Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2055

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-07-2015
Datum publicatie
01-07-2015
Zaaknummer
201405812/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 december 2012 heeft het dagelijks bestuur het verzoek van [appellant] om vrijstelling van de verplichting te zorgen dat zijn dochter de school waarop zij staat ingeschreven, geregeld bezoekt, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201405812/1/A2.

Datum uitspraak: 1 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te [woonplaats],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 juni 2014 in zaak nr. 13/4569 in het geding tussen:

Appellanten

en

het dagelijks bestuur van het samenwerkingsorgaan Holland Rijnland.

Procesverloop

Bij besluit van 11 december 2012 heeft het dagelijks bestuur het verzoek van [appellant] om vrijstelling van de verplichting te zorgen dat zijn dochter de school waarop zij staat ingeschreven, geregeld bezoekt, afgewezen.

Bij besluit van 23 april 2013 heeft het dagelijks bestuur het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 juni 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 april 2015, waar [appellant A] en [appellant B] en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. R. Stam, vergezeld door I. Vis, werkzaam aldaar, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 (hierna: Lpw), zijn degene die het gezag over een jongere uitoefent, en degene die zich met de feitelijke verzorging van een jongere heeft belast, verplicht overeenkomstig de bepalingen van deze wet te zorgen, dat de jongere als leerling van een school staat ingeschreven en deze school na inschrijving geregeld bezoekt.

Ingevolge artikel 11, aanhef en onder g, zijn de in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen vrijgesteld van de verplichting te zorgen dat de jongere de school waarop hij staat ingeschreven, geregeld bezoekt, indien de jongere door andere gewichtige omstandigheden verhinderd is de school onderscheidenlijk de instelling te bezoeken.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) heeft een ieder recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

Ingevolge het tweede lid is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

2. [appellant] heeft het dagelijks bestuur verzocht vrijstelling te verlenen van de verplichting ervoor te zorgen dat zijn dochter de school waar zij staat ingeschreven, regelmatig bezoekt (hierna: de schoolplicht). Aan dat verzoek is ten grondslag gelegd dat zich gewichtige omstandigheden voordoen, als bedoeld in artikel 11, aanhef en onder g, van de Lpw. Die gewichtige omstandigheden bestaan er volgens [appellant] uit dat de school waar zijn dochter is ingeschreven geen passend onderwijs biedt. Hoewel zijn dochter hoogbegaafd is, wil de school haar niet plaatsen in de plusklas/verrijkingsgroep, aldus [appellant]. Verder is er geen alternatieve school in de regio.

3. Aan het besluit van 11 december 2012, gehandhaafd bij dat van 23 april 2013, heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat het verzoek is gebaseerd op een conflict tussen [appellant] en de school over de groep waarin zijn dochter geplaatst dient te worden. De wens van [appellant] om zijn dochter niet in groep 5 te laten plaatsen valt niet aan te merken als gewichtige omstandigheid, als bedoeld in artikel 11, aanhef en onder g, van de Lpw, aldus het dagelijks bestuur.

4. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] tegen het besluit van 23 april 2013 niet-ontvankelijk verklaard en heeft daartoe overwogen dat hij onvoldoende belang bij een inhoudelijke beoordeling van het in beroep bestreden besluit heeft. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat ter zitting is gebleken dat de dochter van [appellant] inmiddels is ingeschreven bij een andere school, zij daar daadwerkelijk onderwijs volgt en het daar goed gaat. Verder heeft de rechtbank overwogen dat niet aannemelijk is dat zich in de toekomst een soortgelijk geschil tussen [appellant] en het dagelijks bestuur zal voordoen, dat het dagelijks bestuur te kennen heeft gegeven geen stappen te ondernemen ter voorbereiding van strafrechtelijk optreden ten aanzien van het schoolverzuim van de dochter, dat de wens van [appellant] om enkele vragen om principiële redenen beantwoord te zien onvoldoende is om procesbelang aan te nemen, dat [appellant] veel tijd in de beroepsprocedure heeft gestoken evenmin tot procesbelang leidt en dat de gestelde financiële schade niet is onderbouwd en evenmin aannemelijk is geworden.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daartoe voert hij, samengevat weergegeven, aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat nog altijd een geschil bestaat over de rechtmatigheid van het besluit van 23 april 2013 en dat een inhoudelijke beoordeling daarvan voor hem van feitelijke betekenis is. Bovendien noopt ook het recht op eerbiediging van het gezinsleven, neergelegd in artikel 8 van het EVRM, tot een inhoudelijke beoordeling van het geschil, aldus [appellant]. Verder heeft de rechtbank volgens [appellant] miskend dat aannemelijk is dat zich in de toekomst tussen hem en het dagelijks bestuur een soortgelijk geschil zal voordoen. Daarbij wijst [appellant] erop dat de rechtbank een ter zitting naar voren gebrachte stelling uit zijn verband getrokken heeft. Tot slot heeft de rechtbank volgens [appellant] ten onrechte geoordeeld dat hij de gestelde schade niet aannemelijk heeft gemaakt, en is ook in die schade procesbelang gelegen.

