Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2048

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-07-2015
Datum publicatie
01-07-2015
Zaaknummer
201410522/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 april 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen - voor zover thans van belang - het voorschot kindgebonden budget van [appellant] voor het jaar 2012 vastgesteld op € 932,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201410522/1/A2.

Datum uitspraak: 1 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 november 2014 in zaken nrs. 13/5038 en 13/5040 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 12 april 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen - voor zover thans van belang - het voorschot kindgebonden budget van [appellant] voor het jaar 2012 vastgesteld op € 932,00.

Bij besluit van 15 april 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kindgebonden budget van [appellant] voor het jaar 2011 vastgesteld op € 253,00.

Bij besluit van 26 april 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het kindgebonden budget van [appellant] over het jaar 2011 - definitief - vastgesteld op € 253,00.

Bij besluit van 29 juli 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellant] tegen het besluit van 12 april 2013 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 23 augustus 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellant] tegen de besluiten van 15 en 26 april 2013 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 1 april 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het besluit 29 juli 2013 gewijzigd en het door [appellant] tegen het besluit van 12 april 2013 gemaakte bezwaar deels gegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 november 2014 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het beroep van [appellant] tegen de besluiten van 23 augustus 2013 en 1 april 2014 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 mei 2015, waar [appellant] en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C van de Werken, werkzaam bij die dienst, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b en c, van de Wet op het kindgebonden budget (hierna: de Wkb) wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder:

kindgebonden budget: een financiële bijdrage van het Rijk in de kosten voor kinderen;

ouder: de verzekerde in de zin van de Algemene Kinderbijslagwet (hierna: de AKW).

Ingevolge artikel 2, eerste lid, heeft de ouder aanspraak op een kindgebonden budget voor een kind voor wie aan die ouder op grond van artikel 18 van de AKW kinderbijslag wordt betaald.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de AKW, is verzekerd degene die ingezetene is.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, stelt de Sociale verzekeringsbank (hierna: de SVB) op aanvraag vast of een recht op kinderbijslag bestaat.

2. [appellant] heeft een aanvraag om kindgebonden budget bij de Belastingdienst/Toeslagen ingediend voor drie minderjarige kinderen, te weten: [kind A], [kind B] en [kind C].

De Belastingdienst/Toeslagen heeft aan [appellant] kindgebonden budget voor [kind A] met ingang van 1 oktober 2011 en voor [kind B] en [kind C] met ingang van 1 januari 2013 toegekend.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft aan de besluiten van 23 augustus 2013 en 1 april 2014 ten grondslag gelegd dat de SVB aan [appellant] eerst per 1 oktober 2011 kinderbijslag heeft betaald voor [kind A] en dat de SVB aan [appellant] eerst per 1 januari 2013 kinderbijslag heeft betaald voor [kind B] en [kind C]. [appellant] voldoet om die reden in de periode voorafgaand aan 1 oktober 2011 voor de drie kinderen niet aan het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de Wkb en in de periode voorafgaand aan 1 januari 2013 voor [kind B] en [kind C] niet aan deze bepaling, aldus de Belastingdienst/Toeslagen.

De rechtbank heeft het standpunt van de Belastingdienst/Toeslagen gevolgd en geoordeeld dat deze dienst terecht is afgegaan op de informatie van de SVB over het recht op kinderbijslag.

3. In geschil is de aanspraak van [appellant] op kindgebonden budget over de berekeningsjaren 2011 en 2012.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat hij over deze gehele jaren aanspraak maakt op kindgebonden budget voor zijn drie minderjarige kinderen. Hij voert in verband hiermee aan dat er onjuiste gegevens waren opgenomen in de gemeentelijke basisadministratie (thans: basisregistratie personen; hierna: GBA) en dat de SVB bij de bepaling van het recht op kinderbijslag is uitgegaan van onjuiste gegevens. Onder verwijzing naar de door hem overgelegde uittreksels uit de GBA, heeft [appellant] gesteld dat de kinderen steeds op zijn adres in Amsterdam waren ingeschreven en dat de onterechte wijzigingen inmiddels zijn gecorrigeerd in de GBA. Volgens [appellant] had de Belastingdienst/Toeslagen nader onderzoek moeten doen naar de relevante feiten en de besluiten van 23 augustus 2013 en 1 april 2014 op de gecorrigeerde gegevens van de GBA moeten baseren en niet op de van de SVB afkomstige informatie. Ten slotte wijst hij op de uitspraak van de Afdeling van 19 november 2014 in zaak nr. 201404015/1/A2, gewezen in het geschil tussen zijn ex-echtgenote en de Belastingdienst/Toeslagen.

