Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2084

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-06-2015
Datum publicatie
01-07-2015
Zaaknummer
201501372/2/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 december 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Archipelbuurt e.o." vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201501372/2/R4.

Datum uitspraak: 22 juni 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

de vereniging Belangenvereniging Koninginnegracht Den Haag, gevestigd te Den Haag en [verzoekster], gevestigd te [plaats], (hierna gezamenlijk: de vereniging),

en

de raad van de gemeente Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Archipelbuurt e.o." vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft onder meer de vereniging beroep ingesteld.

De vereniging heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De vereniging en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 9 juni 2015, waar de vereniging, vertegenwoordigd door mr. M.G. Nielen en mr. G.C.W. van der Feltz, beiden advocaat te ’s-Gravenhage, vergezeld door ir. J. Kopinga, werkzaam bij Alterra Wageningen UR, en [bestuursleden] van Belangenvereniging Koninginnegracht Den Haag, en de raad, vertegenwoordigd door mr. M. Soetbrood Piccardt, drs. H.F.M. Rodrigo, ing. W.K. Drost, ing. C. van Beekum, ing. L.J. Koudstaal, drs. J. Tiedeman en ing. C. Hendriks, allen werkzaam onder verantwoordelijkheid van de gemeente, vergezeld door ir. A.J. van Kuik, werkzaam bij PPO Wageningen UR, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. Het plan voorziet in een actueel juridisch-planologisch kader voor de Archipelbuurt in Den Haag.

3. Het verzoek van de vereniging heeft betrekking op de aanduiding "openbaar vervoer" die is toegekend aan een deel van de gronden langs de Koninginnegracht tussen de Javastraat en het Hubertusviaduct. De aanduiding maakt mogelijk dat het bestaande tramspoor langs de Koninginnegracht, dat onderdeel is van de doorgaande tramroute tussen Den Haag Centraal Station en Scheveningen (tramlijn 9), ongeveer 2,2 meter in de richting van de panden aan de Koninginnegracht wordt verlegd.

Uit de stukken volgt dat de reden van deze verlegging is dat in het kader van het Netwerk RandstadRail wordt gewerkt aan het geschikt maken van diverse routes voor het gebruik van nieuwe randstadrailvoertuigen. Deze tramstellen zijn 30 centimeter breder dan de huidige tramstellen en om daarmee te kunnen rijden moeten diverse aanpassingen aan sporen, bovenleidingmasten, haltes en de omgeving van het spoor plaatsvinden. Bovendien is de bestaande spoorconstructie langs de Koninginnegracht aan het einde van haar levensduur. De spoorconstructie wordt daarom geheel vervangen. Het gemeentebestuur heeft daarbij tot uitgangspunt genomen dat de 25 monumentale kastanjebomen langs de Koninginnegracht vanaf de Javastraat tot de Riouwstraat behouden blijven. Op basis van dit uitgangspunt heeft de raad gekozen voor een aanlegvariant waarin het tramspoor ongeveer 2,2 meter wordt verlegd in de richting van de gevels van de panden aan de Koninginnegracht.

Spoedeisend belang

4. Voor zover de raad de spoedeisendheid van het verzoek aan de orde stelt, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. De raad heeft medegedeeld dat de uitvoering van de werkzaamheden op 24 augustus 2015 gestart zal worden, dat de aanleg van de trambaan aan een uiterst strak tijdschema is gebonden, dat de werkzaamheden zijn afgestemd met andere werkzaamheden in de stad en de directe omgeving en dat de aanleg op het kritieke pad ligt. Voor de ontwikkeling heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag bij besluit van 12 februari 2015 een omgevingsvergunning tot afwijking van het vorige bestemmingsplan "Archipelbuurt/Willemspark II" verleend. Tegen dit besluit heeft de vereniging beroep ingesteld. Ter zitting hebben partijen medegedeeld dat de rechtbank ernaar streeft uiterlijk 21 juli 2015 op dit beroep uitspraak te doen. De inwerkingtreding van het bestreden plan heeft tot gevolg dat na een eventuele vernietiging door de rechtbank een nieuwe omgevingsvergunning op grondslag van dit plan kan worden verleend. Voorts is niet uitgesloten dat de rechtbank na een eventuele vernietiging het in werking getreden plan betrekt bij de beoordeling of de rechtsgevolgen in stand kunnen worden gelaten. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat een spoedeisend belang aanwezig is.