5.1. Anders dan [appellant] betoogt, heeft de rechtbank het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe overweegt de Afdeling als volgt.

5.2. De rechtbank heeft er, anders dan [appellant] betoogt, reeds met de beantwoording van de vraag of [appellant] bij een inhoudelijke beoordeling van het geschil nog voldoende belang had, blijk van gegeven dat zij het bestaan van een geschil heeft aangenomen. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat [appellant] bij een inhoudelijke beoordeling van dat geschil geen belang meer heeft. Daarbij is in aanmerking genomen dat de omstandigheden die aan de aanvraag ten grondslag lagen, zich vanaf het moment dat de dochter werd ingeschreven bij een andere school, die haar, zoals [appellant] ook zelf te kennen heeft gegeven, passend onderwijs biedt, niet langer voordoen. Verder is in aanmerking genomen dat jegens [appellant] geen proces-verbaal is opgemaakt ter voorbereiding van strafrechtelijk optreden voor overtreding van de Lpw. Ter zitting heeft het dagelijks bestuur toegelicht dat geen waarschuwing is gegeven en evenmin een aantekening is gemaakt die in de toekomst zou kunnen worden tegengeworpen, zodat ook in hetgeen [appellant] daarover aanvoert geen belang is gelegen. Dat van een inhoudelijke beoordeling een signaal zou kunnen uitgaan naar het dagelijks bestuur, wat daar ook van zij, leidt evenmin tot het oordeel dat [appellant] voldoende belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van de zaak. Verder heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat ook de belangen die [appellant] in een brief van 24 september 2013 zelf als "algemeen (principieel)" heeft geduid, hem geen procesbelang opleveren. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 27 augustus 2008 in zaak nr. 200800487/1) is de bestuursrechter niet geroepen uitspraak te doen uitsluitend vanwege de principiële betekenis daarvan.

5.3. Evenmin wordt [appellant] gevolgd in het betoog dat hij, gelet op het in artikel 8 van het EVRM neergelegde recht op eerbiediging van het gezinsleven, een rechtens relevant belang heeft bij de toetsing van de rechtmatigheid van het in beroep bestreden besluit. Het arrest van de Hoge Raad van 20 april 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BV6484) waar [appellant] op wijst, waarin procesbelang aangenomen werd hoewel de maatregel was verstreken, betreft een uithuisplaatsing van een minderjarige, een ingrijpende maatregel. Evenzo heeft de Afdeling overwogen (uitspraak van 19 mei 2010 in zaak nr. 200907721/1/H3) dat een appellant bij een huisverbod in zijn beroep kan worden ontvangen, ook al is het verbod uitgewerkt. Reeds omdat de weigering van een ontheffing van de schoolplicht niet vergelijkbaar is met een uithuisplaatsing of met een huisverbod, wordt in het betoog van [appellant] geen aanleiding gevonden om, in weerwil van het feit dat de aan de aanvraag om de ontheffing ten grondslag liggende omstandigheden zich niet langer voordoen, voldoende belang bij een inhoudelijk oordeel van de weigering van die ontheffing aan te nemen (vergelijk ook het arrest van de Hoge Raad van 10 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT8952).

5.4. Anders dan [appellant] betoogt, heeft de rechtbank terecht overwogen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat een reële kans bestaat dat zich in de toekomst een soortgelijk geschil zal voordoen, en hij om die reden belang heeft bij een inhoudelijk oordeel. Daarbij heeft de Afdeling het volgende in aanmerking genomen.

Volgens [appellant] heeft de rechtbank de ter zitting door hem naar voren gebrachte stelling, dat het goed gaat met zijn dochter, uit zijn verband getrokken. Bedoeld werd dat zijn dochter intussen onderwijs van passend cognitief niveau geniet, en niet dat de kans op toekomstige geschillen is afgenomen, aldus [appellant].

