Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2043

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-07-2015
Datum publicatie
01-07-2015
Zaaknummer
201404573/2/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 mei 2012 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een zeugen-strostal, een kraamzeugen/biggenstal, een berging en het slopen van kalverenstallen op het perceel [locatie] te Harskamp (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/389

Uitspraak

201404573/2/A1.

Datum uitspraak: 1 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 2A], beiden wonend te Harskamp, gemeente Ede, (hierna: tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1])

2. [appellant sub 2A], [appellant sub 2B], [appellant sub 2C] en anderen, allen wonend te Harskamp, (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2])

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 24 april 2014 in zaken nrs. 12/4994 en 12/5506 in het geding tussen:

[appellant sub 1] en [partij],

[appellant sub 2]

en

het college van burgemeester en wethouders van Ede.

Procesverloop

Bij besluit van 29 mei 2012 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een zeugen-strostal, een kraamzeugen/biggenstal, een berging en het slopen van kalverenstallen op het perceel [locatie] te Harskamp (hierna: het perceel).

Bij besluit van 17 september 2012 heeft het college het door [appellant sub 2], [partij A], [partij B], [partij C], [partij D] en [appellant sub 1] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het door [appellant sub 2B], [appellant sub 2C], [partij E], [partij F] en [partij G] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk.

Bij uitspraak van 24 april 2014 heeft de rechtbank onder meer het door [appellant sub 1] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en het door [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroep gegrond, het besluit van 17 september 2012 vernietigd, voor zover daarbij het bezwaar van maatschap Van den Brink niet-ontvankelijk is verklaard en voor zover niet een voorwaarde aan de omgevingsvergunning is verbonden met betrekking tot het slopen van stallen buiten het broedseizoen, heeft bepaald dat aan de omgevingsvergunning de volgende voorwaarde wordt verbonden: "Het slopen dient te gebeuren buiten het broedseizoen (15 mei - 15 augustus)" en heeft bepaald dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het in zoverre vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 december 2014, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. J.M. Smits, [appellant sub 2], en het college, vertegenwoordigd door mr. R. Wassenaar, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder], bijgestaan door [gemachtigde], gehoord.

Bij tussenuitspraak van 28 januari 2015 in zaak nr. 201404573/1/A1 heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen zes weken na de verzending ervan met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen de gebreken in het besluit van 17 september 2012 te herstellen door een nieuw besluit te nemen en dit tevens aan de Afdeling toe te zenden. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 10 maart 2015 heeft het college opnieuw op het bezwaar van [appellant sub 1] beslist.

[appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben een schriftelijke zienswijze naar voren gebracht over de wijze waarop het gebrek is hersteld.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In de tussenuitspraak is overwogen dat het college in het besluit van 17 september 2012 niet heeft gemotiveerd waarom is voldaan aan de voorwaarde om toepassing te geven aan de afwijkingsbevoegdheid in artikel 3.4.6, aanhef en onder b, van de planregels, dat het verkleinen van de afstand noodzakelijk is voor een verantwoorde bedrijfsvoering. De eerst ter zitting gegeven motivering van het college daarover was onvoldoende.

2. Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft het college zich in het besluit van 10 maart 2015 op het standpunt gesteld dat het verkleinen van de afstand van de bebouwing tot de as van de weg en de zijdelingse achterste perceelgrenzen noodzakelijk is voor een verantwoorde bedrijfsvoering, omdat het alsnog aanpassen van de stal extra bouwkosten met zich brengt en de opbrengst per zeug zal afnemen als er minder dieren gehouden kunnen worden. Het college stelt zich verder op het standpunt dat eerder een milieuvergunning is verleend voor het houden van een bepaald aantal dieren. Wanneer de afwijkende afstand niet zou worden vergund, kan de vergunde veestapel volgens het college niet worden gehouden conform de vergunde en wettelijke huisvestingseisen. Ter onderbouwing van het besluit verwijst het college naar een onderbouwing, opgesteld in opdracht van vergunninghouder. Het college betrekt verder bij zijn besluit dat het bestemmingsplan op het perceel zonder meer een agrarisch bedrijf met 5.000 m² aan bedrijfsbebouwing toestaat.