Conditie van de kastanjebomen

5. De vereniging heeft ter zitting vooropgesteld dat de raad onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de conditie en de levensduur van de 25 kastanjebomen langs de Koninginnegracht. De vereniging heeft zelf onderzoek laten doen naar de conditie en levensduur van de kastanjebomen door Alterra Wageningen UR, waarvan de uitkomsten zijn neergelegd in de notitie "Onderzoek naar aantasting door de kastanjebloedingsziekte van 25 paardekastanjes langs de Koninginnegracht in Den Haag" van februari 2015. In deze notitie wordt geconcludeerd dat de eerste bomen binnen 2 à 3 jaar tot ongeveer 10 jaar zullen uitvallen als gevolg van de bloedingsziekte. Aangezien de eerste bomen dan ook binnen afzienbare tijd gerooid zullen moeten worden en daarmee het ensemble van de 25 kastanjebomen verloren zal gaan, heeft de raad in de door hem gemaakte afweging van belangen een te groot gewicht toegekend aan het behoud van de kastanjebomen, aldus de vereniging.

5.1. De raad stelt dat het gemeentebestuur sinds 2004 jaarlijks onderzoek laat doen naar de ontwikkeling van de bloedingsziekte van de kastanjebomen in Den Haag. Uit deze onderzoeken volgt dat de 25 kastanjebomen langs de Koninginnegracht licht of matig zijn aangetast door de bloedingsziekte. De deskundige van PPO Wageningen UR verwacht echter dat de kastanjebomen, ondanks de bloedingsziekte, niet binnen een periode van tien jaar zullen uitvallen. Daartoe heeft de deskundige ter zitting toegelicht dat het oudere kastanjebomen zijn die wat betreft het ziektebeeld al langere tijd stabiel zijn. Het zijn ook vooral de jongere bomen die uitvallen, aldus de deskundige. Voorts wijst de deskundige op een aantal vergelijkbare kastanjebomen in Den Haag die sinds het begin van het onderzoek in 2004 zijn aangetast door de bloedingsziekte; deze zijn thans, tien jaar later, nog niet uitgevallen.

5.2. Gelet op het door de raad verrichte langjarige onderzoek naar de ontwikkeling van de bloedingsziekte in de kastanjebomen, ziet de voorzieningenrechter voorshands geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de conditie en levensduur van de kastanjebomen. Gelet op dit onderzoek bestaat voorshands evenmin aanleiding voor het oordeel dat de raad de omstandigheid dat de bomen zijn aangetast door de bloedingsziekte onvoldoende in zijn afweging heeft betrokken. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de raad het risico dat bomen binnen een periode van tien jaar kunnen uitvallen als gevolg van de bloedingsziekte heeft onderkend, maar op basis van het langjarige onderzoek naar de ontwikkeling van de bloedingsziekte verwacht dat dit risico zich niet zal verwezenlijken. Dat de deskundige van de vereniging andere verwachtingen heeft ten aanzien van de ontwikkeling van de bloedingsziekte dan de deskundige van de raad, betekent voorshands niet dat de raad om die reden niet in redelijkheid tot uitgangspunt heeft kunnen nemen dat de bomen beschermingswaardig zijn en aan het algemeen belang bij het behoud van deze bomen een groot gewicht heeft kunnen toekennen. Het betoog faalt.

Beschermd stadsgezicht

6. De vereniging betoogt dat de verlegging afbreuk doet aan het monumentale karakter van de Koninginnegracht en de daaraan gelegen panden. Zij voert hiertoe aan dat de tram ongeveer 2,2 meter in de richting van de gevels wordt verlegd waardoor de stoep smaller wordt en de kwaliteit van het zicht op de monumentale gevels significant wijzigt.

6.1. De raad wijst erop dat op pagina 5 van de toelichting bij de aanwijzing tot Rijksbeschermd stadsgezicht staat dat in het verleden langs de Koninginnegracht op enig moment bomen zijn gerooid om ruimte te maken voor het verkeer. Hierdoor verloor deze hoofdstraat een belangrijk deel van haar karakter en functie binnen de wijk en werd de oorspronkelijke structuur en samenhang van de wijk aangetast. Gelet op deze passage acht de raad de bescherming van het beschermd stadsgezicht ter plaatse van de Koninginnegracht voor een belangrijk deel gelegen in het behoud van de monumentale bomen. Bovendien heeft de raad ter bescherming van het beschermd stadsgezicht in artikel 27 van de planregels voorzien in een regeling die moet waarborgen dat bouwen of het uitvoeren van andere werkzaamheden binnen het beschermd stadsgezicht moet plaatsvinden met inachtneming van de cultuurhistorische waarden zoals deze blijken uit het aanwijzingsbesluit en de daarbij behorende toelichting. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter voorshands geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de omstandigheid dat ter plaatse van de Koninginnegracht sprake is van een beschermd stadsgezicht onvoldoende in zijn afweging heeft betrokken. Daarnaast geeft het aangevoerde voorshands geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat door de verlegging het beschermd stadsgezicht niet wordt aangetast. Het betoog faalt.