Anders dan [appellant] betoogt, heeft de rechtbank bij de beantwoording van de vraag naar de kans op toekomstige geschillen terecht de huidige situatie van de dochter betrokken. Bij de aanvraag om vrijstelling van de schoolplicht heeft [appellant] aangegeven dat het verzoek is ingegeven doordat de dochter zowel cognitief als sociaal-emotioneel haar leeftijd ver vooruit is, en dat de school waar zij destijds stond ingeschreven weigerde passend onderwijs aan te bieden. Het thans genoten onderwijsniveau kan daarom niet los worden gezien van de vraag of aannemelijk is dat zich in de toekomst een vergelijkbaar geschil zal voordoen.

Voorts wijst [appellant] er op dat de dochter, gelet op haar jonge leeftijd, een kwetsbare leerling is, dat zij op 14-jarige leeftijd het VWO zal afronden, terwijl zij tot en met 16-jarige leeftijd leerplichtig zal zijn, en dat de leerplichtambtenaar te kennen heeft gegeven dat hij [appellant] in de gaten zal blijven houden.

Daargelaten dat het laatste niet met stukken is gestaafd, hebben de naar voren gebrachte punten geen betrekking op de vraag of een reële kans bestaat dat de bij de aanvraag vermelde omstandigheden, die zien op het door de school geboden onderwijsniveau, zich in de toekomst opnieuw zullen voordoen en dat [appellant] wederom op die grond om vrijstelling van de schoolplicht zal verzoeken. Dat geldt te meer nu de dochter ten tijde van de aanvraag de basisschool bezocht, en thans een middelbare school bezoekt. Dat [appellant] voorziet dat hij in de toekomst mogelijk op andere gronden om vrijstelling van de schoolplicht zal verzoeken, wat daar ook van zij, kan niet leiden tot het oordeel dat hij belang heeft bij de beoordeling van het onderhavige geschil.

5.5. Tot slot wordt in hetgeen [appellant] naar voren heeft gebracht ook geen grond gevonden voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [appellant] de gestelde schade niet tot op zekere hoogte aannemelijk heeft gemaakt zodat ook daarin geen procesbelang gelegen is.

In hoger beroep heeft [appellant] de schade nader uiteengezet en onderverdeeld in verschillende kostenposten. [appellant] heeft tevens facturen en specificaties overgelegd. De schade bestaat volgens [appellant] (samengevat weergegeven) uit de kosten van het inwinnen van juridisch advies en het laten uitvoeren van deskundigenonderzoeken ten bate van de aanvraag, inkomensschade doordat hij en zijn vrouw in de periode dat zij de dochter thuis hielden dagelijks onderwijs en zorg moesten bieden aan de dochter, kosten van remedial teaching en uit immateriële schade door stress.

Ook met de in hoger beroep gespecificeerde kostenposten heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat hij als gevolg van de weigering de verzochte vrijstelling te verlenen schade heeft geleden die voor vergoeding in aanmerking komt. De door [appellant] gestelde kosten van juridisch advies en verrichte deskundigenonderzoeken zijn niet het gevolg van de weigering van de verzochte vrijstelling, maar van het indienen van de aanvraag daarvoor. Die kosten zou [appellant] ook hebben gehad indien het dagelijks bestuur de aanvraag had toegewezen. De gestelde inkomensschade is evenmin het gevolg van de weigering van de verzochte vrijstelling, nu [appellant] de dochter niet ten gevolge van, maar in weerwil van het besluit van 23 april 2013 heeft thuisgehouden. Dat geldt ook voor de kosten van remedial teaching. Voorts heeft [appellant] immateriële schade die voor vergoeding in aanmerking zou kunnen komen indien het besluit van 23 april 2013 onrechtmatig zou blijken, niet tot op zekere hoogte aannemelijk gemaakt.

6. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien voor een proceskostenveroordeling. Hij wijst daarbij op uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 18 juli 2008 (ECLI:NL:CRVB:2008:BD8928) en het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 17 september 2013 (ECLI:NL:CBB:2013:168). Daaruit volgt dat indien een bestuursorgaan hangende het beroep het bestreden besluit heroverweegt, en het procesbelang van de belanghebbende daardoor vervalt, tot een proceskostenveroordeling dient te worden gekomen, aldus [appellant].

6.1. Anders dan de bestuursorganen in de door [appellant] genoemde uitspraken, heeft het dagelijks bestuur het besluit van 23 april 2013 steeds gehandhaafd. Dat het dagelijks bestuur hangende beroep heeft verklaard af te zien van strafrechtelijke stappen wegens overtreding van de Lpw, staat daar los van. De rechtbank heeft dan ook terecht geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.

Het betoog faalt.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Van Dokkum

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2015

480-799.