Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2049

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-07-2015
Datum publicatie
01-07-2015
Zaaknummer
201403217/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:2674, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 mei 2013 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het geen dwangsom heeft verbeurd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201403217/1/A3.

Datum uitspraak: 1 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats], [gemeente],

2. het college van burgemeester en wethouders van Bernisse, thans gemeente Nissewaard,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 april 2014 in zaak nr. 13/6505 in het geding tussen:

[appellant sub 1]

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 16 mei 2013 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het geen dwangsom heeft verbeurd.

Bij besluit van 3 september 2013 heeft het college het door [appellant sub 1] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 april 2014 heeft de rechtbank het door [appellant sub 1] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, vastgesteld dat aan [appellant sub 1] een dwangsom is verbeurd van € 490,00 te vermeerderen met de wettelijke rente, bepaald dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit en het college veroordeeld in de proceskosten in beroep tot een bedrag van € 243,50. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en het college hoger beroep ingesteld.

[appellant sub 1] en het college hebben een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 mei 2015, waar het college, vertegenwoordigd door mr. H.E. Jansen-van der Hoek, werkzaam bij juridisch adviesbureau X10Sion, is verschenen.

Overwegingen

1. Bij e-mail van 26 februari 2013 heeft [appellant sub 1] op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) verzocht om documentatie met betrekking tot de manier waarop wordt gecommuniceerd vanuit het bestuursorgaan richting de burger.

Bij e-mail van 27 maart 2013 heeft [appellant sub 1] het college in gebreke gesteld nu nog geen beslissing is genomen op het Wob-verzoek.

Bij e-mail van 9 april 2013 heeft het college aan [appellant sub 1] medegedeeld dat het Wob-verzoek niet in behandeling wordt genomen omdat het college de digitale weg voor het indienen van Wob-verzoeken expliciet heeft afgesloten. Een Wob-verzoek kan enkel schriftelijk (via brief of fax) worden ingediend.

Bij faxbericht van 9 april 2013 heeft [appellant sub 1] het Wob-verzoek schriftelijk ingediend.

Bij besluit van 23 april 2013, verzonden op 1 mei 2013, heeft het college het verzoek van [appellant sub 1] om openbaarmaking van documenten toegewezen.

Bij e-mail van 2 mei 2013 heeft het college de gevraagde documenten digitaal aan [appellant sub 1] verstrekt.

Bij e-mails van 2 mei 2013 en 7 mei 2013 heeft [appellant sub 1] het college verzocht een dwangsom vast te stellen in verband met de overschrijding van de beslistermijn.

Bij besluit van 16 mei 2013 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het tijdig op het Wob-verzoek heeft beslist en om die reden geen dwangsom heeft verbeurd. Volgens het college diende, naar aanleiding van het Wob-verzoek van 9 april 2013, uiterlijk op 7 mei 2013 te worden beslist. Het college heeft het besluit in bezwaar gehandhaafd.

Het hoger beroep van het college

2. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, beslist het bestuursorgaan op het verzoek om informatie zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken gerekend vanaf de dag na die waarop het verzoek is ontvangen.

Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan de beslissing voor ten hoogste vier weken verdagen. Van de verdaging wordt voor de afloop van de eerste termijn schriftelijk gemotiveerd mededeling gedaan aan de verzoeker.

Ingevolge artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de aanvraag geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.

Ingevolge artikel 4:15, eerste lid, aanhef en onder a, wordt de termijn voor het geven van een beschikking opgeschort met ingang van de dag na die waarop het bestuursorgaan de aanvrager krachtens artikel 4:5 uitnodigt de aanvraag aan te vullen, tot de dag waarop die aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

3. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het tijdig op het Wob-verzoek heeft beslist zodat het geen dwangsom was verschuldigd. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het college aan [appellant sub 1] geen mogelijkheid tot herstel heeft geboden als bedoeld in artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb, zodat van opschorting van de beslistermijn op voet van artikel 4:15, eerste lid, aanhef en onder a, van die wet geen sprake is. De rechtbank heeft voorts overwogen dat evenmin is gebleken dat de termijn op voet van artikel 6, tweede lid, van de Wob is verdaagd. De beslistermijn eindigde derhalve op 26 maart 2013, aldus de rechtbank.

4. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het niet tijdig op het Wob-verzoek heeft beslist. De rechtbank heeft daartoe ten onrechte overwogen dat het college [appellant sub 1] geen mogelijkheid tot herstel heeft geboden als bedoeld in artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb. De rechtbank heeft volgens het college miskend dat de e-mail van 9 april 2013 de in artikel 4:5 van de Awb bedoelde gelegenheid tot herstel is. Daarin is vermeld dat een verzoek schriftelijk moet worden ingediend en dat het verzoek dan zal worden behandeld. De termijn om te beslissen op het Wob-verzoek is volgens het college pas aangevangen op 9 april 2013. Op die datum is het verzoek op de juiste wijze ingediend.

5. De beslistermijn voor het college liep ingevolge artikel 6, tweede lid, van de Wob van 27 februari 2013 tot en met 26 maart 2013. Bij e-mail van 9 april 2013 heeft het college aan [appellant sub 1] medegedeeld dat het Wob-verzoek niet in behandeling wordt genomen en dat een Wob-verzoek alleen schriftelijk kan worden ingediend. Voor zover deze e-mail dient te worden aangemerkt als een mogelijkheid tot herstel als bedoeld in artikel 4:5 van de Awb, waarmee de beslistermijn wordt opgeschort totdat het verzoek schriftelijk is ingediend, komt daaraan evenwel geen betekenis toe, aangezien deze mededeling na ommekomst van de beslistermijn aan [appellant sub 1] is gedaan.

