Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2061

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-07-2015
Datum publicatie
01-07-2015
Zaaknummer
201406599/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 oktober 2012 heeft het college een aanvraag van [appellant sub 3] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/434
OGR-Updates.nl 2015-0167
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201406599/1/A2.

Datum uitspraak: 1 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellante sub 1A] en [appellante sub 1B] (hierna: [appellante sub 1]), gevestigd te Heemskerk,

2. het college van burgemeester en wethouders van Heemskerk (hierna: het college),

3. [appellant sub 3], wonend te Heemskerk,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 30 juni 2014 in zaak nr. 13/2266 in het geding tussen:

[appellant sub 3]

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 2 oktober 2012 heeft het college een aanvraag van [appellant sub 3] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Bij besluit van 26 maart 2013 heeft het college het door [appellant sub 3] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 juni 2014 heeft de rechtbank het door [appellant sub 3] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het college opgedragen opnieuw op het door [appellant sub 3] gemaakte bezwaar te beslissen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college en [appellante sub 1] hoger beroep ingesteld.

[appellant sub 3] heeft een verweerschrift ingediend en incidenteel beroep ingesteld.

Het college heeft een zienswijze ingediend.

Bij besluit van 10 december 2014 heeft het college ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank opnieuw op het bezwaar van [appellant sub 3] beslist en de aanvraag om tegemoetkoming in planschade wederom afgewezen.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 mei 2015, waar het college, vertegenwoordigd door mr. T.H.M.J. van der Geest-Beentjes en mr. M.E.T. van der Fluit, beiden werkzaam bij de gemeente, [appellante sub 1], vertegenwoordigd door haar [bestuurder], bijgestaan door mr. E.W.M. Aalsma, advocaat te Zaandam, en [appellant sub 3], bijgestaan door [twee gemachtigden], zijn verschenen.

Overwegingen

1. Op 1 juli 2008 is de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) ingetrokken en is de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) in werking getreden.

Ingevolge artikel 9.1.10, tweede lid, van de Invoeringswet Wro, wordt een besluit tot vrijstelling, waartoe het verzoek is ingediend voor 1 juli 2008, voor de toepassing van afdeling 6.1 van de Wro gelijkgesteld met een besluit als bedoeld in artikel 3.10 van die wet.

Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van de Wro, zoals die bepaling luidde ten tijde van belang, kennen burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder d, is een oorzaak als bedoeld in het eerste lid een besluit als bedoeld in artikel 3.10.

Ingevolge artikel 6.3, aanhef en onder a, betrekt het college, met betrekking tot de voor tegemoetkoming in aanmerking komende schade, bij hun beslissing op de aanvraag in ieder geval de voorzienbaarheid van de schadeoorzaak.

2. [appellant sub 3] is sinds 21 juli 1999 eigenaar van het appartement aan de [locatie] te [plaats], kadastraal bekend als [….]. Het naastgelegen perceel, kadastraal bekend [….] heeft ingevolge het bestemmingsplan "Centrum Heemskerk" (hierna: het bestemmingsplan), door de raad van Heemskerk (hierna: de raad) vastgesteld op 31 oktober 1991, de bestemmingen ‘Maatschappelijke doeleinden’ en ‘Erven 1’.

Bij aanvraag van 6 december 2012 heeft [appellant sub 3] het college verzocht om een tegemoetkoming in planschade, die hij stelt te hebben geleden door het besluit van het college van 7 januari 2009, waarbij aan [appellante sub 1] op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling van het bestemmingsplan is verleend, ten behoeve van de bouw van een appartementencomplex op het naastgelegen perceel, grenzend aan het door [appellant sub 3] bewoonde appartementencomplex.

Aan de afwijzing van die aanvraag heeft het college het definitief advies van Kenniscentrum voor Overheid en Bestuur (hierna: het Kenniscentrum) van 13 september 2012 ten grondslag gelegd. Volgens het Kenniscentrum is [appellant sub 3] door het vrijstellingsbesluit in een planologisch nadeliger positie komen te verkeren, maar bestaat geen grond voor een tegemoetkoming in de schade die hij daardoor heeft geleden, omdat de planologische wijziging voor [appellant sub 3] voorzienbaar was op het moment dat hij zijn appartement kocht.

