Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2086

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-06-2015
Datum publicatie
01-07-2015
Zaaknummer
201500346/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 november 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201500346/1/V1.

Datum uitspraak: 22 juni 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op de hoger beroepen van:

1. de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

2. [de vreemdeling], mede voor haar minderjarig kind,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 24 december 2014 in zaak nr. 14/15543 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 27 november 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 11 juni 2014 (hierna: het besluit) heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 24 december 2014 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. G.A.P. Avontuur, advocaat te Oosterhout, en de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. De hogerberoepschriften zijn aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Volgens artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (PB 2003 L 251; hierna: de Richtlijn) kan de betrokken lidstaat bij de indiening van het verzoek tot gezinshereniging de persoon die het verzoek heeft ingediend verzoeken het bewijs te leveren dat de gezinshereniger beschikt over stabiele en regelmatige inkomsten die volstaan om hemzelf en zijn gezinsleden te onderhouden, zonder een beroep te doen op het stelsel voor sociale bijstand van de betrokken lidstaat. De lidstaten beoordelen daartoe de aard en de regelmaat van deze inkomsten en kunnen rekening houden met de nationale minimumlonen en pensioenen, evenals met het aantal gezinsleden.

Ingevolge artikel 2p, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) kan de staatssecretaris een machtiging tot voorlopig verblijf verlenen aan een vreemdeling ten aanzien van wie is aangetoond dat hij voldoet aan de vereisten voor toegang en verlening van een verblijfsvergunning.

Ingevolge artikel 2q, eerste lid, kan de staatssecretaris een machtiging tot voorlopig verblijf weigeren indien ten aanzien van een vreemdeling niet is aangetoond dat deze voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 2p, eerste lid.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 worden afgewezen, indien de persoon bij wie een vreemdeling wil verblijven niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Ingevolge artikel 3.22, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) wordt de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, verleend, indien de hoofdpersoon duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan als bedoeld in artikel 3.74, eerste lid, onder a (hierna: het inkomensvereiste).

Ingevolge artikel 3.74, eerste lid, aanhef en onder a, zijn de in artikel 16, eerste lid, onder c, van de Vw 2000 bedoelde middelen van bestaan in ieder geval voldoende, indien de som van het loon, bedoeld in artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen, uit arbeid in loondienst, het bruto inkomen uit een inkomensvervangende uitkering krachtens een sociale verzekeringswet waarvoor premies zijn afgedragen, de bruto-winst uit arbeid als zelfstandige en het inkomen uit eigen vermogen ten minste gelijk is aan het minimumloon, bedoeld in de artikelen 8, eerste lid, onder a, en 14, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, met inbegrip van de vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15 van die wet.

Het hoger beroep van de staatssecretaris

2. De staatssecretaris heeft zijn weigering om aan de vreemdeling een mvv te verlenen gehandhaafd omdat haar echtgenoot, die de Nederlandse nationaliteit heeft (hierna: de referent) en bij wie zij wil verblijven, niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan nu de door de referent genoten uitkering krachtens de Werkloosheidswet lager is dan de als referentiebedrag gehanteerde norm bedoeld in artikel 3.74, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000.

2.1. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat de staatssecretaris ten onrechte niet heeft bezien of redelijke en objectieve gronden bestaan voor het bij de toepassing van het inkomensvereiste gemaakte onderscheid tussen referenten die derdelander zijn voor wie een milder vereiste geldt gelet op het arrest van het Hof van Justitie van 4 maart 2010, C-578/08, Chakroun (ECLI:EU:C:2010:117, hierna: het arrest Chakroun), en referenten die Nederlander zijn, zoals de referent, voor wie een strenger vereiste geldt.

De staatssecretaris voert in zijn enige grief, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 17 december 2014 in zaak nr. 201400027/1/V3, aan dat de rechtbank zulks ten onrechte heeft overwogen, nu uit die uitspraak volgt dat zodanig onderscheid ten aanzien van de gestelde toelatingsvoorwaarden zich niet voordoet.

2.2. Zoals de Afdeling heeft overwogen in voormelde uitspraak van 17 december 2014 volgt uit het Besluit van 24 juli 2010 (Stb. 2010, 306), waarbij artikel 3.22, eerste lid, aanhef en onder a, en artikel 3.74, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000 zijn aangepast aan de door het Hof in het arrest Chakroun gegeven uitleg aan artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van de Richtlijn, en de brief van de staatssecretaris van 29 oktober 2014 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (TK 2014-2015, 30 573, nr. 127) dat het in artikel 3.22, eerste lid, aanhef en onder a, gelezen in samenhang met artikel 3.74, eerste lid, aanhef en onder a, gestelde inkomensvereiste op zowel vreemdelingen als Nederlanders van toepassing is. Daarin is voorts overwogen dat dit inkomensvereiste is ingevuld aan de hand van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van de Richtlijn, zoals uitgelegd in het arrest Chakroun en aldus is bedoeld te verzekeren dat gezinshereniging met een Nederlander, een interne situatie, en gezinshereniging met een vreemdeling, een door het Unierecht beheerste situatie, gelijk worden behandeld. Voorts heeft de Afdeling in die uitspraak overwogen dat dit er op neerkomt dat artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van de Richtlijn van overeenkomstige toepassing is op het in artikel 3.22, eerste lid, aanhef en onder a, gelezen in samenhang met artikel 3.74, eerste lid, aanhef en onder a, gestelde inkomensvereiste in de situatie van gezinshereniging met een Nederlander.