2.1. In zijn zienswijze heeft [appellant sub 1] - samengevat weergegeven - naar voren gebracht dat het college zich in het besluit van 10 maart 2015 ten onrechte op het standpunt stelt dat geen sprake zou zijn van een uitbreiding van de bouw- en gebruiksmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, omdat een binnenplanse afwijking van de bij recht ingevolge de planregels toegestane bouwmogelijkheden betekent dat de bouwmogelijkheden groter worden. Voor zover door het college wordt bedoeld dat het ingevolge de aanvraag totaal te bouwen vloeroppervlak niet meer is dan wanneer zonder afwijking van de aan te houden afstanden de maximale bouwmogelijkheden van het plan worden benut, maakt dat volgens [appellant sub 1] niet dat daarom het verkleinen van de afstand noodzakelijk is voor een verantwoorde bedrijfsvoering. Dat het alsnog aanpassen van de stal extra bouwkosten met zich brengt en dat naar gesteld de opbrengst per zeug zou afnemen als er minder dieren worden gehouden, maakt volgens hem evenmin dat het verkleinen van de afstand noodzakelijk is voor een verantwoorde bedrijfsvoering. Tot slot kan volgens [appellant sub 1] aan de eerder verleende milieuvergunning geen betekenis toekomen, omdat dit geenszins betekent dat destijds voor een andere invulling van het plan binnen de bij recht volgens het plan bestaande mogelijkheden geen milieuvergunning verleend had kunnen worden. Volgens hem is niet aangetoond dat zonder afwijking van de aan te houden afstanden niet aan de wettelijke huisvestingseisen voldaan zou kunnen worden.

2.2. Het college heeft in het besluit van 10 maart 2015 eveneens uiteengezet waarom wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3.4.6, aanhef en onder a, c en d, van de planregels. [appellant sub 1] heeft daarop in zijn zienswijze gereageerd. Deze gronden van [appellant sub 1] behoeven geen bespreking, omdat de opdracht in de tussenuitspraak niet zover strekte dat ook met betrekking tot die toepassingsvoorwaarden een nadere motivering was vereist.

2.3. [appellant sub 1] betoogt terecht dat het feit dat het alsnog aanpassen van de stal extra bouwkosten met zich brengt, niet maakt dat het verkleinen van de afstand noodzakelijk is voor een verantwoorde bedrijfsvoering, nu het bouwen zonder onherroepelijke omgevingsvergunning voor risico en rekening van vergunninghouder komt. Dit laat onverlet dat het college zich, onder verwijzing naar de door vergunninghouder opgestelde onderbouwing, met de in het besluit van 10 maart 2015 gegeven motivering in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat is voldaan aan de voorwaarde om toepassing te geven aan de afwijkingsbevoegdheid in artikel 3.4.6, aanhef en onder b, van de planregels. Daarbij heeft het in aanmerking kunnen nemen dat het aanpassen van de plannen door minder vee te houden ten koste gaat van de gewenste schaalvoordelen en dat wanneer het voorliggende bouwplan niet als zodanig zou worden vergund, de vergunde veestapel naar nu blijkt in die omvang niet kan worden gehouden conform de vergunde en wettelijke huisvestingseisen. Het college heeft daarbij kunnen betrekken dat het ook om milieuhygiënische redenen zeer wenselijk is om gespeende biggen en kraamzeugen in 1 gebouw onder te brengen, wat besmettingsrisico’s verkleint en evenzeer om logistieke redenen is te prefereren. [appellant sub 1] heeft weliswaar gesteld, maar niet nader onderbouwd, waarom dat niet zo zou zijn. [appellant sub 1] stelt weliswaar terecht dat vergunninghouder niet het aantal dieren hoeft te houden zoals vergund in de aan hem ten behoeve van zijn bedrijf verleende milieuvergunning, maar dat neemt niet weg dat het college heeft gesteld dat dit door vergunninghouder gewenste en reeds vergunde aantal dieren alleen kan worden gehouden op de manier zoals aangevraagd en dit door [appellant sub 1] niet gemotiveerd is betwist. Het college heeft bij zijn besluit voorts in aanmerking kunnen nemen dat met de relatief kleine afwijking van het bestemmingsplan ten behoeve van de perceelsgrenzen de maximale door het bestemmingsplan toegestane oppervlakte van 5.000 m² aan bedrijfsbebouwing niet wordt overschreden. Dat betekent dat ook indien de stal binnen deze grenzen zou worden gesitueerd, er zonder afwijking van het bestemmingsplan evenzeer 5000 m² aan bedrijfsbebouwing kan worden gerealiseerd. Het college heeft daarbij kunnen betrekken dat, nu het bouwvlak kleiner is dan de standaard-bouwvlakken in het bestemmingsplan, het gelet op de omvang en ligging van dit bouwvlak voor het bedrijf lastig blijkt om daarbij ook volledig te voldoen aan de in het bestemmingsplan gestelde afstandseisen met betrekking tot de perceelsgrens.