De rechtbank heeft geoordeeld dat het college [appellant sub 3] ten onrechte heeft tegengeworpen dat de planologische wijziging voorzienbaar was.

3. Het college en [appellante sub 1], met wie het college een planschadeovereenkomst heeft gesloten, betogen dat de rechtbank ten onrechte tot dat oordeel is gekomen. Volgens hen bestonden ten tijde van de aankoop van het appartement door [appellant sub 3] concrete beleidsvoornemens om woningen te bouwen, op grond waarvan [appellant sub 3] had kunnen en moeten begrijpen dat de planologische situatie ter plaatse voor hem in ongunstige zin zou kunnen wijzigen. Het college verwijst in dit verband naar de in hoger beroep overgelegde structuurschets "Centrum Heemskerk" (hierna: de structuurschets), door de raad vastgesteld op 26 februari 1987, de in oktober 1988 vastgestelde notitie "Bestemmingsplan Centrum Heemskerk, Uitgangspunten bebouwing lokaties 1 t/m 14, Struktuurschets 1987" (hierna: de uitgangspuntennotitie), de toelichting bij het bestemmingsplan en het vrijstellingsbesluit van 3 maart 1998, waarmee de bouw van het door [appellant sub 3] bewoonde appartementencomplex mogelijk is gemaakt.

3.1. [appellant sub 3] heeft in het verweerschrift aangevoerd dat het college niet de structuurschets, maar slechts een naar aanleiding van de inspraakfase opgestelde eindrapportage heeft overgelegd. Op basis van deze eindrapportage kan volgens hem geen voorzienbaarheid worden aangenomen, omdat niet is komen vast te staan dat dit stuk openbaar is gemaakt, hetgeen ook geldt voor de in hoger beroep overgelegde uitgangspuntennotitie. Verder meent hij dat deze stukken onvoldoende concreet zijn om te kunnen oordelen dat hij daaruit had moeten begrijpen dat woningbouw in de nabijheid van zijn appartement in de toekomst mogelijk zou zijn. Aan de toelichting bij het bestemmingsplan kan volgens hem geen betekenis worden toegekend, nu die toelichting ziet op een wijzigingsbevoegdheid waaraan goedkeuring is onthouden, waardoor die bevoegdheid geen onderdeel van het bestemmingsplan is geworden.

3.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld de uitspraak van 2 december 2009 in zaak nr. 200902002/1/H2), dient de voorzienbaarheid van een planologische wijziging te worden beoordeeld aan de hand van het antwoord op de vraag, of ten tijde van de aankoop van de onroerende zaak voor een redelijk denkend en handelend koper aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie ter plaatse in ongunstige zin zou veranderen. Daarbij dient rekening te worden gehouden met concrete beleidsvoornemens die openbaar zijn gemaakt. Voor voorzienbaarheid is niet vereist dat een dergelijk beleidsvoornemen een formele status heeft.

3.3. Het college heeft in hoger beroep het stuk "Centrum Heemskerk", gedateerd op oktober 1986, overgelegd, dat - naar het college stelt - in hoofdstuk 5 de structuurschets bevat. Met betrekking tot het gebied Raadhuisstraat-Marquettelaan is daarin bepaald:

"Deze lokatie kent als het ware 2 kanten. De zijde aan de Marquettelaan zou zich bij een nadere uitwerking goed lenen voor een bebouwingsvorm, die verwantschap vertoont met de bestaande verspreid gelegen woonbebouwing. Langs de Raadhuisstraat daarentegen ligt enige frontvorming voor de hand. Zulks ter ondersteuning van de nieuwe funktie van deze straat (aanloopgebied centrum). Deze zone zou primair ingevuld kunnen worden met kantoorbebouwing (met wonen)."