Nu het college niet uiterlijk 26 maart 2013 een besluit op aanvraag heeft genomen en evenmin binnen deze beslistermijn aan [appellant sub 1] heeft medegedeeld dat de beslissing wordt uitgesteld, was het college met ingang van 27 maart 2013 in gebreke tijdig een besluit te nemen. De rechtbank heeft dit terecht onderkend.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep van het college is ongegrond.

Het hoger beroep van [appellant sub 1]

7. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Awb worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

Ingevolge het derde lid wordt het verzoek gedaan voordat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist. Het bestuursorgaan beslist op het verzoek bij de beslissing op het bezwaar.

Ingevolge het vierde lid worden bij algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld over de kosten waarop de vergoeding uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.

Ingevolge artikel 8:75, eerste lid, is de rechtbank bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank, en van het bezwaar of van het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De artikelen 7:15, tweede tot en met vierde lid, en 7:28, tweede lid, eerste volzin, derde en vierde lid, zijn van toepassing. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de kosten waarop een veroordeling als bedoeld in de eerste volzin uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop bij de uitspraak het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb), kan een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 onderscheidenlijk een vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, of 7:28, tweede lid, van de Awb, betrekking hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, wordt het bedrag van de kosten bij de uitspraak, onderscheidenlijk de beslissing op bezwaar of het administratief beroep als volgt vastgesteld: a. ten aanzien van de kosten, bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a: overeenkomstig het in de bijlage opgenomen tarief.

Ingevolge de eerste volzin van de bijlage wordt het bedrag van de kosten, bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb, vastgesteld door aan de verrichte proceshandelingen punten toe te kennen overeenkomstig de bijbehorende lijst (A) en die punten te vermenigvuldigen met de waarde per punt (B) en met de toepasselijke wegingsfactoren (C).

8. De rechtbank heeft het college veroordeeld tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 243,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Zij heeft in dit geval een wegingsfactor van 0,25 ("zeer licht") passend geacht.

9. [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten het college te veroordelen in de proceskosten voor de behandeling van zijn bezwaarschrift.

9.1. Bij brief van 26 mei 2013 heeft [appellant sub 1] bezwaar gemaakt tegen het besluit van 16 mei 2013. In het bezwaarschrift is tevens verzocht om vergoeding van de kosten die in verband met de behandeling van het bezwaar worden gemaakt.

De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank, nu zij het besluit van 16 mei 2013 alsnog heeft herroepen wegens een aan het college te wijten onrechtmatigheid, wat de kosten in bezwaar betreft ten onrechte geen proceskostenveroordeling heeft uitgesproken.

Het betoog slaagt.

10. Voorts betoogt [appellant sub 1] dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van wegingsfactor "zeer licht" (0,25) bij de toekenning van proceskostenvergoeding in verband met de behandeling van zijn beroep.

10.1. De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van wegingsfactor "zeer licht" (0,25) bij het berekenen van de omvang van de vergoeding van de proceskosten in beroep. Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld, onder meer in haar uitspraak van 27 november 2014 in zaak nr. 201406411/2/A3, behoort de behandeling van een zaak in de bezwaar- en beroepsprocedure in beginsel tot de categorie gemiddeld, tenzij er duidelijke redenen zijn hiervan af te wijken. Van dergelijke redenen is in de voorliggende zaak niet gebleken. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat een materiële beoordeling van het geschil heeft plaatsgevonden.

Ook dit betoog slaagt.

11. Het hoger beroep van [appellant sub 1] is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover de rechtbank heeft nagelaten het college te veroordelen tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten en voor zover zij heeft bepaald dat het college aan [appellant sub 1] een bedrag van € 243,50 dient te vergoeden voor in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten. De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd.

Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het college veroordelen tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 490,00, zijnde een keer de puntwaarde zoals die sinds 1 januari 2015 geldt. Voorts zal de Afdeling het college veroordelen tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 980,00, zijnde twee keer de puntwaarde zoals die sinds 1 januari 2015 geldt.

12. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld die [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft gemaakt.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van Bernisse, thans gemeente Nissewaard, ongegrond;

II. verklaart het hoger beroep van [appellant sub 1] gegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 april 2014 in zaak nr. 13/6505, voor zover de rechtbank heeft nagelaten het college van burgemeester en wethouders van Bernisse, thans gemeente Nissewaard, te veroordelen tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten en voor zover zij heeft bepaald dat het college van burgemeester en wethouders van Bernisse, thans gemeente Nissewaard, aan [appellant sub 1] € 243,50 dient te vergoeden voor in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten;

IV. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Bernisse, thans gemeente Nissewaard, tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 490,00 (zegge: vierhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde verleende rechtsbijstand;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Bernisse, thans gemeente Nissewaard, tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde verleende rechtsbijstand;

VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Bernisse, thans gemeente Nissewaard, tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Bernisse, thans gemeente Nissewaard, aan M.R. [appellant sub 1] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 246,00 (zegge: tweehonderdzesenveertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt;

IX. bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Bernisse, thans gemeente Nissewaard, een griffierecht van € 493,00 (zegge: vierhonderddrieënnegentig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Nell, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Nell

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2015

597.