4.1. De rechtbank heeft terecht, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2013 in zaak nr. 201304197/1/A2, overwogen dat uit artikel 2, eerste lid, van de Wkb volgt dat het recht op kindgebonden budget is gekoppeld aan het recht op kinderbijslag. De SVB stelt vast wie recht heeft op kinderbijslag. De Belastingdienst/Toeslagen stelt het kindgebonden budget vast op basis van door de SVB geleverde informatie over de personen die recht hebben op kinderbijslag en zelf verzamelde inkomens- en partnergegevens. Het is niet aan de Belastingdienst/Toeslagen om te treden in de beoordeling door de SVB van het recht op kinderbijslag. De door [appellant] overgelegde uittreksels uit de GBA bevatten geen informatie over de betaling van kinderbijslag. De Belastingdienst/Toeslagen heeft in deze uittreksels dan ook terecht geen aanleiding gezien af te wijken van de informatie van de SVB.

Nu de SVB aan [appellant] eerst per 1 oktober 2011 kinderbijslag heeft betaald voor [kind A] en hem eerst per 1 januari 2013 kinderbijslag heeft betaald voor [kind B] en [kind C], heeft de Belastingdienst/Toeslagen zich in de besluiten van 23 augustus 2013 en 1 april 2014 terecht op het standpunt gesteld dat [appellant] over het berekeningsjaar 2011 alleen voor [kind A] aanspraak heeft op kindgebonden budget per 1 oktober 2011 en dat hij over het gehele berekeningsjaar 2012 alleen voor [kind A] aanspraak heeft op kindgebonden budget.

4.2. Uitsluitend de door de Belastingdienst/Toeslagen vastgestelde aanspraak van [appellant] op kindgebonden budget is in geding. De vraag of aan [appellant] over de door hem bestreden periode terecht geen kinderbijslag is toegekend en betaald door de SVB ligt in deze procedure niet ter toetsing voor en valt dus buiten de omvang van het geding. Overigens is die beoordeling aan de sociale zekerheidsrechter en niet aan de Afdeling. Indien door de SVB alsnog kinderbijslag over de in geding zijnde periode wordt toegekend en betaald, zal de Belastingdienst/Toeslagen - zoals zijn vertegenwoordiger ter zitting heeft bevestigd - bezien of dit aanleiding vormt de vaststelling van de aanspraak op kindgebonden budget over 2011 en 2012 te herzien.

4.3. Anders dan [appellant] veronderstelt, heeft de Afdeling in de eerdergenoemde uitspraak van 19 november 2014 in gelijke zin geoordeeld over de koppeling tussen het recht op kindgebonden budget en het recht op kinderbijslag. De Afdeling heeft in die zaak het hoger beroep gegrond verklaard, omdat, samengevat, de rechtbank niet had onderkend dat de Belastingdienst/Toeslagen de gegevens van de SVB over het recht op kinderbijslag niet goed in het besluit over het kindgebonden budget had verwerkt. Hierdoor was ten onrechte over een periode van twee maanden kindgebonden budget voor twee kinderen in plaats van drie kinderen toegekend. Daarin verschilt die zaak met het geval van [appellant]. Niet is gebleken dat de Belastingdienst/Toeslagen in zijn situatie de door de SVB geleverde informatie over het recht op kinderbijslag, zoals die informatie luidde ten tijde van de besluiten van 23 augustus 2013 en 1 april 2014, niet op de juiste wijze aan die besluiten ten grondslag heeft gelegd.

4.4. Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt tot slot dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de Belastingdienst/Toeslagen hem had moeten horen, alvorens de dienst op zijn bezwaren kon beslissen.

5.1. De rechtbank heeft terecht, onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 19 oktober 2011 in zaak nr. 201101161/1/H2), overwogen dat van het horen slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht mag worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet tot een andersluidend besluit kunnen leiden.

Zoals hiervoor is overwogen, dient de Belastingdienst/Toeslagen zich bij de vaststelling van de aanspraak op kindgebonden budget te baseren op de informatie van de SVB over het recht op kinderbijslag. Gelet hierop en hetgeen [appellant] tegen de besluiten van 12, 15, en 26 april 2013 in bezwaar heeft aangevoerd, is aan voormelde maatstaf voldaan. De rechtbank heeft derhalve met juistheid overwogen dat de Belastingdienst/Toeslagen met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van het horen heeft kunnen afzien.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.M.A. Koster, griffier.

w.g. Michiels w.g. Koster

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2015

710.