Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2073

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-07-2015
Datum publicatie
01-07-2015
Zaaknummer
201406094/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 april 2011 heeft het college [appellant] als lid van de welstandscommissie ontslag verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201406094/1/A2.

Datum uitspraak: 1 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 12 juni 2014 in zaak nr. 13/3484 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Barneveld.

Procesverloop

Bij besluit van 14 april 2011 heeft het college [appellant] als lid van de welstandscommissie ontslag verleend.

Bij besluit van 18 juli 2013 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 juni 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 mei 2015, waar [appellant], bijgestaan door mr. F. Postma, advocaat te Leeuwarden, en het college, vertegenwoordigd door mr. S. Hoekstra, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellant] is architect. Het college heeft hem, bij besluit van 3 oktober 2008, benoemd als lid van de welstandscommissie voor de jaren 2009 en 2010 en als reserve-lid voor het jaar 2011. Het college heeft [appellant] bij besluit van 14 april 2011, krachtens artikel 9.3, eerste lid, van de Bouwverordening Barneveld 1993, ontslag verleend, ingaande op 1 juni 2011.

[appellant] heeft in zijn bezwaarschrift tegen dit ontslagbesluit aangevoerd dat hij door dit ontslagbesluit inkomsten- en omzetderving lijdt. Volgens [appellant] moet het college de uren waarop hij volgens het zittingsschema van 2011 in de maanden juni tot en met december 2011 voor de welstandscommissie werkzaamheden zou verrichten, vergoeden. [appellant] heeft, zo blijkt uit zijn brief aan het college van 19 augustus 2011, van het college gevorderd een bedrag van € 22.078,42 te betalen.

2. Het college heeft aan het besluit van 18 juli 2013 ten grondslag gelegd dat in het coalitieakkoord 2010-2014 is aangekondigd dat de mate van welstandstoezicht zal worden heroverwogen. Dat voornemen is uitgewerkt in de op 8 november 2010 vastgestelde programmabegroting, waarin is opgemerkt dat op het programma Ruimte, Bouwen en Wonen wordt bezuinigd en voorts dat deze ombuiging in 2011 wordt uitgevoerd. Dit betekent, zo is opgemerkt, dat de welstandscommissie zal worden afgeschaft en in beperkte mate een stadsbouwmeester zal worden ingezet. Op 26 april 2011 heeft de gemeenteraad ingestemd met het voorstel van het college om de welstandcommissie op te heffen, de werkzaamheden met ingang van 1 juni 2011 te laten stoppen en op die datum een stadsbouwmeester te benoemen.

Voorts heeft het college het standpunt ingenomen dat het op de weg van [appellant] had gelegen om maatregelen te treffen om achteruitgang in het inkomen te voorkomen. Dat het in het geval van [appellant] om een korter tijdsbestek gaat dan dat aan de orde in de uitspraak van de Afdeling van 9 juni 2010 in zaak nr. 200906873/1/H2 heeft het college onvoldoende geacht om tot een ander standpunt te komen. Het college heeft daarbij mee laten wegen dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij onevenredig is getroffen door dit tussentijdse ontslag.

Anticipatie op het vervallen van de werkzaamheden

3. [appellant] keert zich tegen de overweging van de rechtbank dat - samengevat - hij er niet op mocht vertrouwen dat hij in het gehele jaar 2011 werkzaamheden voor de welstandscommissie zou verrichten. Verder is [appellant] van mening dat de rechtbank ten onrechte tot de overweging is gekomen dat hij voldoende heeft kunnen anticiperen op de beëindiging van zijn werkzaamheden op 1 juni 2011.