In de uitgangspuntennotitie en de toelichting bij het bestemmingsplan is het vorenstaande herhaald. Verder is in de toelichting bij het bestemmingsplan vermeld:

"Omdat over de mogelijkheden van een uiteindelijke invulling nog geen duidelijkheid bestaat, is het totale gebied tussen Bachstraat, Marquettelaan en Raadhuisstraat in een wijzigingsbevoegdheid opgenomen".

Ingevolge deze wijzigingsbevoegdheid was het college bevoegd de uit te werken bestemming te wijzigen in de bestemmingen "Openbaar gebied", "Dienstverlening en kantoor", "Wonen", "Erven 1" en "Erven 2".

3.4. Gelet op het vorenstaande, had de raad in ieder geval vanaf oktober 1986 in overweging om binnen het gebied Raadhuisstraat-Marquettelaan woningbouw te realiseren en was daartoe aanvankelijk een wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan opgenomen.

Daargelaten of hoofdstuk 5 van het stuk "Centrum Heemskerk" de structuurschets bevat en of dit stuk en de uitgangspuntennotitie openbaar zijn gemaakt, bestond voor [appellant sub 3] ten tijde van de aankoop van zijn woning aanleiding rekening te houden met de kans dat de planologische situatie in voor hem ongunstige zin zou veranderen, nu in de toelichting bij het bestemmingsplan melding is gemaakt van de mogelijkheid tot woningbouw in het gebied Raadhuisstraat-Marquettelaan en voor de verwezenlijking van

- onder meer - deze bestemming een wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan was opgenomen.

De omstandigheid dat gedeputeerde staten aan de wijzigingsbevoegdheid goedkeuring hebben onthouden, voor zover deze betrekking had op de bestemming "wonen", waardoor deze bevoegdheid in zoverre geen onderdeel van het bestemmingsplan is geworden, betekent niet dat [appellant sub 3] ervan uit mocht gaan dat het beleidsvoornemen tot woningbouw van de baan was. Bij de onthouding van goedkeuring hebben gedeputeerde staten immers te kennen gegeven de bouw van woningen toe te juichen en slechts goedkeuring te weigeren, omdat het college had verzuimd een verzoek tot vaststelling van hogere grenswaarden, als bedoeld in artikel 83 Wet geluidhinder, te doen. De onthouding van goedkeuring stond er voorts niet aan in de weg dat het college de bouw van woningen alsnog, zij het langs andere weg, zou verwezenlijken, hetgeen het college ook heeft gedaan. Ten slotte had [appellant sub 3] ook uit het vrijstellingsbesluit van 3 maart 1998, waarmee de bouw van zijn eigen appartement mogelijk is gemaakt, kunnen afleiden dat het beleidsvoornemen tot het bouwen van woningen nog actueel was. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog slaagt.

4. De hoger beroepen van het college en [appellante sub 1] zijn gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Gelet op het vorenstaande is het door [appellant sub 3] ingestelde incidenteel hoger beroep, dat zich richt tegen de overweging van de rechtbank dat het niet opportuun is het geschil definitief te beslechten, ongegrond. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant sub 3] tegen het besluit van 26 maart 2013 alsnog ongegrond verklaren.

5. Door de vernietiging van de aangevallen uitspraak is de grondslag aan het besluit van 10 december 2014 komen te ontvallen. Dat besluit dient daarom te worden vernietigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de door het college van burgemeester en wethouders van Heemskerk en [appellante sub 1A] en [appellante sub 1B] ingestelde hoger beroepen gegrond;

II. verklaart het door [appellant sub 3] ingestelde incidenteel hoger beroep ongegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 30 juni 2014 in zaak nr. 13/2266;

IV. verklaart het door [appellant sub 3] bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond’

V. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Heemskerk van 10 december 2014, kenmerk: ZBBA/2014/153184 UD/2014/63919.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. A. Hammerstein, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Krokké, griffier.

w.g. Van Buuren w.g. Krokké

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2015

686.