Het betoog faalt.

3. [appellant sub 2] heeft in hoger beroep geen gronden aangevoerd met betrekking tot het onderwerp van de in de tussenuitspraak gegeven opdracht. In zijn zienswijze tegen het besluit van datum 10 maart 2015 voert hij gronden aan over de wijze waarop in dat besluit uitvoering is gegeven aan de opdracht. Hiermee heeft [appellant sub 2] zijn beroepsgronden uitgebreid met nieuwe, niet eerder aangedragen beroepsgronden. Nu [appellant sub 2] door het besluit van datum 10 maart 2015 niet in een nadeliger positie is komen te verkeren kan, gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting alsmede de rechtszekerheid van de andere partijen, in het licht van de goede procesorde niet worden aanvaard dat na de tussenuitspraak nieuwe beroepsgronden worden aangevoerd die reeds tegen het oorspronkelijke besluit naar voren hadden kunnen worden gebracht. Dit betekent dat hetgeen [appellant sub 2] in dit opzicht aanvoert, buiten inhoudelijke bespreking blijft.

4. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben bij brieven van 29 januari 2015 en 7 maart 2015 gereageerd op de tussenuitspraak, nu daarin volgens hen ten onrechte het peil is vastgesteld op 17,49 NAP. Volgens hen had de Afdeling daarover niet mogen oordelen, omdat zij alleen hebben aangevoerd dat in de vergunning een peil opgenomen had moeten worden en de vraag wat het peil is nog in een andere procedure aan de orde is.

4.1. Voor zover [appellant sub 1] en [appellant sub 2] zich keren tegen de overwegingen van de tussenuitspraak, overweegt de Afdeling dat zij behoudens zeer uitzonderlijke gevallen niet kan terugkomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Een zeer uitzonderlijk geval is hier niet aan de orde, zodat van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel moet worden uitgegaan. Ten overvloede overweegt de Afdeling dat, reeds omdat de beroepsgrond daarop ook geen betrekking had, de tussenuitspraak niet beoogde het feitelijke peil bindend te bepalen.

5. Het hoger beroep van [appellant sub 1] is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover het beroep van [appellant sub 1] ongegrond is verklaard. Het besluit van 17 september 2012 komt, gelet op hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen, voor vernietiging in aanmerking. Het hoger beroep van [appellant sub 2] is ongegrond. De uitspraak dient voor zover aangevallen voor het overige te worden bevestigd. Het beroep van [appellant sub 1] gericht tegen het besluit van 10 maart 2015 is ongegrond.

6. Het college dient ten aanzien van [appellant sub 1] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 24 april 2014 in zaken nrs. 12/4994 en 12/5506, voor zover het beroep van [appellant sub 1] ongegrond is verklaard;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Ede van 17 september 2012, kenmerk 722178;

V. verklaart het hoger beroep van [appellant sub 2A], [appellant sub 2B], [appellant sub 2C] en anderen ongegrond;

VI. bevestigt de uitspraak voor zover aangevallen voor het overige;

VII. verklaart het beroep van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] tegen het besluit van het college van 10 maart 2015 ongegrond;

VIII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Ede tot vergoeding van bij [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.205,00 (zegge: tweeduizend tweehonderdvijf euro), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

IX. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Ede aan [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 402,00 (zegge: vierhonderdtwee euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, griffier.

w.g. Van Sloten w.g. Van Dorst

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2015

357-776.