Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2046

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-07-2015
Datum publicatie
01-07-2015
Zaaknummer
201410414/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 augustus 2012 heeft het college een verzoek van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/446

Uitspraak

201410414/1/A2.

Datum uitspraak: 1 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Roosendaal,

appellant,

en

het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 augustus 2012 heeft het college een verzoek van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Bij besluit van 21 november 2014, verzonden op dezelfde dag, heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 juni 2015, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.T.F. van Berkel, werkzaam bij DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringsmaatschappij N.V., en het college, vertegenwoordigd door mr. Y. Bons en P.A. Loos-Schellekens, beiden werkzaam bij de gemeenten Roosendaal, vergezeld van mr. J.H.J. van Erk, werkzaam bij de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: SAOZ), zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij besluit van 6 juni 2008 heeft het college ten behoeve van de bouw van een appartementengebouw met een parkeerkelder en parkeerterrein op de hoek van de Philipslaan en de Bredaseweg te Roosendaal vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening verleend van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Groot Kalsdonk" (hierna: het bestemmingsplan).

[appellant] is mede-eigenaar van de woning aan de [locatie] te Roosendaal (hierna: de woning). Hij heeft het college gevraagd om een tegemoetkoming in de planschade, die hij stelt te lijden ten gevolge van de vrijstelling.

2. De Afdeling heeft in de uitspraak van 11 juni 2014 in zaak nr. 201308057/1/A2 beslist op het hoger beroep van [appellant] tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 18 juli 2013 op het beroep van [appellant] tegen het besluit van het college van 29 januari 2013, waarbij zijn bezwaar tegen het besluit van 28 augustus 2012 ongegrond is verklaard. In voormelde uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat geen wettelijk voorschrift zich verzet tegen het benutten van de krachtens het bestemmingsplan bestaande bouwmogelijkheden op het tussen het appartementengebouw en de woning gelegen terrein (hierna: het terrein). Daarbij heeft de Afdeling overwogen: "In het advies van de SAOZ is voorts niet inzichtelijk gemaakt dat, zoals de rechtbank heeft overwogen, maar [appellant] heeft bestreden, de omvang van het terrein te gering is voor het realiseren van een bedrijfsgebouw. Het college heeft, door het advies van de SAOZ te volgen, onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd dat het benutten van de krachtens het bestemmingsplan bestaande bebouwingsmogelijkheden van het terrein met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid is uitgesloten, zodat [appellant] wat betreft het uitzicht vanuit de woning voordeel bij de planologische verandering heeft." Bij voormelde uitspraak heeft de Afdeling voorts bepaald dat tegen het door het college te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld.

3. Het college heeft aan het besluit van 21 november 2014 een door de SAOZ opgesteld advies van 11 juli 2014 ten grondslag gelegd. In het SAOZ-advies is vermeld dat het terrein, met een oppervlakte van ongeveer duizend vierkante meter, niet te klein is voor het oprichten van de ingevolge het bestemmingsplan ter plaatse toegestane bedrijfsbebouwing, waaronder één dienstwoning, met maximale goot- en bouwhoogten van vier onderscheidenlijk acht meter. Volgens het SAOZ-advies ondervindt [appellant] ten gevolge van de vrijstelling een beperkte extra aantasting van de privacy, beperkte extra hinder door gebruik van het appartementengebouw en enige extra geluidhinder van de nieuwe parkeergelegenheid. De vrijstelling heeft volgens het SAOZ-advies geen gevolgen voor de toetreding van zonlicht en leidt evenmin tot een aantasting van de gunstige ligging van de woning. De SAOZ heeft de waarde van het perceel van [appellant] vóór de planologische verandering gewaardeerd op een bedrag van € 212.000,00 en daarna op een bedrag van € 207.000,00 en aldus het planologisch nadeel bepaald op een bedrag van € 5.000,00.

Volgens het SAOZ-advies valt deze schade geheel binnen het normaal maatschappelijk risico als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro). Daartoe is in het SAOZ-advies het volgende vermeld. Het nieuwe appartementengebouw is op een zogenoemde inbreidingslocatie gesitueerd, in een gebied met een relatief hoge bebouwingsdichtheid. De realisering van het appartementengebouw kan, gezien de aard en omvang ervan, dan ook als ter plaatse passend worden aangemerkt. De realisering van het appartementengebouw past ook binnen het lange termijnbeleid van de gemeente, op grond waarvan op veel locaties binnen de bebouwde kom een verdichting van de woonfunctie in de vorm van gestapelde woningbouw heeft plaatsgevonden. Verder is de afstand van het appartementengebouw tot de woning beperkt maar niet gering, zodat de gevolgen voor het woon- en leefklimaat slechts in beperkte mate merkbaar zullen zijn. De ten gevolge van de vrijstelling voor [appellant] ontstane planschade is evenzeer beperkt.

4. Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van de Wro kent het college degene die in de vorm van een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

Ingevolge artikel 6.2, eerste lid, blijft binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade voor rekening van de aanvrager.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, blijft van schade in de vorm van een vermindering van de waarde van een onroerende zaak in ieder geval voor rekening van de aanvrager: een gedeelte gelijk aan twee procent van de waarde van de onroerende zaak onmiddellijk voor het ontstaan van de schade.