Geluid

7. De vereniging betoogt dat de raad, nu het tramspoor ongeveer 2,2 meter in de richting van de gevels wordt verlegd, akoestisch onderzoek had moeten doen naar de verlegging. Zij voert daarnaast aan dat als gevolg van de verlegging van de route moet worden voorzien in twee S-bochten. Ter plaatse van deze S-bochten kan booggeluid ontstaan, zodat de raad onderzoek had moeten doen naar het effect van deze S-bochten op het geluidsniveau, aldus de vereniging.

7.1. De raad heeft het door Ingenieursbureau Den Haag opgestelde rapport "Akoestisch onderzoek herinrichting Koninginnegracht - Prinsessegracht" van 17 januari 2014 aan zijn besluit ten grondslag gelegd. Hierin wordt geconcludeerd dat uit de gemaakte berekeningen volgt dat de toename van de geluidbelasting op de gevels van de panden langs de Koninginnegracht ten hoogste 1 dB bedraagt. In zoverre mist het betoog dat geen akoestisch onderzoek is gedaan voorshands feitelijke grondslag.

Wat betreft de S-bochten heeft de raad toegelicht dat ook in de huidige situatie S-bogen bij de bruggen en de haltes aanwezig zijn. De krapste bogen zitten bij de Javabrug met een boogstraal van 150 meter. Aangezien in de nieuwe situatie alle bogen ongeveer gelijk blijven ten opzichte van de huidige situatie, concludeert de raad dat ook in de nieuwe situatie sprake zal zijn van voldoende ruime bogen die niet tot geluidsoverlast zullen leiden. De vereniging heeft voorshands niet aannemelijk gemaakt dat dit standpunt van de raad onjuist is. Het aangevoerde geeft dan ook voorshands geen aanleiding voor het oordeel dat de raad ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan naar het effect van de S-bochten op het geluidsniveau. Het betoog faalt.

Trillingen

8. De vereniging voert aan dat geen onderzoek is gedaan naar de invloed van eventueel verhoogde trillingen. Aangezien een verhoogd trillingsniveau kan leiden tot schade aan de monumentale panden, had de raad dit aspect nader moeten onderzoeken, aldus de vereniging.

8.1. De raad stelt dat een nieuwe en stabiele constructie wordt aangelegd die optimaal zal worden afgesteld, hetgeen een positief effect zal hebben op de hoeveelheid trillingen. De raad heeft ter zitting voorts toegelicht dat geen sprake is van omstandigheden die aanleiding geven voor de verwachting dat in de nieuwe situatie trillingshinder en schade aan de panden zal ontstaan. Hiertoe wijst de raad op de ervaringen die reeds zijn opgedaan met het RandstadRail-netwerk elders in de stad. Op diverse locaties loopt het RandstadRail-netwerk op korte afstand van gevels van monumentale gebouwen, waarover het gemeentebestuur geen klachten bekend zijn. Bovendien leert de ervaring dat zwaardere tramstellen nauwelijks effect hebben op de hoeveelheid trillingen, aldus de raad. Het aangevoerde bevat voorshands geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad desondanks onderzoek had moeten laten doen naar het trillingsniveau na aanleg van het nieuwe tramspoor. Het betoog faalt.

Parkeren

9. De vereniging betoogt dat de verlegging van de tramroute leidt tot een onaanvaardbaar verlies aan parkeerplaatsen. Hiertoe voert zij aan dat overdag reeds sprake is van een hoge parkeerdruk, dat het plan leidt tot een verlies van ten minste 55 parkeerplaatsen en dat er geen redelijk parkeeralternatief voor de bewoners is. Doordat parkeerplaatsen zullen verdwijnen, verdwijnt ook ruimte om te laden en te lossen hetgeen tot verkeersoverlast zal leiden, aldus de vereniging.

