Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2083

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-06-2015
Datum publicatie
01-07-2015
Zaaknummer
201500898/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 december 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Wencopperweg III" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Besluit ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/560
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201500898/2/R2.

Datum uitspraak: 24 juni 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend te Barneveld,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Barneveld,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Wencopperweg III" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

[appellant] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 1 juni 2015, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. J. Smits, en de raad, vertegenwoordigd door A.B. Quaak en V.M. Bouma, zijn verschenen.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Overwegingen

1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

3. Met het plan wordt een nieuwe ontsluiting van de Stationsweg op de Wencopperweg mogelijk gemaakt, ten zuiden van de spoorwegovergang. De bestaande ontsluiting zal worden afgesloten.

4. [appellant], die in de directe nabijheid van de voorziene nieuwe ontsluiting woont, kan zich niet met het plan verenigen. Daartoe betoogt hij dat het plan in strijd is met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro). In dit verband voert hij aan dat de aanleg van de nieuwe ontsluiting nodig is voor een in de toekomst voorziene onderdoorgang onder het spoor en dat de regionale behoefte aan die onderdoorgang onvoldoende is aangetoond.

4.1. De raad stelt dat artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet op de in het plan voorziene ontwikkeling van toepassing is.

4.2. Ingevolge artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro voldoet de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt aan de in dat artikellid genoemde voorwaarden.

Ingevolge artikel 1.1.1, eerste lid, onder i, van het Bro wordt in het Bro onder stedelijke ontwikkeling verstaan een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

4.3. Met betrekking tot artikel 3.1.6, tweede lid, onder a, van het Bro vermeldt de nota van toelichting dat dit lid provinciale en gemeentelijke overheden verplicht om nieuwe stedelijke ontwikkelingen af te stemmen op de geconstateerde actuele behoefte, en de wijze waarop in die behoefte wordt voorzien ook regionaal af te stemmen. Op deze wijze wordt over- en ondercapaciteit zoveel mogelijk voorkomen. In de nota van toelichting staat voorts dat de minister van Infrastructuur en Milieu op 14 november 2011 aan de Tweede Kamer heeft toegezegd om andere overheden te ondersteunen bij het in de praktijk brengen van de ladder voor duurzame verstedelijking, door op het moment van inwerkingtreding van de ladder aan gemeenten en provincies een handreiking beschikbaar te stellen. De handreiking is in oktober 2012 vastgesteld door het ministerie van Infrastructuur en Milieu. In de handreiking is de toepassing van artikel 3.1.6, tweede lid, omschreven. Hierin staat dat onder het begrip "overige stedelijke voorzieningen" wordt verstaan: accommodaties voor onderwijs, zorg, cultuur, bestuur en indoor sport en leisure.

4.4. Gelet op de nota van toelichting en de strekking van de regeling die mede gericht is op het tegengaan van leegstand, wordt de in het plan voorziene weg niet aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, in samenhang met artikel 1.1.1, eerste lid, onder i, van het Bro. Het plan is dan ook niet in strijd met het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt voorts dat het plan in strijd is met artikel 2, leden 2.7.2.1 en 2.7.2.2, van de Omgevingsverordening Gelderland (hierna: de Omgevingsverordening). Hiertoe voert hij aan dat in het plan ten onrechte niet duidelijk wordt gemaakt dat de kernkwaliteiten van het gebied substantieel worden versterkt en dat voor de aanleg van de nieuwe ontsluiting bomen moeten worden gekapt, hetgeen afdoet aan de natuurlijke kwaliteiten van het gebied.

5.1. De raad betoogt dat met betrekking tot voornoemde bepalingen uit de Omgevingsverordening het relativiteitsvereiste aan [appellant] moet worden tegengeworpen, nu voornoemde bepalingen niet strekken ter bescherming van de belangen van [appellant].

5.2. Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

5.3. Ingevolge artikel 8, lid 8.2.2, eerste lid, van de Omgevingsverordening is het bepaalde in Hoofdstuk 2 Ruimte van deze verordening niet van toepassing op ten tijde van de inwerkingtreding van deze verordening reeds bestaande rechten.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, worden onder bestaande rechten als bedoeld in het eerste lid verstaan: een bestemmingsplan als bedoeld in deze verordening, inclusief de daarin opgenomen ontheffings-, wijzigings- en uitwerkingsmogelijkheden, voorzover dat plan onherroepelijk is, danwel voorzover een ontwerp van dat plan ter inzage is gelegd voor het tijdstip inwerkingtreding van deze verordening en daarop door Gedeputeerde Staten geen zienswijze is ingediend.

5.4. De Omgevingsverordening is vastgesteld op 24 september 2014 en in werking getreden op 18 oktober 2014. Reeds vóór de laatstgenoemde datum, namelijk met ingang van 4 juli 2014, heeft het ontwerp van het thans ter beoordeling voorliggende plan ter inzage gelegen. Het college van gedeputeerde staten heeft daarop geen zienswijze ingediend. Gelet op het bepaalde in artikel 8, lid 8.2.2, van de Omgevingsverordening is artikel 2, leden 2.7.2.1 en 2.7.2.2, niet op het plan van toepassing. Het plan is daarmee dan ook niet in strijd.

Het betoog faalt. Nu deze beroepsgrond van [appellant] niet slaagt en derhalve niet tot vernietiging van het bestreden besluit zou kunnen leiden, wordt aan beantwoording van de vraag of het relativiteitsvereiste aan [appellant] moet worden tegengeworpen niet meer toegekomen.

6. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

7. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om voorlopige voorziening af te wijzen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep ongegrond;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. G. Klapwijk, griffier.

w.g. Koeman w.g. Klapwijk

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2015

726.