5. [appellant] betoogt in de eerste plaats dat het college met het SAOZ-advies niet toereikend heeft gemotiveerd waarom het door hem geleden planologisch nadeel ten gevolge van de vrijstelling op een bedrag van € 5.000,00 is bepaald, terwijl het planologisch nadeel van de vrijstelling voor de nabijgelegen woning van een buurman door de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening op een bedrag van € 25.000,00 is bepaald. Hij voert aan dat een dergelijk groot verschil een nadere motivering behoeft.

5.1. Het college heeft in het verweerschrift vermeld dat dit verschil een gevolg is van de verschillende ligging van beide woningen ten opzichte van het nieuwe appartementengebouw. Volgens het SAOZ-advies ligt de woning van de buurman direct tegenover en op relatief korte afstand van het nieuwe appartementengebouw, terwijl de woning van [appellant] op grotere afstand en zijdelings ten opzichte van het appartementengebouw is gelegen. [appellant] heeft niet gedocumenteerd aangegeven waarom het SAOZ-advies op dit punt onjuist is. Het voorgaande betekent dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het college het SAOZ-advies op dit punt niet aan zijn besluit van 21 november 2014 ten grondslag mocht leggen.

Het betoog faalt.

6. [appellant] betoogt verder dat het college de afwijzing van zijn verzoek om een tegemoetkoming in planschade ten onrechte heeft gehandhaafd op de grond dat de planschade binnen het normaal maatschappelijk risico valt. Hij voert ten eerste aan dat het besluit op bezwaar in strijd met de hiervoor aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 11 juni 2014 is genomen, omdat volgens [appellant] in die uitspraak uitdrukkelijk is aangegeven dat het college slechts op één punt een nieuw oordeel mocht geven in een nieuw besluit op bezwaar. Volgens [appellant] is in die uitspraak niet aangegeven dat de SAOZ haar advies op het punt van het normaal maatschappelijk risico moest aanpassen.

[appellant] voert verder aan dat de SAOZ in zijn advies van juni 2012 expliciet het standpunt heeft ingenomen dat de door hem geleden schade niet binnen het normaal maatschappelijk risico valt, anders dan het forfaitair normaal maatschappelijk risico als bedoeld in artikel 6.2, tweede lid, van de Wro, en dat het college dit advies toen heeft gevolgd. Volgens [appellant] miskent het college dat de SAOZ als deskundige thans niet een aangepaste motivering heeft gegeven, maar een ander standpunt heeft ingenomen over het van toepassing zijn van het normaal maatschappelijk risico in deze zaak.

6.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 12 december 2012 in zaak nr. 201204268/1/A1) is de bezwaarprocedure bedoeld voor een volledige heroverweging die niet is gebonden aan argumenten of omstandigheden die in het bezwaarschrift aan de orde zijn gesteld. Uit de hiervoor onder 2 aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 11 juni 2014 volgt voorts, anders dan [appellant] betoogt, niet dat het college in het nieuwe besluit op bezwaar alleen een oordeel moest geven over het planologisch nadeel van de ingevolge het bestemmingsplan bestaande bouwmogelijkheden op het tussen het appartementengebouw en de woning gelegen terrein. Gelet op artikel 6.2, eerste lid, van de Wro heeft het college in het nieuwe besluit op bezwaar terecht ook beoordeeld of de door [appellant] geleden planschade binnen het normaal maatschappelijk risico valt.

De vraag of schade als gevolg van een planologische ontwikkeling als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, van de Wro tot het normaal maatschappelijk risico behoort, moet worden beantwoord met inachtneming van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval. Van belang is onder meer of de planologische ontwikkeling als een normale maatschappelijke ontwikkeling kan worden beschouwd waarmee de benadeelde rekening had kunnen houden in de zin dat de ontwikkeling in de lijn der verwachtingen lag, ook al bestond geen concreet zicht op de omvang waarin, de plaats waar en het moment waarop de ontwikkeling zich zou voordoen. In dit verband komt betekenis toe aan de mate waarin de ontwikkeling naar haar aard en omvang binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving en het gevoerde planologische beleid past. Omstandigheden die verder van belang kunnen zijn, zijn de afstand van de locatie waar de ontwikkeling heeft plaatsgevonden tot de onroerende zaak van de aanvrager en de aard en de omvang van het door de ontwikkeling veroorzaakte nadeel.

Het appartementengebouw past volgens het SAOZ-advies gezien de aard en omvang ervan op de zogenaamde inbreidingslocatie waar het is gerealiseerd. De realisering van het appartementengebouw past volgens het advies evenzeer binnen het door de gemeente gevoerde planologische beleid. De inbreiding van woningen binnen de bebouwde kom is een normale maatschappelijke ontwikkeling. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de planologische wijziging, gelet op de structuur van de omgeving, in de lijn der verwachtingen lag. Het appartementengebouw is verder niet op zeer korte afstand van het perceel van [appellant] gerealiseerd. Voorts is de door [appellant] ten gevolge van de planologische verandering geleden schade, gezien de door de SAOZ verrichte taxaties, beperkt van omvang.

De conclusie is dat het college zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant] geleden planschade binnen het normaal maatschappelijk risico valt.

Het betoog faalt.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. N.S.J. Koeman en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Oranje, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Oranje

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2015

507.