9.1. De raad stelt dat in totaal 55 parkeerplaatsen zullen komen te vervallen, waarvan 36 in het wegvak tussen de Javastraat en de Laan Copes van Cattenburch. De raad heeft onderzoek laten doen naar de parkeerdruk ter plaatse, waaruit volgt dat deze vooral overdag op werkdagen hoog is omdat auto’s er lange tijd geparkeerd staan zonder dat de bestuurder zijn bestemming heeft langs dit deel van de gracht. Ter plaatse is reeds sprake van betaald parkeren, maar zonder tijdslimiet. De gemiddelde parkeerduur bedraagt 3,5 uur. Daarom is besloten na herinrichting van de Koninginnegracht tussen de Javastraat en de Laan Copes van Cattenburch de maximaal toegestane parkeertijd te beperken tot twee uur. Bezoek van bewoners en bedrijven wordt hierdoor niet belemmerd, terwijl langparkeerders hierdoor worden ontmoedigd om hun auto in dit gebied te parkeren, aldus de raad. Bij uitvoering van deze maatregel verwacht de raad dat de parkeerdruk in de nieuwe situatie maximaal 90% zal bedragen, hetgeen de raad aanvaardbaar acht. Daarnaast is langs de Koninginnegracht in de richting van Madurodam nog voldoende parkeergelegenheid, aldus de raad. Voorts stelt de raad dat de rijbaan een breedte van 4,5 meter krijgt, zodat in de gevallen waarin laden en lossen niet vanuit parkeervakken kan plaatsvinden nog voldoende ruimte resteert om op de weg stilstaande voertuigen te passeren.

9.2. Tussen partijen is niet in geschil dat de verlegging van het tramspoor leidt tot een verlies van ongeveer 55 parkeerplaatsen. Weliswaar kan het verlies aan parkeerplaatsen leiden tot een hogere parkeerdruk langs de Koninginnegracht, maar de vereniging heeft niet bestreden dat met een aanpassing van het parkeerregime ter plaatse de parkeerdruk op een aanvaardbaar niveau kan worden gehouden. Gelet hierop geeft het aangevoerde voorshands geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat na verlegging van het tramspoor geen sprake zal zijn van een onaanvaardbare parkeerdruk of een onaanvaardbare verkeerssituatie als gevolg van laden en lossen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de raad voorshands dan ook in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan het algemeen belang bij behoud van de 25 kastanjebomen, dan aan het behoud van de bedoelde 55 parkeerplaatsen. Het betoog faalt.

Alternatieven

10. De vereniging betoogt dat de planologische inpassing van de verlegging niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening nu een door de vereniging aangedragen alternatief uitvoerbaar, beter en goedkoper is. De raad had dit alternatief dan ook niet mogen passeren, aldus de vereniging.

10.1. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de raad bij de keuze van een bestemming een afweging dient te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen. Het gemeentebestuur heeft het door de vereniging aangedragen alternatief laten beoordelen door Ingenieursbureau Den Haag, die daarvan verslag heeft gedaan in zijn rapport "Koninginnegracht Vernieuwing Tramlijn 9" van 21 november 2013. Hierin wordt geconcludeerd dat de verhoogde trambaanconstructie zoals voorgesteld door de vereniging dusdanige negatieve gevolgen heeft voor de groeiplaatsomstandigheden van de monumentale bomen vanwege de extra druk op het wortelpakket, dat de kans groot is dat dit zal leiden tot het uitvallen van deze bomen. Gelet hierop bestaat voorshands geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de voor- en nadelen van het door de vereniging aangedragen alternatief onvoldoende in zijn afweging heeft betrokken. Het betoog faalt.

De bestemming "Groen"

11. Voor zover de vereniging nog betoogt dat de bestemming "Groen" niet uitvoerbaar is, aangezien de voor de bouw van abri’s benodigde aanduiding "openbaar vervoer" ter plaatse ontbreekt, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Nog daargelaten dat de raad erop heeft gewezen dat op grond van artikel 29, onder f, van de planregels bouwwerken ten behoeve van het openbaar vervoer binnen de bestemming "Groen" kunnen worden gerealiseerd, geeft het aangevoerde voorshands geen aanleiding voor het oordeel dat de bestemming niet uitvoerbaar is. Immers staan in de bestemmingsomschrijving van de bestemming "Groen" diverse functies, waaronder groen(voorzieningen) en boombeplantingsstroken, waarvan niet in geschil is dat deze ter plaatse reeds aanwezig en daarmee uitvoerbaar zijn. Het betoog faalt.

Conclusie en proceskosten

12. In hetgeen de vereniging naar voren heeft gebracht, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat het bestreden besluit in de bodemprocedure niet in stand zal blijven. Gelet hierop, en na afweging van alle betrokken belangen, bestaat aanleiding het verzoek af te wijzen.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Boer, griffier.

w.g. Kranenburg w.g. Boer

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2015

745.