Gelet hierop heeft de rechtbank ten onrechte een onderscheid bij de toepassing van het inkomensvereiste aangenomen tussen referenten die derdelander zijn en referenten die Nederlander zijn. De grief slaagt.

Het hoger beroep van de vreemdeling

3. De vreemdeling voert in haar eerste grief aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij geen geslaagd beroep kan doen op het arrest Chakroun omdat zij niet valt onder de werkingssfeer van de Richtlijn, nu die niet van toepassing is op gezinsleden van een burger van de Unie. Volgens de vreemdeling volgt uit voormelde brief van de staatssecretaris aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal dat het arrest Chakroun ook van toepassing is op haar situatie.

De grief slaagt gelet op rechtsoverweging 2.2.

4. In de tweede grief voert de vreemdeling aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris bij het inkomensvereiste terecht geen toepassing heeft gegeven aan artikel 4:84 van de Awb omdat dat artikel slechts voorziet in de bevoegdheid om af te wijken van beleidsregels terwijl dat vereiste is vastgelegd in de Vw 2000 en is uitgewerkt in het Vb 2000, zijnde wettelijke voorschriften, en de Vreemdelingencirculaire 2000 over de hoogte en duurzaamheid van dat inkomen geen andere eisen bevat.

Volgens de vreemdeling is de rechtbank er ten onrechte aan voorbijgegaan dat in artikel 3.74, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000, gelet op de daarin gebruikte woorden 'in ieder geval', de mogelijkheid ligt besloten om ook naar beneden af te wijken van de in dat artikel bedoelde referentiebedragen, wat in haar geval tot een ander besluit had behoren te leiden.

4.1. In voormelde uitspraak van 17 december 2014 is overwogen dat het in artikel 3.22, eerste lid, aanhef en onder a, en artikel 3.74, eerste lid, van het Vb 2000 gestelde inkomensvereiste is ingevuld aan de hand van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van de Richtlijn, zoals uitgelegd in het arrest Chakroun. In punt 48 van het arrest Chakroun is overwogen dat, aangezien de omvang van de behoeften van persoon tot persoon sterk kan verschillen, de lidstaten wel een bepaald referentiebedrag kunnen vaststellen, maar dat zij niet een minimuminkomen kunnen bepalen waaronder geen gezinshereniging wordt toegestaan, zonder enige concrete beoordeling van de situatie van iedere aanvrager.

Vaststaat dat de referent ten tijde van het besluit een uitkering krachtens de Werkloosheidswet ontving die € 8,58 lag onder de als referentiebedrag gebruikte norm bedoeld in artikel 3.74, eerste lid, van het Vb 2000. Voorts staat vast dat de vreemdeling ten tijde van het besluit in verband met door hem verricht vrijwilligerswerk een vergoeding ontving van € 50,00 per maand. De staatssecretaris heeft in het besluit volstaan met de vaststelling dat het inkomen van de referent niet aan het referentiebedrag voldoet en dat de vergoeding niet bij dat inkomen kan worden opgeteld omdat die vergoeding niet kan worden aangemerkt als zelfstandige middelen in de zin van artikel 3.73, eerste lid, van het Vb 2000 nu daarover niet de vereiste premies en belastingen worden afgedragen. Dat de vergoeding niet aan de in artikel 3.73, eerste lid gestelde vereisten voldoet, laat echter onverlet dat de referent die vergoeding ontvangt. De staatssecretaris heeft ten onrechte nagelaten om die vergoeding te betrekken bij de te maken concrete beoordeling van de situatie van de vreemdeling en de referent, als bedoeld in voormeld arrest. De rechtbank heeft niet onderkend dat het besluit op dit punt niet deugdelijk is gemotiveerd.

De grief slaagt.

5. De hoger beroepen van de staatssecretaris en de vreemdeling zijn kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit alsnog gegrond verklaren. Het besluit komt wegens strijd met 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking.

6. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de hoger beroepen gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 24 december 2014 in zaak nr. 14/15543;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 11 juni 2014, V-nummer [v-nummer];

V. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.960,00 (zegge: negentienhonderdzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aan de vreemdeling het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 413,00 (zegge: vierhonderddertien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, griffier.

w.g. Troostwijk w.g. Willems

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2015

412.