Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2076

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-07-2015
Datum publicatie
01-07-2015
Zaaknummer
201405250/2/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:3640, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 juli 2013 heeft de burgemeester aan Beach Invest een vergunning met voorschriften ten behoeve van de exploitatie van horeca-inrichting ‘De Noorderpier’ (hierna: de exploitatievergunning) aan de Zeekant 69 te Hoek van Holland verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201405250/2/A3.

Datum uitspraak: 1 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Beach Invest B.V., gevestigd te Naaldwijk, gemeente Westland,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 mei 2014 in zaak

nr. 14/422 in het geding tussen:

Beach Invest

en

de burgemeester van Rotterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 22 juli 2013 heeft de burgemeester aan Beach Invest een vergunning met voorschriften ten behoeve van de exploitatie van horeca-inrichting ‘De Noorderpier’ (hierna: de exploitatievergunning) aan de Zeekant 69 te Hoek van Holland verleend.

Bij besluit van 23 december 2013 heeft de burgemeester het door Beach Invest daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 mei 2014 heeft de rechtbank het door Beach Invest daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Beach Invest hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 december 2014, waar Beach Invest, vertegenwoordigd door mr. M.R. Plug, advocaat te Delft, en [persoon], werkzaam bij [bedrijf], en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. M.C. Rolle, werkzaam bij de gemeente, en E.J. Vruggink, werkzaam bij de politie, zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak van 18 februari 2015 in zaak nr. 201405250/1/A3 heeft de Afdeling de burgemeester opgedragen om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van 23 december 2013 te herstellen en zo nodig het besluit te wijzigen.

Bij onderscheidenlijke besluiten van 15 april 2015 heeft de burgemeester ter uitvoering van de tussenuitspraak het bezwaar deels gegrond verklaard, de bij besluit van 22 juli 2013 aan Beach Invest verleende exploitatievergunning ingetrokken en opnieuw een exploitatievergunning verleend.

Beach Invest is in de gelegenheid gesteld een zienswijze over de besluiten van 15 april 2015 naar voren te brengen.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb, is afgezien van een tweede onderzoek ter zitting. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1:4, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2012 kunnen aan een vergunning of ontheffing voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.

Ingevolge het tweede lid is degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

Ingevolge artikel 1:8, eerste lid, kan de vergunning of ontheffing door het bevoegd gezag of het bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd:

a. in het belang van de openbare orde;

b. in het belang van de openbare veiligheid;

(…).

Ingevolge artikel 2:28, eerste lid, is het verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

Ingevolge het vijfde lid, aanhef en onder a, weigert de burgemeester, onverminderd artikel 1:8, de exploitatievergunning, indien de vestiging of de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheerverordening, een geldend voorbereidingsbesluit, de Wet milieubeheer of een horecagebiedsplan.

2. In haar tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat het besluit van 23 december 2013 niet berust op een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Daartoe heeft zij overwogen dat de burgemeester alsnog het door hem gemaakte onderscheid in karakter tussen evenementen met en zonder kaartverkoop inzichtelijk dient te maken op grond waarvan volgens hem al dan niet een algeheel verbod op het laten plaatsvinden van evenementen met kaartverkoop gerechtvaardigd moet worden geoordeeld en zo nodig het besluit te wijzigen.

3. Bij brief van 31 maart 2015 heeft de burgemeester aan de Afdeling te kennen gegeven dat hij het aan de exploitatievergunning verbonden voorschrift inhoudende een algeheel verbod op het laten plaatsvinden van evenementen met kaartverkoop niet langer wenst te handhaven.

Bij de besluiten van 15 april 2015 heeft de burgemeester het bezwaar gegrond verklaard, voor zover gericht tegen voormeld voorschrift, en aan Beach Invest een exploitatievergunning verleend op grond waarvan het laten plaatsvinden van evenementen met kaartverkoop thans is toegestaan.

4. De burgemeester is met het nemen van de besluiten van 15 april 2015 geheel aan het oorspronkelijke beroep van Beach Invest tegemoet gekomen. Een beroep van rechtswege tegen voormelde besluiten is derhalve niet ontstaan, nu Beach Invest daarbij onvoldoende belang heeft.

5. Gelet op hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen, is het hoger beroep gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van de burgemeester van 23 december 2013 alsnog gegrond verklaren en dat besluit vernietigen.

6. De burgemeester dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 mei 2014 in zaak nr. 14/422;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de burgemeester van Rotterdam van 23 december 2013, kenmerk 1234034;

V. veroordeelt de burgemeester van Rotterdam tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Beach Invest B.V. in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1960,00 (zegge: negentienhonderdzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat de burgemeester van Rotterdam aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Beach Invest B.V. het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 767,00 (zegge: zevenhonderdzevenenzestig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, griffier.

w.g. Kranenburg w.g. Klein

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2015

582-697.