3.1. De rechtbank is terecht tot deze overwegingen gekomen.

3.2. Uit het benoemingsbesluit blijkt dat [appellant] voor het jaar 2011 als reserve-lid van de welstandscommissie is benoemd. Met het voornemen van de gemeenteraad om de welstandscommissie op te heffen, is [appellant], zoals hij tijdens de zitting heeft bevestigd, eind 2010 bekend geworden. [appellant] heeft toegelicht dat J.C.M. Blok, ambtenaar van de gemeente Barneveld, in die periode als contactpersoon is opgetreden. Omdat de besluitvorming over de benoeming van de stadsbouwmeester nog niet rond was, heeft Blok met [appellant] afgesproken dat hij tot 1 april 2011 zijn werkzaamheden kon voortzetten. Later is met [appellant] afgesproken dit te verlengen tot 1 juni 2011, zo is vermeld in de brief van het college aan [appellant] van 23 juni 2011. [appellant] heeft deze gang van zaken niet weersproken, zodat de Afdeling van de juistheid hiervan uitgaat.

3.3. [appellant] heeft, gelet op de aard van zijn werkzaamheden voor de welstandscommissie en op de afspraken die met Blok zijn gemaakt, er niet gerechtvaardigd op kunnen vertrouwen dat hij tot en met december 2011 kon aanblijven. De zittingsagenda biedt evenmin aanknopingspunten hiervoor, omdat met het enkel inplannen van de dagen waarop de welstandscommissie vergadert, het college niet de toezegging heeft gedaan dat [appellant] de werkzaamheden voor de welstandscommissie na 1 juni 2011 kon voortzetten. Verder heeft [appellant] vanaf eind 2010 en ieder geval nadat Blok met hem de afspraak maakte om tot 1 april 2011 aan te blijven, kunnen anticiperen op het wegvallen van zijn werkzaamheden. [appellant] heeft daarmee voldoende de gelegenheid gehad om op andere wijze in inkomsten en omzet te voorzien.

Onevenredig getroffen

4. [appellant] kan zich niet vinden in de overweging van de rechtbank dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij onevenredig zwaar is getroffen door het tussentijdse ontslag.

4.1. De Afdeling onderschrijft de overweging van de rechtbank.

4.2. Ter toelichting van zijn stelling dat hij onevenredig is getroffen, heeft [appellant] gewezen op:

- de declarabele uren als hij tot eind 2011 was aangebleven (totaal een bedrag van: € 22.078,00);

- een overzicht van zijn omzet door de werkzaamheden voor de welstandscommissie in 2009 en 2010;

- de bouwcrisis waarvan hij negatieve gevolgen heeft ondervonden.

4.3. Hiermee heeft [appellant] niet inzichtelijk gemaakt dat hij, gezien zijn gehele inkomens- en vermogenspositie, zodanig financieel is benadeeld dat tot het oordeel moet worden gekomen dat het college hem in dit nadeel tegemoet had moeten komen. Het college heeft dan ook niet in strijd gehandeld met artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Gelijkheidsbeginsel

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij recht heeft op een billijke vergoeding, omdat het college aan de voorzitter van de welstandscommissie ook een vergoeding heeft verstrekt.

5.1. De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank terecht tot de conclusie is gekomen dat het college aan [appellant] geen vergoeding behoefde te verstrekken.

5.2. Het college heeft tijdens de zitting toegelicht dat vanwege het afscheid van de commissieleden met hen gesprekken waren gepland. Met de voorzitter heeft dit gesprek plaatsgevonden, waarna het college aan de voorzitter een vergoeding heeft verstrekt. Ook met [appellant] stond er een gesprek gepland, maar hij had te kennen gegeven niet aanwezig te kunnen zijn. Nadien heeft het college kennisgenomen van eerder vermelde uitspraak van de Afdeling van 9 juni 2010. Uit deze uitspraak heeft het college afgeleid dat het niet gehouden was om in een geval als het onderhavige vergoedingen te verstrekken.

5.3. Gelet op deze toelichting en in aanmerking genomen dat het gelijkheidsbeginsel niet zover strekt dat een bestuursorgaan kan worden verplicht om een juridisch onjuist besluit te herhalen, heeft het college aan [appellant] niet ten onrechte geen vergoeding verstrekt.

Conclusie

6. De betogen van [appellant] falen. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. A. Hammerstein, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. de Heer, griffier.

w.g. Polak w.g. De Heer

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2015

636.