niet het geval is, dient de boete, in aanvulling op of in afwijking van het beleid, zodanig te worden vastgesteld dat het bedrag daarvan passend en geboden is.

De rechter toetst zonder terughoudendheid of het besluit van het bestuur met betrekking tot de boete voldoet aan deze eisen en dus leidt tot een evenredige sanctie.

4.2. In situaties waarin sprake is van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid wordt van boeteoplegging afgezien. Hiertoe dient de werkgever aannemelijk te maken dat hij al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was heeft gedaan om de overtreding te voorkomen. Een verminderde mate van verwijtbaarheid kan aanleiding geven de opgelegde boete te matigen.

4.3. Dat [appellante] niet bewust de Wav heeft overtreden, laat, wat hier verder ook van zij, onverlet dat het, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 22 maart 2006 in zaak nr. 200509111/1), haar eigen verantwoordelijkheid was bij aanvang van de werkzaamheden na te gaan of de wettelijke voorschriften werden nageleefd. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij inspanningen ter voorkoming van de overtredingen heeft verricht. Dat voor de tewerkstelling van Bulgaarse vreemdelingen vanaf 1 januari 2014 geen tewerkstellingsvergunning meer is vereist en de vreemdelingen, naar gesteld, een beperkt aantal kilometers in Nederland hebben gereden, doet geen afbreuk aan de ernst van de overtredingen en vormt geen reden voor matiging van de boete.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 21 maart 2012 in zaak nr. 200804654/1/V6) bestaat reden tot matiging van de opgelegde boete indien op basis van de door de beboete werkgever overgelegde financiële gegevens moet worden geoordeeld dat deze door de boete onevenredig wordt getroffen. Uit de door [appellante] overgelegde stukken kan niet worden opgemaakt dat de financiële situatie van [appellante] zodanig slecht is, dat zij de boete niet kan betalen en de continuïteit van haar onderneming door de boeteoplegging gevaar loopt. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij door de boete onevenredig wordt getroffen.

Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank in het onder 4 vermelde samenstel van feiten en omstandigheden terecht geen grond gevonden voor matiging van de boete.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.S.N. Nasrullah-Oemar, griffier.

w.g. Bijloos w.g. Nasrullah-Oemar

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2015

404.