Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2079

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-07-2015
Datum publicatie
01-07-2015
Zaaknummer
201308511/3/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 juni 2013, kenmerk GR13-306 II, heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Delft Noord (DSM)" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/384

Uitspraak

201308511/3/R4.

Datum uitspraak: 1 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de naamloze vennootschap Koninklijke DSM N.V., gevestigd te Heerlen, en andere (hierna: DSM),

appellanten,

en

de raad van de gemeente Delft,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 juni 2013, kenmerk GR13-306 II, heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Delft Noord (DSM)" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft onder meer DSM beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

DSM heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 september 2014, waar onder meer DSM, vertegenwoordigd door M.G.I.A. van Haastert en mr. T. van Eyck, bijgestaan door mr. C.N.J. Kortmann en mr. J.C. van Oosten, beiden advocaat te Amsterdam, en de raad, vertegenwoordigd door mr. D.J.T. van Rees, werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door mr. J. Gundelach, advocaat te Almelo, zijn verschenen.

Bij uitspraak, onderscheidenlijk tussenuitspraak van 10 december 2014 in zaak nr. 201308511/1/R4 (hierna: de tussenuitspraak) heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 16 weken na de verzending van de tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van 13 juni 2013 te herstellen. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 26 maart 2015, kenmerk GR15-72 II, heeft de raad ter uitvoering van voormelde tussenuitspraak, het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Delft Noord (DSM)" gewijzigd vastgesteld.

DSM is in de gelegenheid gesteld haar zienswijze over de wijze waarop de raad gevolg heeft gegeven aan de opdracht van de Afdeling naar voren te brengen. DSM heeft daarvan geen gebruik gemaakt.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft de Afdeling bepaald dat een tweede onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Het besluit van 13 juni 2013

1. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat het beroep van DSM voor zover gericht tegen de vaststelling van de artikelen 13 tot en met 15 van de planregels, niet steunt op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

1.1. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling voorts geoordeeld dat artikel 27, lid 27.2, onder a, van de planregels is vastgesteld in strijd met artikel 3.6, eerste lid, onder a, van de Wet ruimtelijke ordening.

1.2. Gelet op hetgeen is overwogen in de tussenuitspraak is het beroep van DSM, voor zover dat is gericht tegen het besluit van 13 juni 2013, niet-ontvankelijk wat de artikelen 13 tot en met 15 van de planregels betreft en voor het overige gegrond. Het besluit van 13 juni 2013 dient te worden vernietigd, wat artikel 27, lid 27.2, onder a, van de planregels betreft.

1.3. Bij de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 16 weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen is overwogen in 7.4.3 en 10 van de tussenuitspraak het daar omschreven gebrek te herstellen, door een andere planregeling vast te stellen voor artikel 27, lid 27.2, onder a, van de planregels, waarin geen instemmingsrecht voor het Hoogheemraadschap wordt opgenomen.

Het besluit van 26 maart 2015

2. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad bij het besluit van 26 maart 2015 in artikel 27, lid 27.2, onder a en b, van de planregels de bewoordingen "het Hoogheemraadschap met de wijziging heeft ingestemd" gewijzigd in "vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen van het Hoogheemraadschap".

2.1. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep van DSM van rechtswege mede betrekking op het besluit van 26 maart 2015.

2.2. DSM heeft naar aanleiding van het besluit van 26 maart 2015 geen zienswijze ingediend. De Afdeling leidt hieruit af dat DSM geen bezwaren heeft tegen het besluit van 26 maart 2015. Het beroep van DSM, voor zover dat is gericht tegen het besluit van 26 maart 2015, is ongegrond.

Proceskosten

3. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van de naamloze vennootschap Koninklijke DSM N.V. en andere, voor zover dat is gericht tegen het besluit van de raad van de gemeente Delft van 13 juni 2013, niet-ontvankelijk wat de artikelen 13 tot en met 15 van de planregels betreft;

II. verklaart het beroep van de naamloze vennootschap Koninklijke DSM N.V. en andere, voor zover dat is gericht tegen het besluit van de raad van de gemeente Delft van 13 juni 2013, voor het overige gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Delft van 13 juni 2013, kenmerk GR13-306 II, tot vaststelling van het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Delft Noord (DSM)", wat artikel 27, lid 27.2, onder a, van de planregels betreft;

IV. verklaart het beroep van de naamloze vennootschap Koninklijke DSM N.V. en andere, voor zover dat is gericht tegen het besluit van de raad van de gemeente Delft van 26 maart 2015, ongegrond;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Delft tot vergoeding van bij de naamloze vennootschap Koninklijke DSM N.V. en andere in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de andere;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Delft aan de naamloze vennootschap Koninklijke DSM N.V. en andere het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de andere.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, griffier.

w.g. Hagen w.g. Kuipers

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2015

271.