Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2051

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-07-2015
Datum publicatie
01-07-2015
Zaaknummer
201409738/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 september 2013 heeft het CBR geweigerd aan [wederpartij] een verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen van de categorieën A, B, BE, C, CE, D en DE af te geven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201409738/1/A3.

Datum uitspraak: 1 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: CBR),

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 22 oktober 2015 (lees: 2014) in zaak nr. 14/1447 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

het CBR.

Procesverloop

Bij besluit van 23 september 2013 heeft het CBR geweigerd aan [wederpartij] een verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen van de categorieën A, B, BE, C, CE, D en DE af te geven.

Bij besluit van 11 februari 2014 heeft het CBR het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 oktober 2014 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 11 februari 2014 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het CBR hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank heeft het CBR op 15 april 2015 een nieuw besluit genomen.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 juni 2015, waar het CBR, vertegenwoordigd door S.J.W. van de Vorstenbosch, werkzaam bij het CBR, en [wederpartij], bijgestaan door mr. E.T. van Dalen, advocaat te Groningen, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij in bezwaar gehandhaafd besluit van 18 november 2010, dat inmiddels rechtens onaantastbaar is, heeft het CBR geweigerd aan [wederpartij] een verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen van de categorieën A, B, BE, C, CE, D en DE af te geven. Hieraan heeft het ten grondslag gelegd dat [wederpartij] lijdt aan epilepsie en een gedragsstoornis met kritiek- en oordeelstoornissen bij status na traumatisch hersenletsel en dat [wederpartij] Diazepam gebruikt.

Op 10 september 2013 heeft [wederpartij] een aanvraag ingediend voor het verkrijgen van een verklaring van geschiktheid.

Bij het besluit van 23 september 2013 is onder verwijzing naar het eerdere afwijzende besluit van 18 november 2010 geweigerd de verklaring van geschiktheid af te geven, omdat [wederpartij] geen nieuwe medische feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld. Dit besluit heeft het CBR in bezwaar gehandhaafd, aangezien de door [wederpartij] in bezwaar overgelegde verklaringen van een neuroloog en van een huisarts slechts zien op epilepsie. Ook na [wederpartij] daar meermaals om te hebben gevraagd heeft het CBR geen verklaring van de behandelend arts over de gedragsstoornis met kritiek- en oordeelstoornissen noch een medicatielijst ontvangen. Derhalve heeft [wederpartij] niet aannemelijk gemaakt dat zijn gezondheidstoestand is verbeterd sinds de laatste keuring in 2010 en is de aanvraag terecht met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) afgewezen, aldus het CBR.

2. De rechtbank heeft geoordeeld dat het CBR zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de aanvraag van 10 september 2013 een herhaalde aanvraag is als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Hiertoe heeft zij in aanmerking genomen dat ruim drie jaren gelegen zijn tussen deze aanvraag en die waarop het afwijzende besluit van 18 november 2010 zag. Verder wijzen de door [wederpartij] overgelegde stukken erop dat zijn gezondheidstoestand substantieel is gewijzigd. De rechtbank heeft het besluit van 11 februari 2014 vernietigd, zodat het CBR opnieuw op bezwaar moet beslissen.

3. Het CBR betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat de gestelde nieuw gebleken feiten en omstandigheden niet kunnen afdoen aan het besluit van 18 november 2010 en dat artikel 4:6 van de Awb derhalve terecht is toegepast. Hiertoe voert het aan dat aan het besluit van 18 november 2010 drie afwijzingsgronden ten grondslag liggen, te weten epilepsie, een gedragsstoornis met kritiek- en oordeelstoornissen bij status na traumatisch hersenletsel en Diazepamgebruik. Uit de door [wederpartij] in bezwaar overgelegde verklaringen van een neuroloog en van een huisarts blijkt weliswaar dat hij sinds 2009 geen epileptische aanvallen meer heeft gehad, maar dit doet niet af aan de andere twee afwijzingsgronden uit het eerdere afwijzende besluit. [wederpartij] heeft, hoewel daartoe herhaaldelijk in de gelegenheid te zijn gesteld, nagelaten om informatie over te leggen over zijn kritiek- en oordeelsvermogen en zijn huidige medicatiegebruik. Bovendien is het onwaarschijnlijk dat het kritiek- en oordeelsvermogen slechts door tijdverloop is verbeterd, aangezien deze gedragsstoornis het gevolg is van een auto-ongeval in 1983 waarbij [wederpartij] een ernstige hersenkneuzing heeft opgelopen en hij frontaal hersenweefsel heeft verloren, aldus het CBR.

3.1. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1) vloeit voort dat, indien een bestuursorgaan na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking neemt, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor besluiten genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, maar ook voor besluiten op een verzoek om terug te komen van een al dan niet op aanvraag genomen besluit (uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005 in zaak nr. 200406320/1). Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kan de bestuursrechter dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen toetsen. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan doen zich niettemin geen feiten of omstandigheden voor die een - hernieuwde - toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

In bezwaar heeft [wederpartij] verklaringen van een neuroloog en van een huisarts overgelegd waaruit blijkt dat hij sinds 2009 geen epileptische aanvallen meer heeft gehad en dat zijn gezondheidstoestand stabiel is. Daargelaten dat uit deze verklaringen niet kan worden afgeleid dat [wederpartij] geen Diazepam meer gebruikt, nu dit middel niet is vermeld bij de epilepsiemedicatie, hebben noch de neuroloog noch de huisarts zich uitgelaten over de gedragsstoornis met kritiek- en oordeelstoornissen. Deze verklaringen werpen weliswaar nieuw licht op de afwijzingsgrond in het in bezwaar gehandhaafde besluit van 18 november 2010 met betrekking tot de epilepsie van [wederpartij], maar kunnen niet afdoen aan de afwijzingsgrond dat [wederpartij] lijdt aan een gedragsstoornis met kritiek- en oordeelstoornissen. Het CBR heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de ingebrachte verklaringen geen nieuwe beoordeling rechtvaardigen nu deze niet afdoen aan het eerdere afwijzende besluit. De rechtbank heeft dit ten onrechte niet onderkend.

Het betoog slaagt.

4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van het CBR van 11 februari 2014 alsnog ongegrond verklaren.

5. Bij besluit van 15 april 2015 heeft het CBR gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak opnieuw op bezwaar beslist. Nu dit besluit is genomen ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank, is door de vernietiging van die uitspraak de grondslag aan dat besluit komen te ontvallen, zodat het reeds daarom dient te worden vernietigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 22 oktober 2015 (lees: 2014) in zaak nr. 14/1447;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. vernietigt het besluit van het CBR van 15 april 2015, kenmerk 4462810414.19.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Neuwahl

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2015

280-805.